SalvationInGod

maandag 31 maart 2014

Heerlijk vooruitzicht

“En Ik zeg u in waarheid: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven, voordat zij het Koninkrijk van God hebben gezien” - LUCAS 9:27


In hoofdstuk 9 van Lucas wordt een vraag beantwoordt die al vanaf hoofdstuk 5 wordt gesteld door verschillende mensen: “Wie is Hij toch?” Wie is Jezus Christus?

Wie is Jezus?
Eén ding is in ieder geval duidelijk: de mensen realiseren zich dat Hij een bijzonder Persoon is. Alleen is de typering niet eensluidend: Hij zou Johannes de Doper, Elia of één van de oude profeten zijn. De mensen krijgen geen definitieve blik op Hem; de meningen lopen uiteen. Er is echter geen twijfel bij het volk over het feit dat Jezus een profeet is.
We lezen deze typering door het volk tweemaal in Lucas 9. De eerste keer is in vers 7 en 8, wanneer Jezus Zijn twaalf apostelen heeft uitgezonden om het Evangelie van Gods Koninkrijk te verkondigen. Deze verkondiging gaat gepaard met de tekenen van genezing en uitdrijving van demonen. Wanneer de berichten hierover ook Herodes bereiken, vraagt hij zich af wie dit “nu weer” kan zijn. Hij had Johannes de Doper namelijk al ter dood laten brengen. Hij stond versteld. Dacht hij een einde gemaakt te hebben aan die vervelende profetische inmenging, bleek alles tóch door te gaan! Maar wie is er nu dan bezig? Mensen stellen dat het Johannes de Doper is, of Elia, of één van de oude profeten die is opgestaan uit de dood. Herodes is gewaarschuwd: God werkt onverminderd door. Mensen uitschakelen kan, Gods werk blokkeren geenszins!

Dat de gedachten van het volk over Jezus geen lukrake gissingen zijn, wordt onderstreept door het feit dat de discipelen in vers 19 exact hetzelfde rijtje noemen dat we in vers 7 en 8 tegenkomen. Het was een algemeen en breed gedragen opvatting.
Jezus vraagt Zijn leerlingen bewust naar de opvattingen van het volk. “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” (Lucas 9:18) Het juiste antwoord zit er echter niet bij. Daarom vraagt Jezus door: “Wie zeggen júllie dat Ik ben?”
De menigten volgden Jezus weliswaar, maar uit de verslaglegging van Lucas kunnen we opmaken dat dit meer met spektakel te maken had, dan een daadwerkelijke interesse in Jezus Zelf. Het heeft er soms alle schijn van dat mensen slechts voor de genezing of het eigen welzijn komen en dat ze Jezus Zelf niet beter willen leren kennen. Deze houding verklaart waarschijnlijk ook waarom zij Hem niet juist kunnen typeren. Ze zagen wel Zijn bijzonderheid, maar niet Zijn ware Persoonlijkheid. Bijzonderheid in de Heere Jezus zien, is dus nog geen bewijs van zaligmakend geloof.
Wanneer Jezus aan Zijn discipelen vraagt wie zíj denken dat Hij is, antwoord Petrus: “De Christus van God.” Eerst zien we hoe de Heere Jezus Zijn discipelen uitdrukkelijk gebied dit (juiste!) antwoord niet rond te bazuinen. Maar waarom toch? Waarom mag op dat moment niet verteld worden dat Jezus de “Christus van God” is? Het antwoord komt in vers 22: Hij moet veel lijden, door de mensen verworpen worden, sterven en na drie dagen opstaan uit de dood.
Deze boodschap zal ruw op het dak van het volk vallen, dat met menigten achter Hem aan loopt. Het doel van Jezus, om te sterven, past niet in het beeld dat de Joden hebben van de Messias; zij dromen van politieke bevrijding. Ze zuchten onder het zware juk van de Romeinse overheersing. Zij zouden er zeker alles aan gedaan hebben om Zijn leven te beschermen, hoewel dit deels ook weer te betwijfelen valt, gezien het feit dat er al één poging was ondernomen om Hem van het leven te beroven (zie Lucas 4:16-30).

Identificatie in het lijden
In vers 23 richt Hij Zich tot allen en gaat Zijn volgelingen identificeren met Zijn lijden. De weg van Christus is óók de weg van Zijn volgelingen. Zij hebben geen andere keus. Als zij achter Jezus aan willen komen, moeten zij “zichzelf verloochenen” en “dagelijks het kruis op zich nemen.” De beeldspraak hier is duidelijk: navolging van Christus betekent het einde van jezelf. Je gaat dood. Christus stierf, nam het kruis op Zich en verloochende in Getsemane Zijn menselijke worstelingen om het lijden niet te ondergaan. Hij stierf. En Hij vraagt exact hetzelfde van iedereen die Hem wil volgen.
Deze oproep tot navolging gaat niet over het ontvangen van veel of weinig beloningen in de hemel, maar om eeuwig leven te ontvangen. Dit kunnen we lezen in vers 26: “Want wie zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben, voor hem zal de Zoon des Mensen Zich schamen, wanneer Hij zal komen in heerlijkheid en in die van de Vader en in die van de heilige engelen.”
Het Evangelie van Jezus Christus gaat niet om redding in deze wereld, maar om redding van deze wereld. Ons lot wordt niet bepaald door de manier waarop wij nu, in deze wereld, veilig zijn en onze veiligheid waarborgen, maar of we in genade worden aangenomen door Jezus wanneer Hij komt in Zijn glorie. Wat Christus hier zegt, is dat wij alles van onszelf moeten laten varen, alles van onszelf moeten weggooien, alles van onszelf moeten afleggen – ja, dat wijzelf moeten sterven, zodat Hij door Zijn Geest in ons kan leven en Hij Zijn Naam door ons heen kan grootmaken.
Dit is het grote geheim van de verlossing. Ik sterf, Christus wordt mijn leven. Ik stel mijn leven in dienst van Jezus. Hij mag met mij doen wat Hij wil, Zijn wil is mijn wet. Dit betekent dat verlossing in mijn leven een radicale verandering tot stand brengt, want in mijn natuurlijke staat denk ik zo niet. Ik baseer mijn ideeën op mijzelf, ik baseer mijn handelingen op mijzelf en ik bepaal mijn keuzes vanuit mijzelf. Ik ben geboren als een ik-gericht, God hatend persoon. Van nature “schaam” ik mij voor God, omdat ik mijn eigen hachje wil redden. Ik wil mijzelf dienen. Ik wil mijn nederlaag niet erkennen om God te behagen. Het is andersom: ik verloochen Gods grootheid en heerlijkheid door mijzelf te behagen.
Jezus roept ons hier op om de zaak om te draaien: “Verloochen jezelf, behaag God door Zijn heerlijkheid te weerspiegelen. Schaam je niet voor Hem. Als jij je voor Hem schaamt, schaam jij je voor Mij.” Opvallend is dat Jezus deze manier van spreken vaker gebruikt. Hoe wij met andere mensen omgaan, maakt duidelijk hoe wij met Jezus omgaan; als mensen de discipelen niet willen ontvangen, verwerpen zij hiermee Jezus. En uiteindelijk ook God.
Mensen die niet bereid zijn geweest de radicale verandering te ondergaan die Jezus hier van ons vraagt, zullen geweigerd worden voor de eeuwige heerlijkheid.

Voorproefje
In vers 27 zien we, zo op het eerste gezicht, een merkwaardige overgang: “En Ik zeg u in waarheid: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven, voordat zij het Koninkrijk van God hebben gezien.”
Het verband wordt echter duidelijk wanneer we de geschiedenis erna lezen, namelijk de verheerlijking op de berg. Jezus neemt Petrus, Johannes en Jakobus mee en tijdens het bidden verandert Zijn aangezicht en Zijn kleding in blinkend wit. We lezen in vers 32 dat Jezus’ aanwezige discipelen Zijn heerlijkheid zien.
Petrus, Johannes en Jakobus waren in slaap gevallen. Toen ze wakker werden, zagen ze dat Jezus’ verschijning heerlijk was.
Maar ze zagen nog meer. Er waren twee mannen met Hem. Zij praatten met elkaar; Mozes en Elia hadden zich gevoegd bij Christus. Waar spraken zij precies over met elkaar? Over het lijden dat de Heere Jezus zou moeten doorstaan in Jeruzalem. Het oogt vriendschappelijk; we krijgen hier het beeld van boezemvrienden die elkaars ervaringen uitwisselen en elkaar aanmoedigen.
Mozes en Elia hebben in hun eigen, aardse leven ontzettend geleden. En nu verschijnen ze met Christus in heerlijkheid! De boodschap die in dit gedeelte wordt gecommuniceerd, ligt volledig in lijn met de woorden van Jezus in de verzen 23 tot en met 27. We zien hier namelijk drie personen in heerlijkheid, waarvan twee deze heerlijkheid bereikt hebben na een weg van verdrukking en lijden. Mozes en Elia konden uit eigen ervaring vertellen wat lijden betekent, maar zij kunnen nu ook vertellen hoe geweldig de eeuwige heerlijkheid bij God is. Met andere woorden, Jezus praat hier met mensen die beide kennen: het lijden en de heerlijkheid. Zij kunnen Hem aanmoedigen de weg van het kruis te gaan, want ze hebben zelf de wedloop van het geloof met succes gelopen; zij hebben de finish gehaald. Ja, het gaat pijn doen; ja, het gaat Jezus Zijn leven kosten. Maar het is het waard! De eeuwige heerlijkheid ligt erachter! Mozes en Elia hebben in het gesprek met Jezus ongetwijfeld beide elementen genoemd. Het is het waard om in deze wereld te lijden voor Gods eer, voor Gods glorie en om daarna voor eeuwig bij Hem te zijn.
Dít is het verband tussen de verzen 23-26 en 27. “Gods Koninkrijk zien” betekent de glorie van de Heere Jezus zien, verzameld zijn met de heiligen van alle tijden en alle plaatsen en luisteren naar het onderwijs van Christus (zie vers 29, 31 en 35). Gods Koninkrijk zien is dus Zijn glorie zien, samen met alle heiligen. Ons aandeel is Christus de eer geven die Hij waard is. Al Zijn onderwijs is heerlijkheid. Het is alles heerlijkheid.
Lees je Zijn geboden? Het is heerlijkheid! Lees je Zijn beloften? Het is heerlijkheid! Lees je Zijn waarschuwingen? Het is heerlijkheid! Heerlijkheid, heerlijkheid, alles is heerlijkheid!

Wat Petrus, Johannes en Jakobus hebben gezien, is een voorproefje van de heerlijkheid van de Zoon des Mensen, die Jezus in vers 26 noemt. We komen nu weer terug op het punt dat we eerder hebben gezien: Jezus wil dat wij ons met Hem identificeren in het lijden. Hij droeg Zijn kruis, wij het onze. Hij verheerlijkte God en bleef dit doen, ook al wist Hij dat Hij moest sterven. Zo moeten ook wij onszelf verloochenen, om Jezus te gehoorzamen tot eer van God. Voor de drie discipelen zullen de woorden van Jezus in de verzen 23-26 een levendige betekenis hebben gekregen door datgene wat zij hebben gezien op de berg. Zij hebben die heerlijkheid gezien, waar Jezus over spreekt in vers 26. En wil je dan door Hem weggestuurd worden? Wil je dan te horen krijgen dat Hij, Die zulke glorie uitstraalt, Zich schaamt voor jou?
Er zijn nu nog mensen die zich niet schamen om Christus te verloochenen, maar ze zullen het niet wagen om dit te doen wanneer zij Hem in als Zijn glorie zien verschijnen. Op die Dag zullen ze zien hoe groot het kwaad is dat zij bedreven hebben. Zij zullen erkennen dat zij ongehoorzaam zijn geweest aan deze heerlijke en grote God. Zij zullen zich schamen voor zichzelf. En Christus voor hen.

Gods Koninkrijk is Gods heerlijkheid
De verheerlijking op de berg geeft ons belangrijke aanwijzingen voor het beantwoorden van de vraag wat Gods Koninkrijk is. We kunnen drie kernmerken onderscheiden.
Allereerst zal Christus in Zijn glorie gezien worden. Dit is verreweg het grootste voorrecht dat ons te wachten staat. Het is niet de afwezigheid van ziekte, zonde, ellende en lijden – het is de aanwezigheid van Christus, Die het Beeld Gods is. Zijn aanwezigheid sluit alle kwaad uit.
Ten tweede lezen we dat alle kinderen van God verheerlijkt zullen zijn. Zij stralen Gods heerlijkheid uit. Er is geen zonde meer in hen te vinden. Zij zijn volkomen gelijkgemaakt aan het karakter van Jezus Zelf.
Tenslotte zien we dat God er een behagen in heeft wanneer wij Zijn Zoon gehoorzamen: “Luister naar Hem!”
Het Koninkrijk van God is daar waar Zijn heerlijkheid straalt door weerspiegeling van Zijn karakter. Dit is de essentie van gehoorzaamheid aan Jezus. Dáárom zegt God dat wij naar Hem moeten luisteren. Een andere reden is er niet. Navolging van Christus betekent gelijkvormig worden naar Zijn Beeld. Hij straalt volmaakt Gods glorie uit; wij mogen hierin groeien. Dít is Gods Koninkrijk. Dít is de eeuwige heerlijkheid. Dít is ons levensdoel. Dít is de vreugde van gehoorzaamheid.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief