SalvationInGod

zondag 26 juli 2020

God in ons midden

Woordverkondiging Zefanja 3:14-20, Vrije Baptistengemeente Papendrecht op 26 juli 2020

Inleiding en context: Goedemorgen broeders en zusters, het is fijn om weer samen te kunnen en mogen zijn deze morgen. En het is niet alleen fijn dat we elkaar hier als broeders en zusters kunnen ontmoeten, het is boven alles geweldig te mogen weten dat God in ons midden is. Dit zal ook het thema van de woordverkondiging zijn en dat wil ik behandelen vanuit het Bijbelboek Zefanja. De naam Zefanja betekent “De Heere heeft verborgen” of “de Heere heeft beschermd.” Deze profeet, over wie we eigenlijk niet zo heel veel weten, trad op tijdens de regeerperiode van koning Josia (640-609 voor Christus). Josia was een hervormer, die probeerde om godsdienstige gebruiken te herstellen. Het is de tijd dat het noordelijke rijk van Israël al in ballingschap is gegaan, in het jaar 722 voor Christus. De term “Israël” in de profetie verwijst daarom niet naar dit noordelijke rijk, maar naar Juda en zijn hoofdstad, Jeruzalem.
Een belangrijk thema in het boek is de Dag van de Heere. Deze dag brengt zowel verlossing als oordeel. Het confronterende aspect van Zefanaja’s boodschap is dat God het oordeel over de heidenvolken aanzegt (2:4-15), maar ook aan Juda – het volk dat meende onaantastbaar te zijn, omdat zij beweerde Gods volk te zijn. Ik kan mij goed voorstellen dat deze profetie voor een schok bij het volk heeft gezorgd. In Zefanja 3:1-7 wordt Juda zelf ter verantwoording geroepen. En daar waar het derde hoofdstuk ernstig en vermanend begint, eindigt dit Bijbelboek met de hoopvolle blik op de toekomst. We lezen Zefanja 3:14-20:

“Zing vrolijk, dochter van Sion!
Juich, Israël!
Wees blij en spring op van vreugde met heel uw hart,
dochter van Jeruzalem!
De HEERE heeft uw oordelen weggenomen,
Hij heeft uw vijand weggevaagd.
De Koning van Israël, de HEERE, is in uw midden:
u zult geen kwaad meer zien.
Op die dag zal tegen Jeruzalem gezegd worden:
Wees niet bevreesd;
Sion, verlies de moed niet!
De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held, Die verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.
Wie bedroefd zijn vanwege de samenkomst
zal Ik verzamelen, zij zijn uit u;
de smaad drukt als een last op hen.
Zie, in die tijd ga Ik optreden
tegen al uw verdrukkers.
Ik zal verlossen wie mank gaat,
bijeenbrengen wie verdreven is.
Ik zal hen maken tot lof en tot een naam
in heel het land waar zij beschaamd waren.
In die tijd zal Ik u hierheen brengen,
namelijk in de tijd dat Ik u zal bijeenbrengen.
Voorzeker, Ik zal u maken tot een naam en tot lof
onder alle volken van de aarde,
wanneer Ik voor uw ogen een omkeer in uw gevangenschap breng, zegt de HEERE.”

Het is u misschien opgevallen tijdens het lezen, maar er wordt twee keer melding gemaakt van het feit dat God in het midden van Zijn volk is. Ik wil met u stilstaan bij drie heerlijke waarheden die ons laten zien wat het betekent dat God in ons midden is.

1. God in ons midden: Zijn oordeel is weggenomen (3:14-15)
2. God in ons midden: Zijn vreugde wordt ervaren (3:16-17)
3. God in ons midden: Zijn volk wordt hersteld (3:18-20)


1. God in ons midden: Zijn oordeel is weggenomen (3:14-15)
In vers 14 lezen we een oproep aan Juda:

“Zing vrolijk, dochter van Sion!
Juich, Israël!
Wees blij en spring op van vreugde met heel uw hart,
dochter van Jeruzalem!”

Juda wordt opgedragen om vrolijk te zingen, om te juichen, om blij te zijn, en om van vreugde op te springen! Maar, zult u zich afvragen, is dit hetzelfde Juda dat in 3:7 ervan wordt beschuldigd wordt dat het verderfelijk heeft gehandeld? Ja, dit is hetzelfde Juda.
Dit is het Juda, waarvan de heersers en rechters worden afgeschilderd als dieren die hun prooi verslinden.
Dit is het Juda, waarvan de religieuze leiders trouweloos zijn en Gods wet geweld aandoen.
Dit is het Juda, waar mensen zonder schaamte onrecht doen.
En tegen dit Juda wordt de oproep gedaan: “Zing! Juich! Wees blij!”
Als we verder lezen, zien we waarom Juda wordt opgeroepen verheugd te zijn:

“De HEERE heeft uw oordelen weggenomen,
Hij heeft uw vijand weggevaagd.
De Koning van Israël, de HEERE, is in uw midden:
u zult geen kwaad meer zien.”

Dit is God, Die aan het begin van Zefanja heeft gezegd: “Ik zal alles volkomen wegvagen van de aardbodem […] ja, Ik zal de mensen van de aardbodem uitroeien.” En hier zegt Hij: “De HEERE heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijanden weggevaagd.”
God geeft hier dus twee redenen aan Juda om verheugd te zijn:

A. Hij heeft Zijn oordelen over Juda zijn weggenomen
B. Hij heeft de vijand van Juda weggevaagd


Dit lijken twee verschillende zaken, maar we moeten niet vergeten dat God onder het Oude Verbond vijandige volken gebruikte om Israël te oordelen vanwege de zonde.
Daarnaast lezen we in 2:1-3 de oproep tot bekering. En we zien bij de profeten dat deze zaken allemaal met elkaar in verbinding staan:

A. Het oordeel over de zonde wordt aangezegd
B. Bij de waarschuwing voor het oordeel wordt opgeroepen tot bekering
C. Bij de oproep tot bekering worden geweldige beloften van verlossing en herstel gegeven

Ik wil hier de aandacht vestigen op de heerlijke waarheid dat God de oordelen van Zijn volk heeft weggenomen.
Toepassing: Broeders en zusters, als wij hier vanmorgen door het geloof in de Heere Jezus Christus met elkaar verbonden zijn, dan is Gods oordeel over onze zonde weggenomen! Nee, Hij heeft onze zonden niet door de vingers gezien; Hij heeft ermee afgerekend. Hij heeft Zijn oordeel vanwege onze zonden op Zijn Zoon gelegd. Als u gelooft en belijdt dat Christus het oordeel over uw zonde gedragen heeft, dan bent u een vrij man of vrouw. Dan is Gods oordeel, Gods toorn, dat op u rustte, weggenomen.
Bent u vanmorgen belast met zonde? Als u op Christus vertrouwt, dan mag u weten dat u bent vrijgesproken door het goddelijke gerechtshof. Misschien zegt er iemand: “Maar Robert, jij weet niet wat ik allemaal gedaan heb.” Nee, dat weet ik niet. Maar ik weet wel Wie de belofte in dit gedeelte geeft. En dat is God. En Hij heeft Zijn Zoon gegeven om het oordeel over de zonden van Zijn volk te dragen. En weet u, wij hebben het echt nodig om dit iedere dag tegen onszelf en tegen elkaar te zeggen: “De HEERE heeft het oordeel over jou weggenomen. De HEERE heeft het oordeel over mij weggenomen.” Het is belangrijk dat wij inzien dat God eerst het oordeel wegneemt, dat God de zonden van Zijn volk op Zijn Zoon heeft gelegd en dat Hij daarna in hun midden kan komen wonen. God kan niet wonen bij een volk dat niet heilig is. De zonde moet eerst weggedaan zijn. De schuld van de zonde moet betaald zijn. De macht van de zonde moet gebroken zijn. En uiteindelijk moet de aanwezigheid van de zonde verleden tijd zijn. We moeten dit voor onszelf beseffen, broeders en zusters.

2. God in ons midden: Zijn vreugde wordt ervaren (3:16-17)
Want wie niet de zekerheid heeft dat Gods oordeel van hem of haar weggenomen is, blijft leven in angst. Angst voor God Zelf welteverstaan. Een kind dat voortdurend bang is dat het straf krijgt van de leraar, zal uit zichzelf nauwelijks toenadering zoeken. Een werknemer die bang is voor zijn baas, zal niet in zijn kantoor te vinden zijn. Zo is het ook met een mens ten opzichte van God: iemand die bang is voor Gods oordeel, zal proberen zich voor de Heere verbergen. Maar wie God in Christus kent, wie mag weten geborgen te zijn in de gerechtigheid van de Heere Jezus, hoeft niet meer bevreesd te zijn voor God. Daarom kan Zefanja in vers 16-17 ook vervolgen met de woorden:

“Op die dag zal tegen Jeruzalem gezegd worden:
Wees niet bevreesd;
Sion, verlies de moed niet!
De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held, Die verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.”

Wat wij hier lezen, broeders en zusters, is de manier waarop God kijkt naar het volk dat Hij gerechtvaardigd heeft en dat is geborgen in de gerechtigheid van Christus. Zeker, er zit een toekomstig aspect aan deze woorden, maar in bepaalde zin is dit gedeelte nu al realiteit.
Want God heeft op de Pinksterdag de Heilige Geest uitgestort; de Heilige Geest woont in iedereen die zijn vertrouwen op Jezus heeft gesteld. God is in ons midden!
En als dát zo is, dan is het ook waar wat er – tot onze grote verbazing en verwondering – volgt. We lezen over Gods vreugde over Zijn volk!
En we lezen over Gods zwijgen in Zijn liefde.
En er staat dat God Zich zal verblijden over Zijn volk.
God – de Held, Die verlossen zal, Die Zijn volk heeft gewaarschuwd voor het oordeel, zal een trouw deel van het volk redden en dit is de manier waarop Hij naar dat volk kijkt! Dit is wat er in God leeft wanneer Hij naar Zijn volk kijkt!
De reden dat God deze intense blijdschap over Zijn volk ervaart, zit niet in dat volk zelf. In zichzelf bezit dit volk totaal geen schoonheid. In zichzelf bezit dit volk niet de waardigheid die aan Gods rechtvaardige voorwaarden kan voldoen. Maar – omdat Jezus Christus plaatsvervangend het oordeel over dit volk gedragen heeft, ziet God de Vader dit volk bekleed met de volmaakte gerechtigheid van Zijn Zoon. Wat we in dit gedeelte lezen, is in feite Gods gejuich en blijdschap over Zijn Eigen verlossingswerk in Jezus dat zichtbaar is in Zijn volk! Jezus is Alles wat dit volk zijn schoonheid en waardigheid geeft. We lezen ook over Gods zwijgen in liefde. God is werkelijk tevreden met het werk van Christus.
Toepassing: De vraag die wij onszelf deze morgen dienen te stellen, is of wij elkaar als broeders en zusters op deze manier willen zien en behandelen. Hoe kijken wij naar elkaar? Ja, de mensen waar we goed mee op kunnen schieten, daar zijn we heel genadig voor, juist omdat ze in onze ogen weinig fouten maken. We kunnen veel geduld opbrengen voor degenen met wie we goed contact hebben, juist omdat zij zo stipt hun afspraken nakomen. Bij deze mensen is het niet moeilijk om genadig en geduldig te zijn, juist omdat zij in onze contacten weinig genade en geduld nodig lijken te hebben.
Maar hoe gaan we om met degenen waar we het wat minder mee kunnen vinden? Hoeveel genade hebben we voor hen? Hoeveel geduld hebben we met hen?
De belangrijke vraag, broeders en zusters, is deze: zien wij iedere broeder en zuster, ongeacht of wij hier nu een prettig contact mee hebben, bekleed met de volmaakte gerechtigheid van Christus? En kunnen wij oprecht verheugd zijn over het feit dat God deze broeders en zusters heeft verlost? Zijn wij oprecht dankbaar voor het feit dat Christus het oordeel ook voor hen gedragen heeft? Of beoordelen wij elkaar op grond van onze onvolkomenheden?

3. God in ons midden: Zijn volk wordt hersteld (3:18-20)
Tot slot vers 18-20. Daar lezen we over Gods belofte van herstel. God gaat Zijn volk herstellen. Let eens op de kenmerken van de mensen die genoemd worden:

Vers 18: “Wie bedroefd zijn vanwege de samenkomst…”
Vers 19a: “Ik zal verlossen wie mank gaat, bijeenbrengen wie verdreven is.”
Vers 19b: “Ik zal hen maken tot lof en tot een naam in heel het land waar zij beschaamd waren…”
Vers 20: “…wanneer Ik voor uw ogen een omkeer in uw gevangenschap breng…”

In de context van Zefanja’s profetie gaat dit duidelijk over degenen die in ballingschap zijn gegaan, die niet konden deelnemen aan de samenkomst om God te aanbidden. Zij hebben geleden vanwege de ballingschap. Ze zijn verdreven. Ze zijn beschaamd.
En juist tegen de achtergrond van dit lijden gloort Gods belofte van herstel. Want kijk eens naar deze geweldig rijke belofte!

Vers 18: “Wie bedroefd zijn vanwege de samenkomst zal Ik verzamelen…”
Vers 19a: “Zie, in die tijd ga Ik optreden tegen al uw verdrukkers.”
Vers 19b:Ik zal verlossen wie mank gaat, bijeenbrengen wie verdreven is.
Vers 19c:Ik zal hen maken tot lof en tot een naam…”
Vers 20a: “In die tijd zal Ik u hierheen brengen, namelijk in de tijd dat Ik u zal bijeenbrengen.”
Vers 20b: “Voorzeker, Ik zal u maken tot een naam en tot lof onder alle volken van de aarde, wanneer Ik voor uw ogen een omkeer in uw gevangenschap breng…”

Zes keer zegt God hier “Ik zal…”
Ik zal…”
God is niet alleen de Gever van de belofte, Hij is de Vervuller ervan! Het volk van God, dat nu gebukt gaat onder lijden, vervolging en laster, zal door God Zelf hersteld worden. In Christus zullen wij volledig herstel vinden. Wij zijn nu al, op dit moment, volgens Efeze 1:3, gezegend met alle geestelijke zegeningen in Christus Jezus.
Het is geweldig bemoedigend te weten dat God zegt dat Hij het herstel zal schenken. Want als God het zegt, dan weet ik twee dingen:

A. De God Die dit belooft, is trouw aan Zijn beloften
B. De God Die dit belooft, bezit alle macht om Zijn beloften te vervullen

Hij gaat het doen.
Toepassing: En de vraag van deze morgen is, of wij ons in dit gebroken leven willen vastklampen aan Gods belofte dat Hij door Zijn Heilige Geest in het midden van Zijn Gemeente woont, dat Hij bezig is gebroken zondaren te verlossen door het verlossingswerk van Christus en of wij God willen navolgen in Zijn blijdschap over Zijn volk. Het is Zijn volk. Het is Gods volk. En God gaat voor eeuwig in Zijn volk zien wat Zijn Zoon heeft gedaan. Daarom schrijft Paulus in Kolossenzen 3:11 dat Christus alles en in allen is. Wij zijn gered tot lof van de heerlijkheid van Gods genade in Christus. Daarom: wie zich verblijdt over de verlossing van een broeder of zuster, deelt in Gods blijdschap over het verlossingswerk van Zijn Zoon.

God overwint
in het leven van Zijn kind
daar waar Hij niets anders dan
Christus vindt.

Amen.

maandag 15 juni 2020

Predikers van het verderf

Woordverkondiging 2 Petrus 2:1-11, Vrije Baptistengemeente Papendrecht op 14 juni 2020

Inleiding en context: Vanmorgen wil ik met u nadenken over het belang van de gezonde leer in de christelijke gemeente. De Bijbel waarschuwt op verschillende plaatsen dat slecht Bijbelonderwijs de doodsteek is voor geestelijke leven. Slecht onderwijs brengt geen volgelingen van Christus voort en slecht onderwijs doet christenen ook niet groeien in het gelijkvormig worden naar het beeld van hun Redder en Heere, Jezus Christus.
De apostel Petrus begreep dit. In zijn tweede brief waarschuwt hij expliciet tegen dwaalleraars. Deze tweede brief heeft hij vlak voor zijn sterven geschreven. Petrus hamerde tot aan het einde van zijn leven op het belang van de gezonde leer. En dat heeft ons wat te zeggen.
Het grote gevaar voor de Kerk van Jezus Christus komt van twee kanten: er is verzet van buitenaf. Politieke machten of andere – al dan niet geestelijke filosofieën – oefenen druk uit op de kerk om haar in het gareel van de heersende tijdgeest te krijgen.
Er is echter ook een ander gevaar: het gevaar dat van binnenuit opkomt. En we zullen zien dat Petrus in zijn tweede brief expliciet op dit laatste gevaar ingaat.
Als je de tweede Petrus-brief in zijn geheel zou doorlezen, dan kom je erachter dat de apostel in het eerste hoofdstuk schrijft over Gods kracht die werkzaam is in het leven van Zijn kinderen. 2 Petrus 1 is een lofzang op Gods genade en soevereiniteit, waarmee Hij geestelijk dode zondaren tot leven heeft gewekt én waardoor Hij met kracht in hen werkt om geestelijk te groeien. En de kern hiervan is één Persoon: Jezus Christus. Immers, door Hem zijn wij tot geestelijk leven gewekt – indien wij in Hem geloven – en in Hem hebben we de kostbare beloften van het Evangelie ontvangen.
Dus: 2 Petrus 1 is een lofzang op Gods genadige, soevereine werk in het leven Zijn kinderen en Kerk én een aansporing om in vertrouwen op Gods kracht en beloften in Christus godvruchtig te leven. Aan het begin van hoofdstuk 2 zien we echter dat Petrus zijn toon flink verandert. We gaan de eerste elf verzen van 2 Petrus 2 lezen:

“Maar er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die heimelijk verderfelijke afwijkingen in de leer zullen invoeren. Daarmee verloochenen zij zelfs de Heere, Die hen gekocht heeft, en brengen zij een snel verderf over zichzelf. En velen zullen hen, door wie de weg van de waarheid gelasterd zal worden, op hun verderfelijke wegen navolgen. En zij zullen u door hebzucht met verzonnen woorden uitbuiten. Het vonnis over hen is reeds lang in werking en hun verderf sluimert niet. Want als God de engelen die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar hen in de hel geworpen en overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis om tot het oordeel bewaard te worden; en als God de oude wereld niet gespaard heeft, maar het achttal van Noach, de prediker van de gerechtigheid, bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen bracht; en als God de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand en tot de vernietiging veroordeeld heeft en tot een voorbeeld gesteld heeft voor hen die goddeloos zouden leven; en als God de rechtvaardige Lot, die leed onder de losbandige levenswandel van normloze mensen, verlost heeft want deze rechtvaardige, die in hun midden woonde, heeft dag in dag uit zijn rechtvaardige ziel gekweld bij het zien en horen van hun wetteloze daden – dan weet de Heere ook nu de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen, maar de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel, om gestraft te worden. In het bijzonder echter hen die in onreine begeerte het vlees achternalopen en het gezag verachten; die roekeloos zijn, eigenzinnig en er niet voor terugschrikken om al wat eer toekomt, te lasteren, terwijl de engelen, die in sterkte en kracht hun meerdere zijn, geen aanklacht wegens lasterlijk oordeel tegen hen indienen bij de Heere.”

Zoals ik net al zei, zien we aan het begin van hoofdstuk 2 dat de toon van Petrus verandert. Hoe komt dat? Waardoor wordt hij zo ontzettend scherp? Waarom klinkt er zoveel ernst in zijn woorden?
Het antwoord heeft alles te maken met de tegenkracht die binnen de gemeente van Christus aanwezig is; Petrus nam deze tegenkracht waar. Het is een tegenkracht waar de valse leraren als het ware symbool voor staan. Ik wil stilstaan bij drie kenmerken van deze dwaalleraars:

1. Een verderfelijke leer (2:1-3)
2. Een zeker oordeel (2:4-9)
3. Een arrogante houding (2:10-11)


1. Een verderfelijke leer (2:1-3)
Het eerste kenmerk vinden we in vers 1-3. Petrus heeft het daar over pseudo-leraars: het zij niet echte leraars. Ze zijn nep. Het niet echt zijn van deze leraars zit hem niet in slechte didactische vaardigheden. Ze kunnen helder spreken, zelfverzekerd overkomen, overtuigingskracht bezitten. Maar dit alles maakt hen niet tot een echte prediker van Gods Woord. Zelfs de vrucht die zij op hun prediking lijken te hebben, is geen garantie dat het echte leraars zijn. Hét kenmerk van een echte prediker van het Evangelie, is dat hij de waarheid van Gods Woord verkondigt. Kijk maar in vers 1. Daar schrijft Petrus over het heimelijk invoeren van verderfelijke afwijkingen in de leer. En als hij dit zo opschrijft, vervolgt hij met de essentie van het gevaar. Wanneer hebben we te maken met verderfelijke afwijkingen in de leer? Petrus vervolgt: “Daarmee verloochenen zij zelfs de Heere, Die hen gekocht heeft.”
Er zijn twee belangrijke redenen waarom we moeten begrijpen wat Petrus hier zegt:

(1) Als eerste schrijft de apostel hier over het verloochenen van de Heere. Dit gaat over de Heere Jezus Christus. Dit verloochenen van de Heere Jezus is hoogst problematisch! Zoals ik eerder al heb gezegd, is Jezus de Bron van ons geestelijke leven! Hij voedt ons. Hij bekrachtigt ons. Hij werkt in ons. Daarom brengt elk stuk onderwijs dat Jezus verloochent het verderf in ons geestelijk leven. Maar wat betekent verloochenen precies? Verloochening is in de kern een ontkenning. Dit hoeft niet te betekenen dat mensen het bestaan van Jezus ontkennen; het kan ook betekenen dat mensen eigenschappen van Jezus ontkennen. Neem bijvoorbeeld de Bijbelse waarheid dat Jezus plaatsvervangend is gestorven voor onze zonden. Als je wél gelooft dat Hij gestorven is, maar je geeft een andere betekenis aan Zijn sterven – een betekenis die de Bijbel niet noemt – dan verloochen je hiermee het offer dat Christus bracht. Het komt neer op een ontkenning of verwerping van de Bijbelse openbaring met betrekking tot Jezus Christus. Dit is de eerste reden waarom we moeten begrijpen waarom het belangrijk is dat Petrus schrijft dat de dwaalleraars de Heere verloochenen.
(2) De tweede reden is gelegen in de betekenis van het woord Heere. Dit woord heeft in deze context de betekenis van heerser of eigenaar. Zijn punt is dit: zoals Jezus de Bron van godsvrucht is, zo is Hij ook de Heere van Zijn Kerk. Christus is de rechtmatige Eigenaar, Heerser van Zijn Kerk. Waarom? Omdat Hij de Kerk heeft gekocht met Zijn bloed. Hier maakt Petrus ook melding van. Hij schrijft over “de Heere, Die hen gekocht heeft.” Dit gezag van Christus wordt door de dwaalleraars verloochend, ontkend, verworpen.

Waarom moeten we als gelovigen en als gemeente waakzaam zijn en de gezonde leer beschermen? Omdat de gezonde leer het juiste zicht geeft op de Persoon en het werk van Jezus Christus. Waar Zijn Persoon en werk verloochend worden, waar Zijn gezag als rechtmatige Eigenaar van de Gemeente wordt verworpen, komt het verderf de Kerk binnen. Praktisch betekent dit dat mensen vanuit de Schrift onderwijs geven – en dat op zo’n manier dat het leven in zonde gerechtvaardigd wordt. En als een leven in zonde gerechtvaardigd wordt binnen de belijdende kerk, wordt de weg van de waarheid gelasterd. Het wordt onteerd, het wordt geen eer aangedaan. En let op: dit lasteren waar Petrus over schrijft, is het ernstig beschadigen van de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de Persoon en het werk van Christus zoals dit is geopenbaard in de Bijbel. Aan het einde kom ik hier nog op terug.

2. Een zeker oordeel (2:4-9)
In vers 4-9 laat Petrus zien waar het leven in zonde toe leidt. Niet voor niets schrijft hij over verderfelijke afwijkingen in de leer. Deze verderfelijke afwijkingen in de leer leiden uiteindelijk zowel de dwaalleraar als de volgeling van de dwaalleraar naar het verderf. Zij zullen Gods oordeel ondergaan. Om zijn lezers hiervoor te waarschuwen, noemt Petrus drie historische voorbeelden die in het Oude Testament vermeld worden:

(1) Het oordeel over engelen die gezondigd hebben (vers 4). Volgens sommige verklaarders heeft dit betrekking op de geschiedenis van Genesis 6, waar melding wordt gemaakt van Gods zonen, die voor zichzelf vrouwen hebben uitgezocht en bij deze vrouwen kinderen hebben verwerkt. Volgens deze uitleg zijn deze zonen van God engelen. Een andere uitleg is dat het hier gaat om gevallen engelen, die onder aanvoering van satan in opstand zijn gekomen tegen God. Welke uitleg je ook volgt, de engelen waarover Petrus schrijft, zijn door God geoordeeld en in de tartarus geworpen. Hoewel de Herziene Statenvertaling het hier heeft over de hel, duidt het Griekse woord tartaros op de diepste diepten van de hel.
(2) Het oordeel over de oude wereld in de dagen van Noach (vers 5). Als tweede brengt Petrus de zondvloed in herinnering. De goddelozen zijn omgekomen, schrijft Petrus, maar Noach werd, samen met zijn gezin, door God bewaard. Merk op dat Petrus Noach hier “de prediker van de gerechtigheid” noemt. Ook dit heeft zijn functie binnen dit gedeelte. Petrus wil benadrukken dat Gods reddende en bewarende werk [zoals bij Noach] totaal niet samengaan met een leven dat wordt gekenmerkt door ongerechtigheid [zoals bij de dwaalleraars].
(3) Het oordeel over Sodom en Gomorra (vers 6-8). Het laatste voorbeeld dat Petrus noemt is de verwoesting van Sodom en Gomorra. Het is volgens de apostel een voorbeeld voor allen die goddeloos zouden leven. Sodom en Gomorra zijn plaatsen waarvan we in Genesis 19:13 lezen dat “de roep van haar zonden groot geworden is voor het aangezicht van de Heere.” Er moest een oordeel komen. En dat kwam. Er was echter ook hier nog een rechtvaardige, Lot. En God heeft hem verlost. We lezen dat Lot leed onder de losbandige levenswandel van normloze mensen. Hij heeft dag in dag uit zijn ziel gekweld bij het zien en horen van hun wetteloze daden.

Toepassing: Het kan een vorm van lijden zijn wanneer je leeft in een omgeving waar geen ontzag voor God is. Het kan een kwelling zijn als je in je omgeving veel wordt geconfronteerd met gedrag van andere mensen waarvan God heeft gezegd dat het Hem niet verheerlijkt en dat Hij het zal oordelen.
En ik wil mij daarom op dit moment richten tot de jongeren. Jullie staan middenin het leven, middenin deze maatschappij. Jullie horen en zien veel. Jullie hebben wensen, verlangens en dromen. En als je Jezus wilt volgen, kan dat betekenen dat je wel eens alleen komt te staan. Dat je belachelijk wordt gemaakt op school. Dat je niet begrepen wordt door collega’s.
Als ik terugkijk op mijn eigen jeugd, dan zie ik dat ik het gezonde Bijbelse onderwijs en de gemeenschap van gelovigen heb gemist. Het gevolg hiervan was dat ik ergens in verwarring raakte en ook onzeker was. Want ik las wel dingen over het geloof, maar tegelijkertijd leefde ik in zonde. Deze twee verschillende werkelijkheden in mijn leven kon ik niet plaatsen. En ik kan het mij goed voorstellen als er vandaag jongeren zijn die te maken hebben met verwarring en onzekerheid. Die misschien wel rationeel weten hoe het in het geloofsleven zou moeten zijn, maar die in hun eigen leven zo weinig de realiteit ervan zien.
Maar weet je, jongeren en ouderen – hier is het wonderlijke. Lees vers 9 maar eens. Daar schrijft Petrus: “…dan weet de Heere ook nu de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen…” In alle verwarring en onzekerheid is God Dezelfde. Als jij door het geloof tot Jezus gaat, als je Hem wilt kennen, dan zal God Zijn kracht en trouw in jouw leven bewijzen!
Je kunt je als een Noach voelen. Je kunt je als een Lot voelen.
Deze twee mannen, Noach en Lot – de lichtpunten in dit gedeelte – zijn ten diepste geen lofzang op Noach en Lot als heiligen op zichzelf; de levens van Noach en Lot worden door Petrus neergezet als de lofzang op Gods trouwe en bewarende kracht in het leven van Zijn kinderen.
Tegen de donkere achtergrond van het verloochenen van Christus’ gezag en de insluipende immoraliteit, zien we de schittering van Gods genade. Gods genade zet mensen nooit aan tot immoreel gedrag. Gods genade zet mensen nooit aan om meer te zondigen.
Nee, Gods genade trekt mensen uit de schuld en macht van de zonde. En ook al leven Gods kinderen in een omgeving die Hem verwerpt, dankzij Zijn genade worden zij verlost uit de verzoekingen.
En ik gun het u en jou van harte dat je deze God, deze Heere van de Kerk, deze Christus zult leren kennen door de kracht van Zijn genade. Misschien hoor je dit en zit je er helemaal niet op te wachten. Misschien hoor je dit en ben je tot de conclusie gekomen dat je een koerswijziging in je leven moet aanbrengen, maar weet je niet waar je moet beginnen. Ik hoop oprecht dat dit u of jou hoop geeft. Waar je ook vandaan komt, wie je ook bent, wat je ook hebt gedaan – God is machtig om jou te redden en te bewaren!

3. Een arrogante houding (2:10-11)
Wie gaat beseffen dat hij gered en bewaard blijft door de kracht van Gods genade, wordt nederig.
Deze eigenschap vinden we niet terug bij de valse leraars. Sterker nog, zij worden door Petrus “roekeloos” en “eigenzinnig” genoemd. Noem het zelfingenomenheid, arrogantie. Als we vers 10-11 lezen, zien we dat deze arrogantie en zelfingenomenheid ervan afdruipen. Zij lasteren volgens Petrus al wat eer toekomt, “terwijl de engelen, die in sterkte en kracht hun meerdere zijn, geen aanklacht wegens godslastering tegen hen indienen bij de Heere.”
Er zijn uitleggers die zeggen dat met de woorden “al wat eer toekomt” – gek genoeg – verwijst naar gevallen engelen of demonische machten. Dit zouden we kunnen afleiden uit de brief van Judas, waar exact dezelfde typering van valse leraars wordt gegeven. In Judas 1:8-9 lezen we over de aartsengel Michaël, dat hij in zijn woordenwisseling met de duivel géén oordeel van lastering tegen hem uit durfde te brengen. Verklaarders leggen 2 Petrus 2:10-11 daarom zo uit, dat de valse leraars deze demonische machten lasteren. Hoewel het contextueel misschien zou kunnen, is het de vraag waarom Petrus deze demonische machten dan omschrijft als “al wat eer toekomt.” Dit lijkt mij eerlijk gezegd geen redelijke uitleg. Letterlijk staat er in het Grieks heerlijkheden. Wat moeten we ons dan voorstellen bij dit lasteren? Een mogelijke verklaring kunnen we vinden in vers 2, waar we eerder al naar hebben gekeken. Daar wordt gesproken over het lasteren van de weg van de waarheid. Toen heb ik gezegd dat het lasteren waar Petrus over schrijft, het ernstig beschadigen van de geloofwaardigheid van de Persoon en het werk van Christus is, zoals deze zijn geopenbaard in de Bijbel. De Persoon en het werk van Christus worden door het leven in zonde gelasterd. Het wordt geen eer aangedaan. “Al wat te eren is” – in vers 10 – kunnen we dus ook omschrijven als alles wat de Persoon Jezus Christus met Zijn werk voor de verlossing van Zijn Kerk heeft gedaan.
De Persoon van Christus – als Profeet, Priester en Koning – behoort geëerd te worden.
Het verlossingswerk van Christus – Zijn lijden, sterven en opstanding – behoort geëerd te worden. Christus Zelf is volgens Hebreeën 1:3 de “afstraling van Gods heerlijkheid.” Door Jezus Christus gaan wij de heerlijkheid van God zien.
Iedereen die het gezag van Deze Christus verwerpt – ook al beweert zo iemand in Jezus te geloven – lastert Hem. En dat is exact wat we hier lezen van de valse leraren. Zij “lopen het vlees in onreine begeerten achterna en verachten het gezag.” Zij beweren te leven van genade, maar er is geen enkele godsvrucht in hun leven te vinden.
Toepassing: Tot slot: wat moeten wij met de ernstige en indringende woorden van Petrus doen? Weet u, het probleem met ons mensen is dat wij ons blindstaren op de symptomen. Als we de symptomen zoveel mogelijk weg weten te werken, denken we dat de bron die de symptomen veroorzaakt, er niet meer is. We lopen daarom het gevaar, ook als christenen, met dit soort Bijbelgedeelten in de hand, de zonde in ons leven te bestrijden die averechts werkt. Misschien zijn bepaalde typeringen, die Petrus in dit gedeelte noemt, op u van toepassing. Als dat zo is, dan vraag ik u vanmorgen niet om het symptoom te gaan bestrijden – de uitwendige zonde.
Mijn oproep deze morgen is om door het geloof de Persoon en het verlossingswerk van Jezus Christus te eren en om door het vertrouwen op Hem begenadigd te worden met de kracht van de Heilige Geest. Zó groeit een christen in godsvrucht. Ik vraag u niet om ijverig goede voornemens te maken. Ik roep u op om in geloofsvertrouwen door Christus tot God te gaan, Die ons alles heeft geschonken wat tot het leven en de godsvrucht behoort. Wie groeit in de kennis van de Heere Jezus, zal groeien in godsvrucht. Hij alleen bezit de kracht om ons te redden en bewaren.

Amen.

Blogarchief