SalvationInGod

woensdag 4 september 2019

Geloof werkt! – in gesprek met een theoloog

Een onderdompeling in The Gospel According to Jesus

Het eerste verslag uit Christus’ bediening dat John MacArthur behandelt in The Gospel According to Jesus is Zijn nachtelijke gesprek met Nicodemus. We lezen dit verslag in Johannes 3:1-21.

Verlossend geloof of wondergeloof?
MacArthur introduceert het hoofdstuk met de analyse dat mensen die belijden christen te zijn veel te snel als zodanig worden geaccepteerd. Vervolgens legt hij de link met Johannes 2:23-25, waar we lezen dat Christus Zichzelf niet toevertrouwt aan degenen die in Hem “geloven”, omdat Hij exact weet wat er in deze mensen leeft. Johannes wil hiermee laten zien dat Jezus God is. Christus kent het hart van ieder mens; niemand is verborgen voor Hem. En dit is volgens Johannes nou juist de reden voor Christus om Zichzelf wél te verbergen voor hen die in Hem “geloven”. Hoe zit dit? MacArthur legt uit dat deze mensen in Jezus “geloven” op grond van de wonderen die Hij deed. Het ging hen niet om de Persoon Jezus, maar om de werken van Jezus.
Omdat Johannes het verslag van zijn Evangelie vervolgt met het gesprek tussen Jezus en Nicodemus, gaat MacArthur ervanuit dat Johannes Nicodemus onder dezelfde groep schaart als degenen die worden genoemd in 2:23-25. Volgens MacArthur is Nicodemus op deze manier een voorbeeld van iemand die een ontoereikend en niet-verlossend geloof heeft.
Persoonlijk denk ik dat Nicodemus op het moment van deze ontmoeting met Jezus inderdaad geen verlossend geloof bezat. Ik vraag mij echter af of de apostel Johannes Nicodemus bewust probeert neer te zetten als iemand met een “wondergeloof”. Weliswaar is het zo dat Johannes 3:1-21 direct aansluit op 2:23-25, maar het feit dat Christus Nicodemus wel toeliet en het gesprek met de Farizeeër niet afsloeg, lijkt toch te suggereren dat Christus in het hart van Nicodemus méér zag dan alleen dat zogenaamde wondergeloof.

De zinloosheid van religie
Hoewel ik met MacArthur van mening verschil over het verband tussen Johannes 2:23-25 en Christus’ gesprek met Nicodemus, is dit hoofdstuk in The Gospel According to Jesus voor een deel een verademing. Anderzijds heeft dit hoofdstuk ook elementen in zich die ik als problematisch beschouw. Daarover straks meer.
Dat het hoofdstuk voor een deel een verademing is, komt vanwege de resolute wijze waarop MacArthur afrekent met religie en de zinloosheid om verlossing te verdienen door werken. Dit is geen klein detail in het lordship-debat, omdat verdedigers ervan consistent worden beschuldigd een verlossing door werken te leren. Juist het gesprek tussen Jezus en Nicodemus leent zich uitstekend voor het afwijzen van een dergelijke theologie. Nicodemus was een Farizeeër. MacArthur omschrijft deze religieuze groep mensen als “hyperlegalists” – oftewel hyperwettische mensen. Noem ze gerust de “overtreffende trap van het wettische denken.” Ze joegen uiterlijke godsdienst na. Zichtbaar aan de buitenkant, maar dood aan de binnenkant. Het leerstuk van de wedergeboorte – het leerstuk dat Christus in het gesprek met Nicodemus onder de aandacht brengt – was daarom een grote, figuurlijke knauw voor het geloofssysteem van de Farizeeën. En hoewel Nicodemus volgens MacArthur vanuit het Oude Testament had kunnen weten over de wedergeboorte, begreep de theoloog toch niet goed waar Christus over sprak. Het is verhelderend om te lezen dat MacArthur de neiging om gerechtvaardigd te worden door gehoorzaamheid aan de Wet, fel bestrijdt. Juist hier brengt de Amerikaanse theoloog de genade van Gods vergeving voor het voetlicht. Hij schrijft over Farizeeën als mensen die de komst van de Messias verwachtten, maar die blind waren voor het feit dat Hij zou komen om te sterven als een offer voor de zonde (Jesaja 53:4-9).

Geloof in het offer óf geloof in Degene Die geofferd is?
Toch lees ik een discutabele redenering in dit hoofdstuk, juist met betrekking tot het offer van Christus. Op een gegeven moment citeert MacArthur Zane Hodges, iemand die “lordship salvation” afwijst. Hodges stelt dat de gave van het eeuwige leven “een zaak van eenvoudig geloof in het offer [Christus’ dood aan het kruis, RB] is.” Dit is het commentaar van MacArthur:

“Is dat zo? Zeker niet. Het gaat niet om geloof in het offer, maar om geloof in Degene Die verhoogd is.”
(Eigen vertaling uit The Gospel According to Jesus, bladzijde 59)

Wat mij betreft is dit een roekeloze stelling. Mijns inziens speelt MacArthur hier geloof in het offer van Christus uit tegen het geloof in de Persoon Christus en dat is helemaal niet nodig.
Binnen de lordship-context begrijp ik waarom MacArthur hamert op geloof in de Persoon Jezus Christus. Veel mensen versmallen het geloof tot het werk van Christus en zijn niet gericht op Hem als Persoon. Dit is ook exact het punt waar hij het hoofdstuk mee begint; veel Joden geloofden in Jezus vanwege Zijn wonderwerken. Met deze context in gedachten snap ik hoe MacArthur tot de formulering van deze stelling komt. Hij probeert duidelijk te maken dat geloven in Jezus niet alleen draait om dat wat Hij deed, maar ook om Wie Hij is. Toch vind ik zijn formulering onverantwoord. Dat een groep mensen het geloof in het offer verheft boven het geloof in de Persoon, geeft niemand het recht om de geloof in de Persoon te verheffen boven geloof in het offer. Sterker nog, ik ben ervan overtuigd dat het geloof in de Persoon Jezus Christus onafscheidelijk is van het geloof in het offer dat Hij bracht. Je kunt de Persoon en het werk van Jezus Christus onmogelijk scheiden. Daar waar MacArthur in het vorige hoofdstuk een vurig pleidooi houdt om de eenheid van Bijbelse waarheden te bewaren (Jezus is Redder én Heere, er is geen onderscheid tussen gelovigen en discipelen, Gods genade spreekt niet alleen vrij van zondeschuld, maar verbreekt ook de zondemacht) lijkt hij hier theologisch gezien toch uit de bocht te vliegen door zelf een onnodig verwarrende scheiding te maken tussen het werk van Christus en de Persoon Jezus Christus.
Aan het eind van pagina 59 en aan het begin van pagina 60 gaat MacArthur in op het offer van Christus en dat brengt wat meer balans in zijn verhaal. Hij schrijft dat Christus moest sterven. Iemand moest betalen voor de straf op de zonde. Hij citeert het overbekende vers Johannes 3:16 – “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”

De kern van het geloof
Juist als MacArthur dit alles zo beschrijft, begint het opnieuw te schuren. Want vervolgens stelt hij de vraag wat het betekent om in Christus te geloven. Zijn antwoord komt, kortweg, neer op gehoorzaamheid. En dan bevind hij zich mijns inziens wederom op glad ijs.
Opnieuw, binnen de context van het lordship-debat begrijp ik waarom hij hier hamert op geloof dat gehoorzaamt. Echt geloof in Christus brengt gehoorzaamheid voort, laat daar geen misverstand over bestaan. Wat dat betreft sta ik zij aan zij met MacArthur. Maar de vraag is of gehoorzaamheid aan Christus dé definitie van “geloven” is. Met deze uitleg moeten we Johannes 3:16 als volgt interpreteren:

“Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die Hem gehoorzaamt, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”

MacArthur gaat in het vervolg inderdaad door op gehoorzaamheid en komt dan tot de volgende stelling:

“Vers 36 gaat zelfs nog verder, door ongeloof gelijk te stellen met ongehoorzaamheid: ‘Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.’ Dit is de manier om te onderzoeken of het geloof echt is: brengt het gehoorzaamheid voort? Zo niet, dan is het geen reddend geloof. Ongehoorzaamheid is ongeloof. Echt geloof gehoorzaamt.”
(Eigen vertaling uit The Gospel According to Jesus, pagina 60)

Over dit citaat wil ik twee dingen zeggen. Als eerste haalt MacArthur hier een vers aan dat buiten Johannes’ verslag van het gesprek tussen Jezus en Nicodemus valt. Dat lijkt een kinderachtige manier van redeneren, maar we moeten – ook wanneer het een Farizeeër betreft – eerlijk blijven. Vers 36 is niet uitgesproken door de Heere Jezus tegen Nicodemus. Voor zover we Johannes 3:1-21 kunnen overzien, lijkt het erop dat Christus het onderwerp wedergeboorte heeft gesproken. Hij heeft Nicodemus gewezen op het geloof in de verhoogde Zoon van God, Die als Plaatsvervanger de straf op de zonde draagt. In vers 19-21 spreekt Christus over slechte werken en de liefde die mensen hiervoor van nature hebben. Hij legt echter de verbinding met het komen tot het licht (dat is Christus Zelf, Johannes 8:12). Moeten we de zonde afleggen? Moeten er werken in ons leven openbaar worden die “in God gedaan zijn” (Johannes 3:21)? Ja, maar wél door naar Christus te gaan! Bij het lezen van dit hoofdstuk bekruipt mij echter een ander gevoel: niet ik moet tot Christus komen om te zien wie Hij is en van daaruit Hem volgen en gehoorzamen; nee, voor mij komt het over als Christus die naar mij komt om te vertellen wat ik moet doen. Dat lijkt mij niet de boodschap van Johannes 3:1-21.
Ten tweede wil ik even in herinnering brengen waarom ik The Gospel According to Jesus uitputtend ben gaan behandelen: ik eerlijk wil onderzoeken of dit boek bijdraagt aan een bepaald krampachtigheid in mijn geestelijk leven. En bij dit soort formuleringen moet ik helaas tot de conclusie komen dat dit zo is. Laat mij een drietal redenen noemen:

1. De stelling is absoluut geformuleerd. Er wordt met geen woord gesproken over het feit dat gelovigen in Christus ook momenten van ongehoorzaamheid kennen. Dit soort zinnen hebben zelden een positief effect op gelovigen die worstelen met zonde en het verlangen hebben Christus te volgen. Aan de andere kant is het wel zo dat MacArthur stelt dat echt geloof een bereidheid tot gehoorzamen in zich heeft, dus daarmee wordt wat nuance aangebracht.
2. Waarschijnlijk onbedoeld verlegt MacArthur met deze woorden de focus van het geloof in Christus naar de geloofsgehoorzaamheid van de mens. En dat is iets wat hij in dit hoofdstuk juist wilde bestrijden. Als “geloven” gelezen moet worden als “gehoorzamen”, hoe moet de lezer dit dan zien? Als ik Christus gehoorzaam, ben ik dan een gelovige? En als ik Hem niet gehoorzaam, ben ik dan geen echte gelovige? Dit soort vragen maken duidelijk dat we goed doordacht onze stellingen dienen te formuleren.
3. In MacArthurs betoog lijkt het “waarom” van de connectie tussen geloof en gehoorzaamheid te ontbreken. Geloof brengt gehoorzaamheid voort – ja. Maar waarom gebeurt dat? Op welke manier functioneert het geloof, dát het gehoorzaamheid voortbrengt? Daar gaat MacArthur niet heel diep op in. Het hoofdstuk gaat over wedergeboorte, en hij verklaart wel dat de gelovige wordt vernieuwd door de Heilige Geest (Johannes 3:5; Titus 3:5) en wordt gereinigd door het water van het Woord (Efeze 5:26; Johannes 15:3), maar hij gaat niet in op het verband tussen het zien en gehoorzamen van Christus.

Mijn indruk is dat MacArthur in zijn ijver om “easy-believism” en “goedkope genade” af te wijzen, te geforceerd heeft geschreven over het verlossende geloof. Mijns inziens wil hij zó graag benadrukken dat het geloof gehoorzaamheid voortbrengt, dat het zijn exegese van Johannes 3:1-21 is gaan beheersen.
In dat opzicht vind ik zijn benadering van Johannes 3:16 zeer dubieus en problematisch. Wat mij betreft laat dit opnieuw zien dat theologische discussies kunnen ontaarden in eenzijdige benaderingen. Het kan leiden tot excessen waarbij het ene aspect wordt verheven boven de rest. En dat idee krijg ik na het lezen van hoofdstuk 3 van The Gospel According to Jesus.
Hoewel MacArthur Christus’ offer aan het kruis benoemt, had hij er, wat mij betreft, goed aan gedaan nadrukkelijk de verbinding te leggen tussen dit offer en geloofsgehoorzaamheid. Wanneer MacArthur reageert op Zane Hodges, neemt hij geen aanloop om toe te werken naar het punt dat het zien op Christus zal resulteren in het gehoorzamen van Hem. In plaats daarvan gebruikt hij “geloven” en “gehoorzamen” als synoniemen. Nogmaals, binnen de context van het lordship-debat begrijp ik de noodzaak om te wijzen op gehoorzaamheid en het heiligende werk van Gods Geest.
Maar tegelijkertijd denk ik dat MacArthur de verdediging van zijn positie tekort doet door zonder aanloop (verzoening met God, rechtvaardiging door het geloof alleen) te hameren op gehoorzaamheid. Hij had veel dieper in kunnen gaan op Christus’ offer als verzoening tussen God en mensen. Een mens moet eerst doordrongen zijn van het feit dat God Zich in Christus met de wereld heeft verzoend (2 Korinthe 5:19) om Hem van harte te willen gehoorzamen.
Op sommige momenten lijkt het alsof MacArthur zijn eigen betoog onderuit haalt. Hij spreekt zich uit tegen de vormengodsdienst en dode religie (uitwendige gehoorzaamheid zonder inwendige oprechtheid) maar legt zelf ook niet duidelijk de link met het functioneren van Gods genade in het geloof en in de heiligmaking.

Het gevaar van wetticisme
Het zal absoluut niet zo bedoeld zijn, maar de lezer kan op deze manier gemakkelijk op het spoor van wetticisme worden gebracht. We hebben het dan niet over het Farizeïsche wetticisme, want zij erkenden Jezus niet als Zoon van God.
We hebben het hier over christelijk wetticisme, dat – heel zwart-wit gesteld – zegt: “Christus is de Zoon van God, je moet doen wat Hij zegt.” En dat is hoe MacArthur het geloof aan het einde van hoofdstuk 3 definieert. De vraag is echter of deze waarheid de kernboodschap van Jezus’ onderwijs aan Nicodemus is, of het gevolg van het aanvaarden van die boodschap. Persoonlijk denk ik het laatste.
Opnieuw, het is waar dat een christen Christus dient te gehoorzamen. Het hoofdstuk begon met de terechte observatie dat Nicodemus Jezus omschrijft als “Iemand Die van God komt.” De belijdenis dat Jezus daadwerkelijk de Zoon van God is, blijft echter uit. Het zou mijns inziens sterker zijn geweest, als MacArthur dieper was ingegaan op de noodzaak van de wedergeboorte als genezing van onze geestelijke blindheid. Wij moeten wedergeboren worden – niet alleen omdat de wedergeboorte noodzakelijkerwijs gehoorzaamheid aan Christus voortbrengt, maar allereerst omdat wij zonder wedergeboorte niet kunnen zien Wie Jezus werkelijk is. Volgens mij doet deze conclusie meer recht aan de context van Johannes 2:23-3:21.

Gods genade heeft een Gezicht: Jezus Christus
Het is tijd voor een persoonlijke toepassing. Begrijp ik de theologische lijn van MacArthur? Ja. Begrijp ik waarom hij het belang van een gehoorzaam geloof expliciet naar voren wil brengen? Ja. Is de manier waarop hij dit hoofdstuk heeft geschreven pastoraal behulpzaam? Niet altijd.
Ik denk dat ik heb ontdekt wat mijn geestelijk leven in de kramp doet schieten. Het is het overbenadrukken dat geloof altijd gehoorzaamheid voortbrengt en in dit hoofdstuk noemt MacArthur gehoorzaamheid niet zozeer de vrucht van het geloof, maar gebruikt het hier als een definitie van het geloof. De absolute wijze waarop het geloof als gehoorzaamheid wordt gedefinieerd, leidt tot onrust en vertwijfeling over de realiteit van mijn eigen geloof. Wat gebeurt er wanneer ik als christen een off-day heb? En bovendien: hoeveel keer moet een christen ongehoorzaam zijn om niet langer als christen beschouwd te worden? Wie in absolute termen schrijft (“Geloof is gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid is ongeloof”) doet voorkomen alsof een daad van ongehoorzaamheid het bewijs is van ongeloof. Dus moet de conclusie zijn dat iemand die ongehoorzaam is, niet wedergeboren is. In hoofdstuk 2 heb ik gelezen dat MacArthur schrijft dat een christen kan zondigen en dat een christen zal zondigen (1 Johannes 2:1), dus MacArthur leert niet dat een christen de staat van zondeloosheid kan bereiken in dit leven.
Maar bij het lezen over de vrucht van het geloof en geloofsgehoorzaamheid, wordt de blik gericht op mijn eigen leven. Wat heb ik zoal gedaan? Welke zonden heb ik gedaan? Wat behoeft verandering? Ben ik wel genoeg gehoorzaam geweest om terecht een christen genoemd te kunnen worden? Op zich zijn dit legitieme vragen om te stellen, maar de manier waarop MacArthur het geloof omschrijft (als gehoorzaamheid) resulteert bijna in Christusverduistering. Christus dreigt te verdwijnen als het Fundament en Centrum van het geloof. Mijn gehoorzaamheid dreigt die centrale plek in te nemen. Op het moment dat Christus verduisterd wordt, verdwijnt mijn hoop en troost als sneeuw voor de zon – en daarmee ook de vreugdevolle intentie om God te verheerlijken in de heiligmaking.

Zien wij Jezus?
Tot slot wil ik nog terugkomen op Nicodemus. Hij was een religieuze leider. Er bestaan vermoedens (en ook aanwijzingen) dat hij tot geloof in Christus is gekomen. Hard maken kunnen we deze stelling niet, maar het feit is volgens Johannes dat de Farizeeër Nicodemus Jezus met Jozef van Arimathea heeft begraven (Johannes 19:38-42). Het gaat om dezelfde Nicodemus als in Johannes 3, omdat de apostel in Johannes 19:39 schrijft dat deze man eerst ’s nachts naar Jezus was toe gekomen. Dit is overduidelijk een verwijzing naar Johannes 3:1-21.
Nicodemus heeft niet alleen van Christus gehoord dat de Zoon van God verhoogd zou worden; deze profetie is vervuld toen hijzelf in leven was. Hij heeft de verhoogde Zoon van God zelf in het graf gelegd. De Bijbel laat in het midden of deze theoloog Jezus is gaan belijden als Zoon van God. De vraag of Nicodemus daadwerkelijk is wedergeboren, kunnen we niet met zekerheid beantwoorden.
De vraag die wij nu voor onszelf wél moeten beantwoorden, is of wij Jezus als Zoon van God belijden. Misschien ben ik het niet in alles eens met wat ik in hoofdstuk 3 van The Gospel According to Jesus heb gelezen; misschien zou ik bepaalde dingen anders hebben verwoord. De terechte vraag die MacArthur in dit hoofdstuk meegeeft, is de vraag of wij Jezus werkelijk zien zoals Hij is. En zolang dat niet het geval is, hebben wij niet het recht onszelf (wedergeboren) christen te noemen. En als wij, ondanks dit alles, toch de titel “theoloog” willen toe-eigenen, is het een heel verstandig idee om goede schuilplaats te zoeken en niet als zelfverklaarde God-kenner zichtbaar aanwezig te zijn in de mensenmassa, opdat wij geen belemmering zullen zijn voor degenen die Gods Koninkrijk willen binnengaan (Mattheüs 23:13).

vrijdag 30 augustus 2019

Geloof werkt! – de invloed van een theologisch systeem

Een onderdompeling in The Gospel According to Jesus

De laatste keer dat ik schreef over John MacArthurs boek The Gospel According to Jesus, eindigde ik met de noodzaak van evangelische genade in de verkondiging van Gods Woord. In hoofdstuk 2 gaat MacArthur in op een ernstige misvatting van het begrip “genade” in evangelische kringen. Dit hoofdstuk is van groot belang, omdat MacArthur twee belangrijke zaken aanstipt: het theologische concept van het hedendaagse genadebegrip en de historische achtergrond hiervan.

“Bekeringsritualisme” als evangelisch taboe
MacArthur begint dit hoofdstuk met de pijnlijke constatering dat iedereen die belijdt een christen te zijn, al heel snel als zodanig binnen de kerk wordt geaccepteerd en behandeld – zonder te onderzoeken of in het leven van zo iemand de vrucht van gerechtigheid zichtbaar is.
Volgens de Amerikaanse voorganger leren hedendaagse christenen te geloven dat zij hun redding nooit in twijfel hoeven te trekken, omdat zij ooit een gebed hebben uitgesproken, of omdat ze tijdens een evangelisatiebijeenkomst naar voren zijn gekomen, of vanwege een andere ervaring.
Hiermee is de evangelische beweging in dezelfde val getrapt als de Rooms-Katholieke kerk: men houdt zich vast aan zekere rituelen. De hedendaagse, belijdende kerk wordt geplaagd door “bekeringsritualisme” – mensen vertrouwen op het eenmalige ritueel dat het moment van de bekering zou markeren. Mensen leren dat ze de oprechtheid van het geloof nooit mogen bevragen, omdat ze toen een gebed hebben uitgesproken, of omdat zij toen naar voren zijn gekomen tijdens een samenkomst.
Daar waar de reformatoren fel van leer trokken tegen de Roomse rituelen, hebben de hedendaagse evangelicalen andere rituelen omarmd als afweermechanisme tegen “aanvallen op geloofszekerheid.”

Hoe “de geestelijke mens” de vleselijke mens is gaan gedogen
Hoe heeft het zover kunnen komen? MacArthur gaat uitvoerig in op de historische achtergrond van deze theologische verschuiving.
Hij neemt de lezer mee naar het jaar 1918 – zeventig jaar vóór het verschijnen van The Gospel According to Jesus. In dit jaar verscheen het werk He That Is Spiritual van Lewis Sperry Chafer. Hoewel de titel het niet doet vermoeden, verdedigt de schrijver de stelling dat de “vleselijke mens” in 1 Korinthe 2:15-3:3 eveneens een christen is, maar dat zijn structurele levenswandel overeenkomt met die van een ongelovige. Met andere woorden: een vleselijke christen is een christen, maar hij leeft als iemand die niet gered is.
Het is niet moeilijk te raden wat een dergelijke opvatting in de praktijk uitricht. Want als er – nota bene met een perikoop uit de Bijbel in de hand – onderbouwd kan worden dat zelfs christenen kunnen leven als mensen die niet gered zijn, waarom zou je dan de realiteit van iemands geloof in twijfel trekken? Waarom zou jij je zorgen maken over de echtheid van jouw geloof als je hebt gehoord dat je ook een “vleselijke christen” kan zijn? Deze opvatting wekt de suggestie dat er twee groepen christenen zijn: normale, of ondermaatse christenen, en superchristenen (de geestelijke, volwassen christenen). Het doet denken aan de theologie van Keswick, of de theologie van de “second blessing.”
Voor de meeste theologen, zo benadrukt MacArthur een aantal keer, was Chafers’ theologische opvatting een vreemd concept. Toch heeft zijn werk veel invloed gehad op de manier waarop het Evangelie heden ten dage wordt verkondigd.

Dispensationeel onderscheiden
Het blijft echter niet bij een verkeerde interpretatie van 1 Korinthe 2:15-3:3. MacArthur noemt nog een aantal theologische opvattingen die hebben bijgedragen aan een verkeerde visie op verlossing.
Al deze opvattingen zijn verankerd in de Bedelingenleer. Door dit te benoemen, valt MacArthur openlijk de theologische school aan waartoe hijzelf in beginsel behoort. Hij beschouwt zichzelf als een “traditional premillennial dispensationalist.” Zijn boek is daarom vooral binnen de kringen van deze theologische stroming omstreden en fel bestreden.
De Bedelingenleer kenmerkt zich sterk door het accent op verschillende “bedelingen” of “tijdvakken” of “perioden”. Zo leefde de Heere Jezus Zelf onder de “bedeling van de Wet”, maar luidde door Zijn dood, opstanding, hemelvaart en het uitstorten van de Heilige Geest de “bedeling van de genade” in.
Lewis Sperry Chafer beschouwde deze tijdperioden als exclusief. Dit betekent dat er in de bedeling van de Wet geen genade aanwezig was, en omgekeerd – dat de bedeling van de genade geen wet kent. Hij zag Wet en genade als strikt gescheiden van elkaar. Degenen die ná Chafer zijn gekomen, hebben deze denklijn theologisch doorgetrokken. Eén van de zure vruchten die dit heeft opgeleverd, is dat men zwart op wit begon te stellen dat de Bergrede niet voor de Kerk kan zijn, omdat deze rede van Jezus één en al Wet zou bevatten. Op deze manier wordt het onderwijs van Christus uitgespeeld tegen dat van de apostel Paulus – in het voordeel van laatstgenoemde.
De strikte scheiding tussen Wet en genade wordt door bepaalde dispensationalisten gebruikt als filter om het onderwijs van Christus te verklaren; men past het toe op een andere tijd dan de huidige.
De scheiding tussen Wet en genade is niet het enige onderscheid dat dispensationalisten maken. Zo zien ze een verschil tussen Jezus als Redder en Jezus als Heere. Wie Christus ontvangt als Redder, wordt behouden, ook al weigert diegene zich te onderwerpen aan Christus als Heere.
Een ander onderscheid is dat tussen verlossing en discipelschap. Christus’ geboden in de Evangeliën hebben geen betrekking op ongelovigen, maar alleen op volgelingen van Hem.

Hermeneutiek
Ik kan niet anders dan MacArthur complimenteren voor wijze waarop hij de historische achtergrond heeft beschreven: duidelijk en relatief beknopt. Zoals al eerder gezegd, is dit een belangrijk hoofdstuk in het boek.
Het laat zien dat we niet alleen ons exegetische huiswerk op orde moeten hebben, maar dat we ook kennis moeten hebben van de ontwikkelingen in de kerkgeschiedenis. Opnieuw zien we hier hoe belangrijk het is om Bijbelse kennis te hebben over Gods genade. In de lijn van dispensationalisten als Lewis Sperry Chafer wordt genade zeer eenzijdig en beperkt verstaan. De manier waarop Chafer en andere dispensationele theologen genade verstaan, kan het best worden omschreven als vrijspraak voor schuldige zondaren. Deze eenzijdige blik op Gods genade heeft vergaande consequenties. En MacArthur heeft absoluut een punt als hij de alarmbel luidt wanneer hij deze consequenties noemt.
Ik heb mij in het verleden uitgesproken en verzet tegen de visie op Gods genade en verlossing zoals deze in de Bedelingenleer vertolkt worden. En ik zal hier niets van terugnemen.
Oppervlakkig gezien lijkt de Bedelingenleer een probleem te hebben met de visie op verlossing en Gods genade, maar wie doordringt in het theologische systeem, zal ontdekken dat het probleem dieper ligt. De Bedelingenleer heeft een hermeneutisch probleem. Dit betekent dat de manier waarop de Bijbel in zijn geheel wordt gelezen en verstaan, fundamentele gebreken kent.
Eén fundamenteel gebrek is dat men de Bijbel leest in zogenaamde “tijdvakken” of “bedelingen”. Dit heeft grote gevolgen. Het betekent dat een Bijbelgedeelte over het leven van Mozes minder zeggenschap zou hebben dan een gedeelte uit de Nieuw Testamentische brieven. “We kunnen er natuurlijk wel van leren,” zeggen dispensationalisten dan, “maar het is niet gericht aan de Gemeente van Jezus Christus.” Om het anders te zeggen: de Bijbel is een boek dat is gericht aan ons, maar niet alles wat erin staat is voor ons. Dit heeft te maken met een ander hermeneutisch probleem binnen de Bedelingenleer: men kent hoofdzakelijk drie groepen geadresseerden in de Bijbel. Dit zijn Israël, de Gemeente en de wereld (of: de heidenen). Dit onderscheid maken dispensationalisten op grond van 1 Korinthe 10:32. Het is echter nogal wat om op grond van dit vers een hele hermeneutiek te bouwen!
Het is onverantwoord om te stellen dat bepaalde Bijbelgedeelten voor vandaag wel gelden, maar andere teksten niet. De hele Bijbel heeft vandaag de dag zeggingskracht. En hoewel we er rekening mee moeten houden dat bepaalde gebeurtenissen niet herhaald worden en uniek zijn, moeten we in elk gedeelte de onveranderlijke principes van Gods Woord ontdekken en onderzoeken hoe Gods verlossingswerk in Jezus in deze geschiedenissen zichtbaar wordt.

De genade van het Evangelie kan niet worden verdeeld
Lewis Sperry Chafer wilde Gods “pure genade” – dat betekent onvervalst of ongemengd – niet verwarren met enige inspanning van de mens. Dit is enerzijds te prijzen, omdat het verlossingswerk in een mensenleven Gods werk is. Dat is ook het slotakkoord van MacArthur in hoofdstuk 2.
Anderzijds moet in gedachten worden gehouden dat Gods genade niet enkel gaat over het vrijspreken van schuldige zondaren. En volgens MacArthur ligt de onjuiste visie op Gods genade ten grondslag aan het lordship-debat. Hierin heeft hij mijns inziens volkomen gelijk.
De cruciale vraag in het lordship-debat is of Gods genade meer doet dan de schuldige zondaar vrijspreken. En het Bijbelse antwoord is helder: ja. Gods genade spreekt niet alleen vrij van zonde, maar maakt ook vrij van zonde. En dit is de reden waarom wordt gesproken over “lordship salvation” – Lordship in dit verband wil communiceren dat een gelovige in Christus zich onderwerpt aan Zijn heerschappij, om te worden vrijgemaakt van de zonde. Niets meer en niets minder. En het is waar: als jouw begrip van genade niet verder reikt dan het vrijspreken van een schuldige zondaar, dan zal MacArthurs pleidooi op zijn minst provocerend en op zijn ergst als grove dwaling worden ontvangen.
Er komt echter wel een vraag naar boven wanneer we MacArthurs argumentatie doornemen. Want hij verwijt de traditionele dispensationalisten – en mijns inziens dus terecht – dat zij Christus en Paulus tegen elkaar uitspelen. Maar zien we dit in MacArthurs boek ook niet gebeuren? Daar waar de tegenstanders van “lordship salvation” grotendeels leunen op het onderwijs van Paulus, zit MacArthurs betoog aan de andere kant van het spectrum. Hij richt zich in zijn boek primair op de bediening van de Heere Jezus. Heeft hij, in zijn ijver critici te laten zien dat de Bijbel een bredere visie op genade en verlossing biedt, te veel accent gelegd op het onderwijs van Christus en is hij daardoor niet zelf ook eenzijdig te werk gegaan?
Net zoals de Heere Jezus Zelf niet opgedeeld kan worden (Hij is niet een stukje Profeet, een stukje Priester, een stukje Koning – Hij is volmaakt één in Zijn ambten), kan ook Gods genade niet worden verdeeld. MacArthur heeft er volkomen gelijk in als hij stelt dat er geen stukje vergevende genade is, zonder ook het stukje heiligende genade en het stukje bewarende genade te ontvangen. Wie christen wordt, ontvangt al deze genade! Daarom vind ik het jammer dat MacArthur in het begin van het boek niet ingaat op het fundamentele aspect van het Evangelie: dat verloren zondaren vergeving aangeboden wordt op grond van het volmaakt heilige offer dat Jezus Christus heeft gebracht, door te sterven aan het kruis en op te staan uit de dood. In dit opzicht vind ik MacArthurs insteek in het begin te eenzijdig. En bovendien werkt het iets in de hand wat we in de Kerk niet moeten willen: krampachtige pogingen tot heiligmaking.

Ik heb de boodschap van het kruis nodig – iedere dag!
Ik schrijf dit niet, omdat ik iets te zeuren wil hebben, of omdat ik zo nodig kritisch moet zijn; ik schrijf dit uit ervaring. Probeer maar eens een dag of een week of een maand of een heel jaar te leven met de intentie God te gehoorzamen door het geloof in Christus, zonder iedere dag te beginnen bij het kruis, het open graf en de troon van Gods genade, waar de hemelse Advocaat jouw belangen behartigt. Het gaat je niet lukken. Je word er wanhopig van. Je probeert heilig te worden zonder het krachtige bloed van Jezus Christus. Wie geheiligd wil worden buiten de reinigende kracht van Christus’ bloed om, verliest geestelijke kracht. Zo iemand wordt ziek. Probeer geen belofte te ontvangen, of gebod te gehoorzamen, zonder te pleiten op het bloed van Jezus.
Waarom schrijf ik dit? Vanwege meerdere redenen:

1. Als heiliging structureel wordt losgemaakt van het bloed van Christus, worden we verwaand, denkend dat we God gehoorzaam kunnen zijn zonder de kracht die Hij ons verleent
2. Als heiliging structureel wordt losgemaakt van het bloed van Christus, worden we wanhopig, denkend aan ons eigen falen, terwijl we het verlossingswerk van God in Jezus vergeten
3. Als heiliging structureel wordt losgemaakt van het bloed van Christus, verliezen we Gods vergevende genade uit het oog – de vergevende genade die het fundament van onze verlossing is én de vergevende genade die we iedere dag nodig hebben vanwege nieuwe zonden
4. Als heiliging structureel wordt losgemaakt van het bloed van Christus, worden we “christenautonomen” – mensen die denken dat, nadat God Zijn deel in de Heere Jezus heeft gedaan, wij nu onze verantwoordelijkheid moeten nemen

Wil ik hiermee MacArthurs pleidooi ontkrachten? Nee.
Wat ik hiermee wél wil laten zien, is dat we heel goed op de hoogte moeten zijn van de context waarin voorgangers, auteurs en theologen hun visies uitdragen. MacArthurs aversie tegen de positie dat Gods genade enkel en alleen vergevend van aard zou zijn is begrijpelijk, al moet ook gezegd worden dat hij de heiligende kracht van Gods genade benadrukt en weinig verbinding legt met de vergevende genade. Dat kan bij anderen weer vragen oproepen. En die vragen zijn ook gekomen.
In het voorwoord op de tweede druk van The Gospel According to Jesus schrijft MacArthur dat hij twee nieuwe hoofdstukken heeft toegevoegd, over de rechtvaardiging door het geloof én over het verlossingswerk van Christus aan het kruis.
Het bewijst mijns inziens dat MacArthur bij de eerste uitgave van zijn boek te eenzijdig is geweest. Hij verdient echter lof voor de manier waarop hij reageert op critici; niet iedereen is bereid zijn werk op deze manier te herzien. Het geeft aan dat hij corrigeerbaar is én – verreweg het belangrijkste – dat hij het volbrachte verlossingswerk van Zijn Heere wil eren. Minder dan dit is een betrouwbare, christelijke voorganger onwaardig.

Blogarchief