SalvationInGod

zondag 8 juli 2018

Hedendaagse gnostiek?

De boodschap van 1 Johannes

Een oproep aan dispensationalisten

Theologische opvattingen worden deels gekleurd door onze ervaringen. De opvatting op zichzelf wordt niet geboren door ervaring, maar de manier waarop wij ermee omgaan wel. Theologische opvattingen moeten altijd worden gevormd op grond van de Bijbel. De manier waarop iemand met deze opvattingen omgaat, laat echter iets van zijn eigen context zien. Waarom spreekt iemand bijvoorbeeld vaak over één onderwerp? Of waarom spreekt iemand vaak op één manier over een onderwerp? Wat zit hierachter? Waarom doet iemand dat? Wil diegene hiermee iets propageren of is hij juist bezig met ageren? Wil iemand voortdurend iets goeds en moois laten zien? Of wil iemand steeds het gevaar en de slechtheid van iets bewijzen?

Een persoonlijk verhaal
In mijn eigen leven is dit niet anders. Toen ik een jaar of zestien, zeventien was, las ik de Bergrede in de toen net uitgegeven Nieuwe Bijbelvertaling. Toen ik de woorden van Christus in Mattheüs 7:21-23 las, schrok ik:

“Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen Mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van Mijn hemelse Vader. Op die dag zullen velen tegen mij zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, hebben wij niet in Uw Naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in Uw Naam?” En dan zal Ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!”

Jezus Christus als Heere belijden betekent volgens Hemzelf dus helemaal niets. Wat heeft dan wel betekenis? Dat wij handelen naar de wil van Zijn hemelse Vader.
Je zou kunnen zeggen dat dit tekstgedeelte het zaadje is geweest dat God op dat moment – op die jeugdige leeftijd – heeft gezaaid en dat de vrucht ervan tot op de dag van vandaag zichtbaar is. Dit hele thema heeft mij nooit losgelaten. Sterker nog, uitgerekend een theologische discussie met bovenstaande tekst als sleutelgedeelte, heeft uiteindelijk meegewerkt aan mijn verlossing.
Ik weet wat het is om als antinomiaan te zondigen. Een antinomiaan is iemand die stelt dat gehoorzaamheid aan Gods geboden totaal niet noodzakelijk is, omdat Christus perfect geleefd heeft, onze zonden op zich genomen heeft en wij delen in Zijn volmaakte gerechtigheid. Gehoorzaamheid is niet belangrijk.
Ik wil niet weten wat er zou zijn gebeurd als deze tekst mij nooit had opgeschrikt. Ik denk dat ik wel weet wat er gebeurd zou zijn, maar erg prettige gedachten zijn dat niet.
Juist in de periode dat ik totaal weg dreigde te zakken in het moeras van de zonde – en met totaal bedoel ik dat de verharding van mijn hart zich gevoelsmatig in een vergevorderd stadium bevond – heeft de discussie met betrekking tot “lordship salvation” een belangrijke rol gespeeld. Voor mijn gevoel was God mij meer en meer aan het loslaten. Ik had al weinig tot geen kracht om op een boezemzonde te overwinnen, en ik kreeg het idee dat zelfs de vonkjes van bewaring verdwenen waren. Het gevecht was te groot, de kracht van de zonde te groot en daarmee werd het verlangen om ermee te breken steeds minder.

Hoe de “lordship salvation” controverse bijdroeg aan mijn verlossing
Eén ding ben ik echter nooit – ook toen niet – kwijtgeraakt vanuit Christus’ waarschuwing in Mattheüs 7:21: Hem belijden doe je nooit vanuit een pragmatisch standpunt. Het heeft helemaal geen nut om Hem even snel “Heere” te noemen, omdat je daarmee en plek in de hemel veiligstelt. Dat werkt toch niet. Het gaat er niet om wat je zegt, maar om wat je doet. Wat mij altijd is bijgebleven, is dit: óf je gaat voor “the real deal”, óf je doet het niet. Maar er is geen middenweg. Je kunt niet blijven bakkeleien en blijven modderen in de zonde, terwijl je op hetzelfde moment vrolijk belijdt Jezus als persoonlijke Verlosser en Heere te kennen.
Een groot deel van wat ik zeg of schrijf, ik dan ook sterk gekleurd vanuit deze achtergrond. Mijn indruk is dat ik verreweg het meeste heb geschreven, gesproken of nagedacht over het verlossende geloof in Jezus Christus – al puzzelend en worstelend met argumenten en Bijbelteksten. De “lordship salvation” controverse is er namelijk eentje die om de zoveel tijd in de kerkgeschiedenis opduikt en waarbij ook felle woorden worden gebruikt – juist omdat het om de kern van het Evangelie gaat.
Juist door mijn verleden weet ik hoe gevaarlijk het kan zijn om als een antinomiaan door het leven te gaan. Daarbij wil ik altijd weer de aandacht vestigen op Gods eer en de pastorale gevolgen. Ik denk dat het terecht is om te stellen dat juist degenen die de realiteit van alledag kennen, het beste mee kunnen praten over de theorie – en dus ook over de theologie. De praktijk van alledag leert ons eenzijdige denken af. Begrijp mij niet verkeerd: ik stel niet dat iemand goede theologie leert door levenservaringen te analyseren. Ik bedoel te zeggen dat levenservaringen kunnen bijdragen aan de juiste accenten en het realistischer interpreteren van de Bijbel.

Gevaarlijke eenzijdigheid
Nu wil ik iets doen, wat mogelijk voor opschudding zorgt. Maar ik kan eigenlijk niet anders dan een noodklok luiden. Er moet een pijnlijke vraag worden gesteld: Zien wij vandaag de dag zekere elementen van de gnostiek terug in het dispensationalisme? Loopt de Bedelingenleer als theologie het gevaar eenzijdig te worden in de benadering van verlossing? En als iemand vraagt: “Waarom haal je nou wéér die Bedelingenleer erbij?” dan is mijn antwoord: geen enkele theologische school is zó fel in zijn kritiek op “lordship salvation” dan het dispensationalisme. Dit is in mijn ogen veelzeggend.
We hebben de vorige keer gezien dat de apostel Johannes de praktijk van het geloofsleven en de houding van de gelovige ten aanzien van de zonde belangrijke kenmerken van het eeuwige leven noemt. Zeggen dat God licht is, betekent nog niet dat je ook werkelijk in het licht wandelt. Zeggen dat je geen zonde hebt, wil nog niet zeggen dat je ook echt geen zonde hebt gedaan.
In de gnostiek meende men dat dit los van elkaar kan bestaan. Men maakte een radicaal onderscheid tussen het fysieke en geestelijk leven. Hoe je leefde maakt eigenlijk niet uit, zolang je maar geestelijk verheven en verborgen kennis hebt die leidt tot verlossing. Het belang van het ene overschaduwde de realiteit van het andere. De zogenaamde werkelijkheid van het ene legde de realiteit van het andere als het ware het zwijgen op. We hebben de vorige keer gezien hoe Johannes hiermee omgaat.
Is het niet zo dat wij vandaag de dag worden geconfronteerd met een nieuwe vorm van gnostiek, waarbij de realiteit van het ene een grote schaduw legt over de werkelijkheid van het andere? Ik heb een zestal voorbeelden waarbij ik deze vraag wil stellen.

1. Er wordt één kant van Christus benoemd
In de Bedelingenleer wordt Christus veelal voorgesteld als Verlosser. Sommige dispensationalisten beweren zelfs dat het noemen van Christus als Heere tijdens evangelisatiediensten vermeden dient te worden, omdat dit voor ongelovigen onaantrekkelijk is. Welk belang wordt hiermee gediend? Wordt Christus hier in theologische zin niet in twee stukken verdeeld?

2. Er wordt één kant van de rechtvaardiging benoemd
Als gevolg van het feit dat Christus enkel als Verlosser wordt voorgesteld, wordt zichtbaar dat ook de verlossing door deze lens wordt verklaard. Dispensationalisten verdedigen – terecht! – de leer van de rechtvaardiging door het geloof in Christus alleen. Het credo “Niet uit werken, enkel uit genade!” wordt serieus genomen.
Wat echter opvalt, is dat men veelal de rechtvaardiging van de voorkant beschrijft en niet van de achterkant. Wat ik hiermee bedoel, is dat de rechtvaardiging aan de voorkant betekent dat wij door het geloof in Jezus Christus alleen, en alleen omwille van Zijn verzoenend lijden en sterven aan het kruis bij God kunnen worden aangenomen als rechtvaardigen. Geen enkel menselijk werk komt hier aan te pas.
De achterkant van de rechtvaardiging laat echter goede werken zien. We zijn niet gered of gerechtvaardigd door goede werken, maar wel voor goede werken. Men blijft echter voortdurend hameren op de voorkant van rechtvaardiging en sommigen beweren zelfs dat goede werken op geen enkele manier kan worden beschouwd als vrucht van de rechtvaardiging. Is dit niet de meest directe weg naar het antinomianisme? Wordt het leven van een christen hier niet geheel vrijblijvend voorgesteld, alsof God niet tot Zijn doel kan komen in en met de levens van Zijn kinderen?

3. Er wordt één kant van de zonde benoemd
Als gevolg van deze ogenschijnlijke vrijblijvendheid wordt de behandeling van de zonde ook anders. Er wordt veelal op gewezen dat de zonden vergeven zijn. Er is echter weinig aandacht voor het feit dat de macht van de zonde gebroken is. Vergeving van zonden is in de kern waar het om draait. Veelal wordt verkondigd dat Christus de Verlosser is die redt van de hel, terwijl we in Mattheüs 1:21 lezen:

“Ze zal een Zoon baren. Geef Hem de naam Jezus, want Hij zal Zijn volk bevrijden van hun zonden.”
(Nieuwe Bijbelvertaling, cursivering door mij)

Vergeving is het speerpunt van de verlossing. Wil je verlost worden, dan moet je vergeven worden. Bevrijd worden van de zonde zelf hoeft echter niet. Wordt hiermee niet het grotere probleem van de zonde genegeerd, namelijk dat het een sterke macht is die gebroken moet worden? Wordt de zonde niet teveel als administratieve schuld gezien, die weg is dankzij het kruis van Christus op Golgotha?

4. Er wordt één kant van Gods genade benoemd
Door vergeving en bevrijding van zonden van elkaar los te koppelen, ontstaat er een eenzijdig beeld van Gods genade: genade vergeeft, maar hoeft niet noodzakelijkerwijs te bevrijden van zonde. Als dit waar is, dan heeft Paulus beslist te hoog ingezet toen hij schreef:

“Weet u niet dat wie onrecht doet geen deel zal hebben aan het koninkrijk van God? Vergis u niet. Ontuchtplegers noch afgodendienaars, overspeligen, schandknapen noch knapenschenders, dieven noch geldwolven, dronkaards, lasteraars noch uitbuiters zullen deel hebben aan het koninkrijk van God. Sommigen van u zijn dat ooit geweest, maar u bent gereinigd, u bent geheiligd, u bent rechtvaardig verklaard in de Naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God.”
(1 Korinthe 6:9-11, Nieuwe Bijbelvertaling)

Paulus is hier heel duidelijk: wat sommigen ooit waren, zijn zij niet meer! Hij noemt reiniging, heiliging en rechtvaardiging hier in één zin, in één adem.
Toch beweren sommigen dat Gods genade enkel het wegnemen van de zondeschuld is. Opnieuw dringt zich hier de onvermijdelijke vraag op: Is dit niet de meest directe weg naar het antinomiaanse levenspad? Wordt de zonde hier niet vrij spel gegeven?

5. Er wordt één kant van geloofszekerheid benoemd
Het is onvermijdelijk dat de visie of opvatting van het ene onderwerp gevolgen heeft voor het verstaan van het andere onderwerp. Komen we bij het onderwerp geloofszekerheid, dan zien we hetzelfde gebeuren. Alleen de vergeving van zonden garandeert mij van eeuwig leven en verlossing. Ik ben voor eeuwig gered, omdat God belooft dat Hij mijn zonde in Christus verzoend – en dus vergeven – heeft. Er is volgens een bepaalde groep dispensationalisten geen andere grond voor geloofszekerheid. Alleen zeggen (denk even terug aan Mattheüs 7:21) dat Christus jouw persoonlijke Verlosser is, geeft de garantie dat je naar de hemel gaat.
De vorige keer hebben we gezien dat de apostel Johannes zo niet denkt. Johannes denkt niet alleen in geestelijke waarheid, maar ook in praktische waarheid. Hij vraagt zich af of hij de beloften van God vervuld ziet worden in het leven van Zijn kinderen. Bepaalde voorgangers stellen echter dat het voldoende is “te zeggen dat je in Jezus gelooft” – immers, wie gelooft heeft eeuwig leven. De vraag is hier: Worden de beloften van God met betrekking tot de verlossing niet té geestelijk gemaakt en de verbinding met het leven van alledag niet opgeheven? Is dit niet opnieuw een gemakkelijke deur naar het antinomianisme?

6. Er wordt één kant van het eeuwige leven benoemd
De verzekering dat iemand behouden is kleurt ook de voorstelling van het eeuwige leven. Dat lijkt in beginsel een vreemde gedachte, maar de gevolgen worden duidelijk als we de geloofszekerheid betrekken op het eeuwige leven. Stel dat ik alleen vergeving van zonden ontvang, zonder dat de macht van de zonde in mijn leven wordt gebroken. Wat zegt dit over het eeuwige leven? Zegt het niet dat de zonde ook kan heersen in iemand die Gods Heilige Geest ontvangen heeft en in zich heeft wonen? Nog directer gesteld: zegt het niet dat de zonde over de kracht van de Heilige Geest heerst? Dat iemand – hoewel de Heilige Geest ontvangen te hebben – in dit leven nooit toekomt aan heiligmaking en de gelijkvormigheid aan het Beeld van Christus?
Zegt dit niet dat het eeuwige leven vooral het wegdoen van de schuld is, zonder het beeld van een persoon te veranderen? De vraag is: Wordt hier niet vooral de duur van het eeuwige leven (eeuwig) uitgespeeld tegen de kwaliteit ervan (gelijkvormigheid aan Christus)? Wordt de plaats van het eeuwige leven (de hemel, waar vrede, rust en gezondheid is) niet uitgespeeld tegen het doel ervan (met Christus zijn en Hem weerspiegelen)?

Word wakker! – en schud de eenzijdigheid van je af
Mijn oproep wordt vooraf gegaan door twee vragen: ten eerste wil ik de vraag stellen of je de “antinomiaan” in jezelf herkent. Als je de bovengenoemde zes punten hebt gelezen, kom je dan tot de ontdekking dat dit (al dan niet in zijn geheel) jouw persoonlijke overtuigingen zijn? Herken jij je in sommige punten?
Het tweede dat ik je wil voorleggen is dit: ben je het ermee eens dat de bovengenoemde zes punten ongeoorloofde onderscheidingen weergeven? Deze onderscheidingen sturen sterk één kant op, namelijk de kant van gemakkelijke vergeving, gemakkelijke verlossing. Het is de kant waarvan Jezus Christus Zelf heeft gezegd dat je die juist niet op moet gaan. Want niet iedereen die van Hem zegt dat Hij de Heere en Verlosser is, zal Gods Koninkrijk binnengaan, maar alleen degenen die deze belijdenis waarmaken in hun leven – door de kracht van de Heilige Geest.

Mijn oproep en gebed is dat mensen mogen breken met deze valse onderscheidingen. Dat er afscheid wordt genomen van theologische eenzijdigheden. Wellicht zijn er mensen, die denken: “Je hebt een karikatuur geschetst, zo erg als dat jij het schrijft, is het in werkelijkheid niet.” Als jij zo iemand bent, dan wil ik je vragen om deze video in zijn geheel te bekijken. En ik geef graag toe dat er binnen het dispensationalisme verschillend over deze dingen wordt gedacht. Maar zolang er stemmen zijn, die dit geluid laten horen, moeten we erkennen dát ze bestaan en moeten we de beestjes bij hun naam (blijven) noemen. Het enige dat ik kan zeggen, is dit:

Ga voor het echte leven, niet voor het gemakkelijke.
Ga voor “the real deal”, niet voor een masker.
Het grote wonder van verlossing is niet alleen dat God de zonde kan en wil vergeven, maar dat Hij geestelijk harde en versteende harten kan doen smelten door de kracht van Zijn genade.

Dat Hij dit in jouw leven mag doen.

zondag 1 juli 2018

“Wij weten dat…” (2)

De boodschap van 1 Johannes

De eerste brief van Johannes is theologisch én – vooral – praktisch een hele spannende brief. Dat wordt vanaf dit deel duidelijk. Na de inleiding van vers 1-4 zien we dat Johannes begint met een geestelijke inspectie. Laten we vooral ook goed onthouden dat hij in vers 4 heeft gezegd dat hij de brief heeft geschreven opdat “uw” (volgens sommige vertalingen “onze”) blijdschap vervuld zal zijn. Beide vertalingen kunnen. Johannes wil dus bijdragen aan de blijdschap van de gelovigen die deze brief lezen. In vers 5-10 zien we hoe hij aan deze blijdschap werkt, door te kijken naar de houding van een christen ten aanzien van de zonde.

1. Johannes’ boodschap: God is licht (vers 5)
In vers 5 brengt Johannes zijn eerdere boodschap in herinnering bij de geadresseerden:

“En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en aan u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.”

Het is goed om jezelf af te vragen of jij dit ook zo gezegd zou kunnen hebben na het lezen van de Bijbel. De manier waarop Johannes zijn boodschap verwoordt, verraad namelijk al iets. Het is geen doorsnee boodschap. De meeste christenen zouden zeggen:

“En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en aan u verkondigen, dat God de wereld zo liefhad, dat Hij Zijn Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft het eeuwige leven ontvangt en naar de hemel kan.”

Blijkbaar is er iets in Johannes’ gedachten waardoor hij zijn boodschap formuleert zoals hij deze formuleert. Maar wat is dat? Toegegeven, de boodschap van de Bijbel weergeven als “God is licht en er is in Hem in het geheel geen duisternis” is natuurlijk wel waar – maar voor ons gevoel niet de kern van wat God tot ons te zeggen heeft. Hij wil tot ons spreken over het kruis van Christus, de opstanding, het geloof en het eeuwige leven. Waarom schrijft Johannes dit dan niet? Wat zit hier achter? Draait de Bijbelse boodschap dan niet om het verlossingswerk van Jezus Christus?

Het belang van testen
Ja. Het verlossingswerk dat God in Christus heeft volbracht is het centrum van de Bijbelse boodschap. Maar let tijdens het lezen van Bijbelgedeelten altijd op de functionaliteit van woorden, zinnen en redevoeringen. Juist in 1 Johannes wordt goed zichtbaar dat hij één duidelijk doel voor ogen heeft: meewerken aan de blijdschap van gelovigen (vers 4).
Blijdschap kent een sterke doorlevingskant. Blijdschap gaat over ervaring en gevoelens. Deze worden beïnvloed door gebeurtenissen – positief of negatief – en moet worden gevoed vanuit duidelijk aanwijsbare kenmerken. Een voorbeeld:

Ik ben een veertienjarige scholier en op een woensdagavond vragen mijn ouders of ik het werkstuk voor het vak Natuurkunde (dat de volgende dag ingeleverd dient te worden) af heb – een vak waar ik overigens nooit echt kaas van heb gegeten – omdat het belangrijk is voor mijn gemiddelde. Dat doen zij met een reden: zij willen dat hun zoon zijn spullen netjes op tijd heeft afgerond, en uiteindelijk een goed cijfer haalt.
Stel dat ik geïrriteerd zeg: “Ja-haa! Dat heb ik af…” – wat zou de reactie van mijn ouders zijn? Zouden zij hier tevreden mee zijn? Zouden zij gerustgesteld zijn?
Ik vrees van niet.
Wat zij – denk ik – gaan doen, is vragen om bewijs. Als dat werkstuk écht af is, dan moet het geprint zijn. En als dat niet zo is, dan moet het op de computer te vinden zijn.
“Laat maar eens zien dan,” zou de volgende vraag van mijn ouders zijn.
Mocht ik het niet afhebben, dan zou ik gaan proberen om allerlei afleidingsmanoeuvres in te zetten: “Het is niet nodig, het is af, vertrouw mij nou maar gewoon… Ik ben moe, ik moet nu gaan slapen… Ik print het morgen wel uit…”
Een beetje ouder begint bij dergelijke antwoorden vermoedelijk steeds meer argwaan te krijgen en wil des te meer bewijs zien dat het werkstuk daadwerkelijk af is.
Wat mijn ouders op dat moment eigenlijk willen, is het bewijs dat dit werkstuk af is, zodat mijn én hun blijdschap over een afgerond project volkomen kan worden. Een scholier met afgeronde werkstukken en goede cijfers brengt veel vreugde in huis.


Op deze manier gaat Johannes in zijn brief ook te werk. Ik begrijp werkelijk niet dat sommige mensen alles in het “natuurlijke” willen laten toetsen (Is de auto die ik koop betrouwbaar? Is de melk die ik koop niet bedorven? Is dit apparaat het juiste gereedschap dat ik nodig heb voor mijn huidige werkzaamheden?) en vervolgens allerlei uitwegen bedenken wanneer het geestelijk leven getoetst wordt:
“Jezus heeft alles volbracht!”
“Ik ben gerechtvaardigd door het geloof, niet door werken!”
“Eens gered, altijd gered!”
“Ik geloof, dat is genoeg!”

Johannes gaat in zijn brief kenmerken van het eeuwige leven geven, waarmee hij toetst of dit leven werkelijk aanwezig is bij degenen tot wie hij zich richt. Hier is niets vreemds aan. Het is heel normaal. Als we natuurlijke zaken al willen toetsen voor we ermee verdergaan, hoeveel te meer zouden dit dan moeten doen bij geestelijke zaken met eeuwige belangen!

Stelling, conclusie en uitgangspunt
Johannes bouwt zijn tests zorgvuldig op. Hij werkt steeds met een stelling, trekt vervolgens een conclusie en verwoordt dan het uitgangspunt. Zo moeten we ook vanaf vers 5 gaan lezen. Als Johannes schrijft dat zijn boodschap luidt dat “God licht is” en “dat in Hem in het geheel geen duisternis is”, dan is dit zijn stelling. Johannes stelt: “God is licht en in Hem is er in het geheel geen duisternis. Vanuit deze stelling trekt hij een conclusie.

2. Johannes’ test: gemeenschap met God betekent wandelen in het licht (vers 6-7)
En de conclusie lezen we in vers 6-7:

“Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben en wij toch in de duisternis wandelen, liegen wij en doen de waarheid niet. Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.”

Vers 5 is de stelling die Johannes gaat uitwerken, vers 6 is de conclusie die hij hieraan verbindt en vers 7 vormt het uitgangspunt van de stelling die hij in vers 5 op tafel heeft gelegd. Je krijgt hierdoor de volgende these:

A. Stelling: God is licht
B. Conclusie: Als wij zeggen deel aan God te hebben terwijl wij niet in het licht wandelen, dan liegen wij
C. Uitgangspunt: Als wij in het licht wandelen, hebben wij gemeenschap met God en medegelovigen en reinigt het bloed van Christus ons van alle zonden

De boodschap “God is licht” is voor Johannes de toetssteen. God is onveranderlijk en God is licht. In Hem is geen enkele duisternis. Hij heeft op geen enkele manier deel aan de zonde. Dan is Johannes’ logische vervolgvraag: Hoe zit dit bij jou? Jij die belijdt christen te zijn, getuigt jouw leven hiervan? Als God licht is, dan moet jouw leven ook getuigen van dat licht. Als je in zonde leeft, in de duisternis bent, heb je géén gemeenschap met God, géén deel aan Hem, géén eeuwig leven.
Vanuit dit gedeelte zou je “gemeenschap” kunnen vertalen met “het delen van dezelfde waarden.” God is licht, wij zijn licht. God haat de zonde, wij haten de zonde. Gemeenschap met God hebben en wandelen in het licht komt er in de kern op neer dat wij Gods karakter weerspiegelen. Vanuit Zijn karakter komen normen en waarden voort en geeft Hij Zijn regels en wetten. Wie belijdt God te kennen, dient deze kennis in de praktijk te brengen. Merk in dit verband ook de woorden van vers 6 op:

“Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben en wij toch in de duisternis wandelen, liegen wij en doen de waarheid niet.”

De waarheid belijd je niet alleen – de waarheid doe je. En als je de waarheid belijdt terwijl je het niet doet, dan lieg je. Logisch. Eén plus één is twee.
Maar opnieuw: voor bijna iedereen geldt dat deze rekensom klopt in het “natuurlijke” leven, maar als dit principe wordt overgezet naar het geestelijk leven, dan worden sommigen boos en reageren ze verontwaardigd.

Ben ik verlost, of niet?
Andere mensen reageren bezorgd. Ze erkennen dat Johannes in zijn brief een aantal tests uitvoert en maken zich druk: “Heb ik wel eeuwig leven? Ben ik wel gered? Ik dacht dat het alleen om het geloof in Christus gaat? Hoe kan ik zeker weten dat ik gered ben?”
Het is vanuit tekstgedeelten als deze dat mijn overtuiging sterker is geworden dat niet alleen het moment dat je voor het eerst Christus vertrouwde voor jouw verlossing er werkelijk toe doet, maar elk moment.
Wij kunnen het betoog van Johannes totaal niet volgen als we de dynamiek van Gods verlossingswerk en het eeuwige leven niet begrijpen. Veel mensen denken bij verlossing aan de vergeving van zonden. Voor hen is de vergeving de hoofdboodschap van het Evangelie, haast het ultieme doel. Daarom haken ze af of reageren ze ietwat geïrriteerd op het moment dat deze teksten worden behandeld. Zij stellen vergeving gelijk aan verlossing:
vergeving = verlossing.
Maar Johannes spreekt hier juist over vergeving als middel om tot het verlossingsdoel te komen. Vergeving is het middel, het doel is gemeenschap met God en medegelovigen. Lees nog maar eens vers 7:

“Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar [Gods verlossingsdoel], en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde [Gods middel om tot dat doel te komen].”

Hoe ernstig is het zondigen van een gelovige?
Hier komen we terecht bij een groot discussiepunt: wat is het effect van de zonde in het leven van een christen? Wat is het ergste dat zonde in het leven van een gelovige kan aanrichten?
Op grond van wat we nu hebben gelezen, moeten we op zijn minst tot de conclusie komen dat in ieder geval de gemeenschap tussen God en de gelovige aangetast is. Er kan geen volledige gemeenschap zijn. Het is niet helemaal in orde tussen God en de gelovige.
En op zijn ergst betekent de zonde in het leven van een gelovige dat de persoon helemaal geen wedergeboren christen is. Hoe ernstig is het zondigen van een gelovige dan? In ieder geval ernstig genoeg om er radicaal mee af te rekenen. Zekerheid van verlossing – en de blijdschap hierover – wordt versterkt doordat de macht en invloed van de zonde in het leven van een gelovige gebroken is en minder wordt. Ik herhaal: Zekerheid van verlossing – en de blijdschap hierover – wordt versterkt doordat de macht en invloed van de zonde in het leven van een gelovige gebroken is en minder wordt.
Er zijn mensen die mij nu zullen beschuldigen van het feit dat ik een “fruit inspector” ben – een geestelijke vruchtenonderzoeker. Dat vind ik een eervolle aanklacht. Ik doe hiermee namelijk hetzelfde als wat de apostel Johannes in zijn eerste brief doet. Sommigen mensen denken dat een dergelijke inspectie juist geloofsonzekerheid in de hand werkt. Dat is niet waar. Als jij in jouw eigen leven ziet dat de macht van de zonde gebroken is, dan krijg je toch een geweldig dankbaar en blijmoedig hart?

3. Johannes’ test: in het licht zijn betekent onze zonden niet verdoezelen, maar belijden (vers 8-10)
Ik schrijf bewust dat de macht van de zonde gebroken is en dat de invloed van de zonde minder wordt. Johannes vervolgt zijn betoog namelijk met een tweede test, die we vinden in vers 8 en 10:

“Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot leugenaar en is Zijn woord niet in ons.”

We merken dat er nogal wat spanning zit in Johannes’ betoog: enerzijds is het wandelen in het licht het kenmerk van gemeenschap met God – en dus is er geen plaats voor zonde – terwijl hij aan de andere kant ook laat zien dat geen christen zonder zonde is. Wat betekent dit voor het begrijpen van dit gedeelte?

Zondeloze perfectie is niet de norm
Allereerst laat het ons zien dat we met een zekere ontspanning kunnen en mogen leven. God heeft ons in dit leven niet geroepen tot perfectie, maar tot heiliging (1 Tessalonicenzen 4:3). Perfectie is niet de norm. God eist van ons geen zondeloze perfectie, maar wel de volle inspanning om de zonde door de kracht van Zijn Geest uit ons leven te bannen en in het licht te wandelen.
Laten wij elkaar als christenen daarom ook niet beoordelen met de meetlat van perfectie, maar met de meetlat van progressie. Een persoon hoeft zich geen zorgen te maken op het moment dat hij geen perfectie in zijn leven aantreft; hij moet zich zorgen maken wanneer hij geen progressie ziet.

Zonden belijden werkt bevrijdend
Als tweede leert Johannes ons hier dat het belijden van onze zonden ten diepste een zaak van bevrijding is. Ik hoef mijn zonde niet te verdoezelen, ik hoef mijn zonde niet meer goed te praten, ik hoef geen nieuwe zonde meer toe te voegen door te liegen over mijn begane zonde. Ik mag er eerlijk en oprecht voor uitkomen dat ik fout zat. Ik mag eerlijk zeggen dat ik ongehoorzaam ben geweest. Waarom is dit bevrijdend? Omdat Johannes hier laat zien dat oprechte schuldbelijdenis de deur is naar het herstel van de gemeenschap die ik met God en medechristenen mag hebben.

Zonde verslagen zien worden geeft blijdschap
Tot slot mogen we de verzen 8-10 lezen door de lens van vers 4. Een christen is iemand die blij wordt wanneer hij ervaart dat de zonde in zijn leven stelselmatig verslagen wordt. Iemand die hier niet blij mee is, is geen christen. Het is als in een huwelijk: alles wat een goede relatie en verstandhouding met jouw partner in de weg staat, moet verslagen worden. En als je ziet dat dit gebeurt, hoe blij ben je dan met jullie huwelijk!
Het is onmogelijk om alleen maar in positionele termen te blijven spreken over begrippen als “vergeving” en “reiniging” en “wandelen”. Iemand die doelbewust in zonde blijft leven, beschadigt de gemeenschap met God en medegelovigen. In die zin brengt hij ook schade toe aan de kerkgemeenschap als geheel. Er zijn in het Nieuwe Testament aanwijzingen dat we de zonde niet alleen maar op individueel niveau moeten benaderen, maar zeker ook op gemeenschappelijk niveau (vgl. Mattheüs 18:15-20; 1 Korinthe 5:1-13, 11:28-34; Judas 1:12-16, 20-23).
Vergeving is de toegangsdeur tot gemeenschap met God. Gods vergeving stelt ons in staat de praktische reiniging echt te ervaren. Als wij echt gemeenschap met God en medegelovigen hebben, gaat hier ook al een zekere kracht vanuit, die de werking van de zonde tegenstaat. Onderschat daarom ook het belang van de samenkomst niet. Samenkomsten zijn er om de zonde tegen te staan. En wie de zonde in zijn leven tegenstaat en ziet dat de macht ervan gebroken is, dat de invloed ervan minder wordt, ontvangt meer en meer blijdschap. En het is deze blijdschap die Johannes in vers 4 op het oog heeft. En omdat hij die blijdschap op het oog heeft, geeft hij toetsstenen aan gelovigen. Hij wil ons niet plagen, hij wil onze dag niet verpesten – hij wil de blijdschap door de Heilige Geest voeden met zichtbare kenmerken dat wij God werkelijk in Jezus Christus hebben leren kennen.

Blogarchief