SalvationInGod

maandag 31 mei 2010

Het Geloof in Jezus Christus

5 KENMERKEN VAN HET ZALIGMAKENDE GELOOF DOOR JEZUS ONDERWEZEN

Om te beginnen: waarom deze tekst?
In de vier Evangeliën lezen we over de bediening van de Here Jezus Christus, de Verlosser. Het is goed om te kijken hoe Hij Zelf het Evangelie aan ons voorgesteld heeft. Dit levert een vijftal punten op. Voordat ik deze punten uitwerk, dient te worden vermeld vanuit welke motivatie deze tekst is opgesteld.
Het is bedoeld om een samenvattend overzicht geven van de wijze waarop Jezus in Zijn boodschap het zaligmakende geloof an sich typeert. Worden wij gered door werken, genade, of allebei? En wat zijn dan de tekenen van deze redding? Ik belijd, met de christelijke gemeente van alle tijden en alle plaatsen, dat wij door genade behouden worden, door het geloof. Geen werken en ook geen mix van genade en werken. Vanuit deze opvatting worden deze vijf punten behandeld.

Ik ben van mening dat er een herbezinning moet komen op de studie over de natuur van het geloof dat rechtvaardigt. Geloof dat rechtvaardigt is geloof dat heiligt. De Gemeente van Jezus Christus heeft haar verantwoordelijkheid en taak om mensen op te roepen tot bekering en geloof, een oproep die identiek is aan die van Jezus, maar die onmogelijk tot gemakzucht en een tolereren van de zonde kan leiden. Vooraanstaande personen in de gemeenten moeten in de prediking van het Woord op rechte wijze voor ogen hebben wat bekering en geloof exact betekenen en welke kenmerken hier bij horen. Dit is de enige manier om valse hoop tegen te gaan.
Valse hoop kan ontstaan als een persoon wedergeboren wordt verklaard, terwijl men geen acht slaat op de kenmerken van de wedergeboorte. Prediking van Gods Woord is het met de zielen van mensen en het communicerenhandelen met de zielen van mensen. Verkeerde communicatie leidt tot verkeerde handelingen, met desastreuze gevolgen!

Daarnaast zie ik verschijnselen die gewetenssussend werken. Jezus’ woorden zijn op sommige plekken ronduit schokkend voor de in zonde gevallen mens. En vaak wordt aan Zijn harde woorden een zachte betekenis gegeven. Zo zou Hij in de Bergrede een uiterst absurde en onhaalbare ethische lat leggen, waar niemand aan kan voldoen. Waarom? Om te kunnen bewerkstelligen dat de mensen in zouden zien dat zij die standaard niet halen en dat ze daarom Hem aan moeten nemen als Verlosser. Als dat werkelijk zo zou zijn, dan trekt Hij in het laatste gedeelte van hoofdstuk 7 in het Evangelie volgens de beschrijving van Matteüs een totaal overbodige en verkeerde conclusie en zadelt Hij christenen op met een plicht die er dan niet meer toe zou doen. Hij verbindt daar namelijk Zijn onderwijs met de levenswandel van Zijn volgelingen, meer nog: de aard van de wedergeborenen. Als er één term kenmerkend is voor het onderwijs van onze Zaligmaker, dan is dat het (Matteüs 6:33). Noem mij dan naar eigen goeddunken een Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheidlegalist: iemand die aan de genade werken toe wil voegen. Beschuldig mij desnoods van plichtgodsdienst: Jezus louter volgen uit plichtmatigheid. Je kunt het zo opvatten, als je het zo op wílt vatten. Feit is in ieder geval dat Jezus ons voor de keuze stelt om Hem te gehoorzamen of niet. En wie Hem wil gehoorzamen, zal ook de verplichting onder ogen moeten zien, die Christus stelt. Wat zei Hij tegen Zijn discipelen?

Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen. (Lucas 17:10)

Jezus Christus stierf om ons te verlossen van de zonde, niet slechts voor de gevolgen van de zonde. Wie waarlijk in Jezus Christus gelooft, is wedergeboren en wordt niet meer veroordeeld. Een wedergeboren persoon is overgegaan van de dood naar het leven: hij was eens een slaaf van ongerechtigheid, nu in dienst van de gerechtigheid. Eens een slaaf van de duivel, nu een dienaar van de Enige, Waarachtige God.



1. Jezus leert ons dat de toegang tot God de Vader alléén door Hem is

Jezus is in de Evangeliën glashelder over de weg naar God de Vader: Hijzelf en Hij alleen. Hij is de gezondene van de Vader. Hierdoor legt Hij een geweldige claim op tafel. Indien Hij de Enige weg tot de Vader is, hebben wij acht te slaan op Zijn woorden, aanwijzingen en vermaningen. Kijk mee naar het eerste Schriftgedeelte:

Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.
En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg. Tomas zeide tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien. (Johannes 14:1-7)

Door Zijn verzoenende werk aan het kruis heeft Jezus de weg geopend naar de verlossing, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft (Johannes 3:16). Hij heeft de waarheid geopenbaard over God, opdat wij Hem kennen (Johannes 1:18). En alleen als wij in Hem geloven, zullen wij het leven ingaan – eeuwig leven, dat is ‘dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt’ (Johannes 17:3). De volgende tekst verhaalt van het beeld van de Goede Herder, dat Jezus voor Zichzelf gebruikt:

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen.
In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. (Johannes 10:1-9)

Er is één deur die onze toegang is om binnen te komen in het Koninkrijk der hemelen: Jezus Christus. Alleen door Hem worden wij behouden. Alle andere zogenaamde ‘christussen’ noemt Hij rovers en dieven. Omdat Hij Zichzelf als de Enige Weg tot God heeft geopenbaard, zullen wij er verstandig aan doen om Zijn onderwijs zorgvuldig na te gaan.

Kenmerk 1: het zaligmakende geloof is het geloof dat zich toevertrouwt aan Jezus Christus alléén.


2. Jezus leert ons dat bekering en geloof voorwaarden zijn om het Koninkrijk der hemelen binnen te kunnen gaan

Wat betekent bekering? Sommigen verstaan hieronder ‘wisselen van godsdienst’, anderen denken aan ‘religieus worden’. Weer anderen omschrijven het als ‘een verandering van denken over wie Jezus is’. Als er één definitie vandaag de dag duidelijk moet worden en heroverwogen, dan is het bekering. De vraag is nu dan ook: wat bedoelt Jezus met zijn oproep tot bekering? Bekering in de Bijbel heeft altijd betrekking op het zich afkeren van de zonde en het toekeren naar God. 'Het is de eerste uitwerking van de nieuwe natuur, die breekt met de oude levensstijl' (omschrijving door Martyn Lloyd-Jones), welke gekenmerkt wordt door zonde: rebellie tegen God. Is bekering noodzakelijk voor de behoudenis? Uit Christus’ onderwijs kunnen wij concluderen: JA. Denk aan de gelijkenis van de rijke man en arme Lazarus in Lucas 16. Op het moment dat de rijke man zijn ogen openslaat in het dodenrijk spreekt hij tot Abraham en wil dat iemand zijn vijf broers waarschuwt voor de plek van pijniging waar hijzelf zojuist is gekomen. Wat vraagt hij aan het einde (vers 30)? 'Neen, vader Abraham, maar indien iemand van de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren'. Hij vraagt hier om bekering van zijn broers, zodat zij niet dezelfde pijniging zullen ondergaan als hijzelf. Er is dus een direct verband tussen bekering en verlossing. Drie andere voorbeelden:

Terzelfder tijd kwamen enigen tot Hem met het bericht over de Galileeërs, wier bloed Pilatus met hun offers vermengd had. En Hij antwoordde en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galileeërs groter zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat zij dit lot hebben ondergaan? Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen. Of meent gij, dat die achttien, op wie de toren bij Siloam viel en die erdoor gedood werden, schuldiger waren dan alle andere mensen, die in Jeruzalem wonen? Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen. (Lucas 13:1-5)

Jezus zegt hier: iedereen is dood in zijn of haar zonde. Iedereen. Dat de Galileeërs een tragisch lot hebben ondergaan, zegt niets over de grootte van de zonde die zijn bedreven hebben. Hetzelfde geldt voor de achttien, op wie de toren van Siloam viel. Jezus maakt hier duidelijk dat hetzelfde lot ligt te wachten voor mensen die zich niet bekeren.

Op dat ogenblik kwamen de discipelen bij Jezus en vroegen: Wie is wel de grootste in het Koninkrijk der hemelen? En Hij riep een kind tot Zich, plaatste dat in hun midden, en zeide: Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan. Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen. (Matteüs 18:1-4)

Jezus neemt hier een kind als voorbeeld, om aan te tonen dat een persoon zich in nederigheid moet verwonderen dat hij of zij voor het Koninkrijk geroepen wordt. Er is geen enkele sprake van een bepaald recht dat iemand zou hebben om het Koninkrijk der hemelen binnen te komen.

Toen begon Hij de steden, waarin de meeste krachten door Hem verricht waren, te verwijten, dat zij zich niet bekeerd hadden: Wee u, Chorazin, wee u, Betsaïda! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben. Doch Ik zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor u. En gij, Kafarnaüm, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot het dodenrijk zult gij nederdalen; want indien in Sodom de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden. Maar Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor u. (Matteüs 11:20-24)

Dit zijn scherpe woorden, om meerdere redenen. Ten eerste spreekt Hij het ‘wee u’ uit over onbekeerde steden, dat betekent: de mensen die daar wonen hebben zich niet bekeerd. Zij weigerden om zich af te keren van de zonde en eigengerechtigheid en evenmin wilden zij in Christus de Zaligmaker geloven. Als tweede moeten wij acht slaan op de vergelijking die Jezus maakt tussen enerzijds Chorazin, Betsaida en Kafarnaüm en anderzijds Tyrus, Sidon en Sodom. De laatste groep steden heeft de Messias niet meegemaakt en gekend, maar de eerste groep heeft Zijn werken aanschouwd. Zij zijn getuigen geweest van Zijn bediening. Maar ondanks dat weigerden zij zich te bekeren en in Hem te geloven. Dat rekent Jezus hen zwaar aan. En het zal ook óns zwaar aangerekend worden, indien wij weet hebben van Zijn werken, Zijn woorden en wij ons desondanks niet bekeren. Daarom zal het in de Dag des Oordeels draaglijker zijn voor Tyrus, Sidon en Sodom – steden die onder de voet gelopen zijn en van de aardbodem zijn weggevaagd – dan alle mensen die weet hebben gehad van het Evangelie en het achteloos terzijde hebben geschoven.

Hier moet ook opgemerkt worden dat de heenzending van de discipelen door Jezus (ook de Grote Opdracht) geschiedde om bekering te prediken:

Zijn discipelen zond Hij uit… En zij vertrokken en predikten, dat zij zich zouden bekeren. (Marcus 6:12)

En Hij zeide tot hen: Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, en dat in zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. (Lucas 24:46-47)

Kenmerk 2: het zaligmakende geloof is het geloof dat zich kenmerkt door een zich afkeren van de zonde en een toekeren naar God.


3. Jezus leert ons dat een (geloofs)belijdenis niets voorstelt zonder gehoorzaamheid aan God

Wanneer we een juiste en zorgvuldige definitie van het Bijbelse begrip bekering hebben, is het onmogelijk om dit punt te ontkennen. Uit het onderwijs van Jezus blijkt duidelijk dat gelovigen geen personen zijn die – voor wat betreft structurele kenmerken in hun levenswandel – niet deugen. In een gelijkenis is Hij hier duidelijk over:

Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, neergelaten in de zee, dat allerlei bijeenbrengt. Wanneer het vol is, haalt men het op de oever, en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugdelijke werpt men weg. Zó zal het gaan bij de voleinding der wereld. De engelen zullen uitgaan om de bozen uit het midden der rechtvaardigen af te zonderen, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. (Matteüs 13:47-50)

Jezus spreekt in Zijn bediening over het gedrag dat gelovigen laten zien. Hij legt niet de nadruk op en neemt geen genoegen met een bepaalde belijdenis, zoals wij dat vandaag de dag gewend kunnen zijn, maar Hij omschrijft altijd het geloofszaad dat in de gelovige gelegd is door God en de uiterlijke levenswandel van de gelovige. Deze geloofswandel zal het openlijke bewijs van de redding van een persoon zijn op de jongste dag, wanneer de opstanding der doden zal plaatshebben:

Wees hierover niet verwonderd, er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen en uit hun graf zullen komen: wie het goede gedaan heeft staat op om te leven, wie het slechte gedaan heeft staat op om veroordeeld te worden. (Johannes 5:28-29)

Gelovigen zullen opstaan om het leven te ontvangen, dus moeten we vanuit deze tekst wel de conclusie trekken dat Jezus Zijn volgelingen omschrijft als personen die het goede gedaan hebben. In de context van Johannes 5 betekent dit dat Zijn volgelingen en Hem in geloof hebben geleefdin geloof hebben gehoorzaamd. Als wij aan een persoon vragen, waarom hij of zij de zekerheid heeft behouden te zijn, moet het antwoord niet zijn: 'Ik heb ooit een keer mijn hand opgestoken op een evangelisatieconferentie', of 'Ik heb een keer een zondaarsgebed gebeden'. Jezus stelt in Zijn onderwijs dat een behouden persoon de zekerheid van zijn redding bezit, doordat diegene naar Zijn stem luistert, Hem volgt (zie voor meer uitleg punt 5), en omdat de gelovige persoon in het verlengde hiervan een honger naar de gerechtigheid heeft: het is een honger om Gods wil te doen. In Marcus 3:33-35 legt Jezus uit dat het doen van Gods wil aangeeft dat de gelovige verbonden is met zijn Heer:

En zijn moeder en zijn broeders kwamen, en buiten staande zonden zij iemand tot Hem om Hem te roepen. En een schare zat rondom Hem en zij zeiden tot Hem: Zie, uw moeder en uw broeders en uw zusters staan buiten en zoeken U. En Hij antwoordde en zeide tot hen: Wie zijn mijn moeder en broeders? En rondziende over degenen, die in een kring rondom Hem zaten, zeide Hij: Zie, mijn moeder en mijn broeders. Al wie de wil Gods doet, die is mijn broeder en zuster en moeder. (Marcus 3:31-35)

Niet alleen vanuit deze teksten kunnen we deze constatering formuleren. Hier volgt een voorbeeld uit Lucas:

Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? Een ieder, die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan iemand, die bij het bouwen van een huis diep gegraven en het fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed kwam en de stroom tegen dat huis aansloeg, kon hij het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg, stortte het terstond in en het huis werd één grote bouwval. (Lucas 6:46-49)

Volgens het Evangelie naar de beschrijving van Matteüs zegt Jezus dit:

Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid. (Matteüs 7:21-23)

Wat is de clou van wat Jezus hier zegt? Om te beginnen is het een waarschuwing: wanneer iemand wonderen en tekenen verricht, hoeft dit helemaal niet te betekenen dat die persoon ook werkelijk een wedergeboren christen is. Volgens Hem zullen in de laatste dagen valse christussen en valse profeten opstaan, die grote tekenen en wonderen zullen doen, zodat zij, ware het mogelijk, de uitverkorenen zouden verleiden. Christus ontkent dus niet dat valse christussen en valse profeten grote wondertekenen kunnen verrichten. Hij ontkent echter wel dat zij bij het goede kamp horen. Dit is ook de waarschuwing die uit Matteüs 7:21-23 klinkt.
Ten tweede: het is niet zomaar een belijdenis die het voor een persoon mogelijk maakt het Koninkrijk der hemelen binnen te kunnen gaan, maar diens geloof in Jezus Christus. En dat geloof vertaalt zich in gehoorzaamheid aan God. Jezus zet hier op een confronterende en pijnlijke wijze de belijdenis (‘Here! Here!’) en de levensstijl (gij werkers der wetteloosheid) naast elkaar. En bij deze personen zijn volgens Hem de belijdenis en de levensstijl niet in overeenstemming met elkaar. Wat is het – naar Jezus’ woord – dat de doorslag geeft voor het testen van de echtheid van het geloof? Het doen van de wil van de Vader in de hemel. Daarom kan Hij ook in vers 24-27 zeggen dat de verstandige persoon handelt naar Zijn Woord en een onverstandige dit niet doet. Samengevat: Christus zegt hier niet dat de behoudenis door goede werken is, maar Hij toetst de belijdenis aan de levenswandel en dat moet ook onze toetssteen zijn. Waarom dit onze toetssteen moet zijn, zal duidelijk worden gemaakt in het volgende punt.

Kenmerk 3: het zaligmakende geloof is het geloof dat zich vertaalt in gehoorzaamheid aan God.


4. Jezus leert ons dat het zaligmakende geloof zich bewijst door de vruchten die het voortbrengt

Wanneer we het onderwijs van Christus zorgvuldig onder de loep nemen, zien we dat Hij het gedrag van mensen omschrijft als vruchten. Deze vruchten – het gedrag, de levenswijze – zijn volgens Jezus niet alleen een indicatie van iemands toestand van binnen, maar zijn ook van levensbelang. Letterlijk! Daar komen we straks op, maar zie eerst het volgende onderwijs:

Immers, er is geen goede boom, die slechte vrucht voortbrengt, noch ook een slechte boom, die goede vrucht voortbrengt. Want elke boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend. Want van dorens leest men geen vijgen, en van een braamstruik oogst men geen druif. Een goed mens brengt uit de goede schat zijns harten het goede voort en een slecht mens brengt uit de boze schat het boze voort. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond. (Lucas 6:43-45)

Wat wij hier voorgesteld krijgen, is simpel: als iets van binnen slecht is, zal het er van buiten ook gegarandeerd slecht uitkomen. Anders gezegd: wat aan de buitenkant gezien wordt, toont de toestand van de binnenkant. Kijk maar:

Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal niet vergeven worden. Spreekt iemand een woord tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar spreekt iemand tegen de heilige Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. Acht de boom goed, maar dan ook zijn vrucht, òf acht de boom slecht, maar dan ook zijn vrucht, want aan zijn vrucht kent men de boom. Adderengebroed, hoe kunt gij, die slecht zijt, iets goeds zeggen? Want uit de overvloed des harten spreekt de mond. Een goed mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort, en een slecht mens uit zijn boze schat boze dingen. Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels, want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden. (Matteüs 12:31-37)

In Matteüs 12:22 lezen we de bewering van de Farizeeën dat Jezus Zijn werken alleen kan doen door Beëlzebul, met andere woorden: ze maken Jezus tot een handlanger van de satan. Jezus spreekt hierop tot te Farizeeën en de verzen 31-37 zijn een onderdeel van deze woorden. Hij waarschuwt de Farizeeën voor de lastering van de Heilige Geest, een zonde die nooit vergeven zal worden. Iemand die zich tegen de Heilige Geest verzet en blijft ontkennen dat Jezus Christus de Messias is, Gods Zoon, lastert de Heilige Geest. Hij noemt hen ‘adderengebroed’. Waarom doet Hij dat? Hierom: ‘hoe kunnen jullie, die slecht zijn, iets goeds zeggen?’ Hij zegt hier tegen de Farizeeën: jullie spreken naar jullie aard. Jullie zijn aan de binnenkant slecht, dan is het ook te verwachten dat er slechte woorden uit jullie mond naar buiten vloeien. Als het innerlijk van een persoon slecht is, zal de buitenkant ook slechte zaken tentoonspreiden. Andersom geldt precies hetzelfde.

Betekent dit nu, dat Jezus zich per definitie afzette tegen de zogenaamde hooggeplaatste religieuze leiders, omdat zij in Zijn ogen zogenaamd schijnheiligen waren? Het is waar dat Jezus Zich fel kon keren tegen deze groep mensen. Zijn verwijt aan de Schriftgeleerden en Farizeeën is dat zij de Schriften kenden, maar dat zij met die kennis niet verstonden dat Hij de beloofde Messias was en dat zij Hem zagen als een volksopruier die uit de weg geruimd diende te worden. Zijn grote verwijt is hun ongeloof. Maar met welwillende mensen uit de genoemde groeperingen ging Jezus anders om. Denk aan Nicodemus in Johannes 3. Ook daar vraagt Jezus Zich af waarom Zijn gesprekspartner de Schrift niet verstaat (Johannes 3:10). Maar vervolgens legt Hij wel uit wat de wedergeboorte inhoudt. Johannes 3:16, de bekendste tekst, ‘het Evangelie in een notendop’, is het eerst verkondigd aan een Farizeeër! Als Jezus fel van leer trok tegen de godsdienstige leraren van Zijn tijd, is dit vanwege hun ongeloof, hardheid van hart en hypocrisie. En Jezus is er duidelijk over: Hij zegt ALLE ongelovigen en hypocrieten de wacht aan, niet enkel hypocriete godsdienstige leraren en Schriftgeleerden. Tegen Zijn discipelen zegt Hij dit:

Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage. Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen. Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand. Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden. Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn. (Johannes 15:1-8)

Vruchten zijn het bewijs van een levend geloof. En een levend geloof kan alleen geschonken worden door God Zelf, ofwel: een persoon kan alleen tot Jezus Christus komen als God door de Heilige Geest de heerlijkheid van Zijn Zoon openbaart (Matteüs 11:25-26; Lucas 10:21; Johannes 6:44). Daarom zegt Jezus dat de vruchten van zijn volgelingen de Vader verheerlijken. Er zijn mensen, die stellen dat het voor een christen mogelijk is om geen enkele vrucht voort te brengen; zolang er ergens maar een moment was, waarop ‘geloofd’ werd, zit het goed. Volgens Jezus is dit echter onmogelijk; sterker nog, hij stelt dat belijdende christenen zonder vruchten niet met Hem verbonden zijn en verzameld zullen worden om in het vuur geworpen en verbrand te worden. Kort gezegd: een christen die structureel, alle dagen van zijn leven, geen vrucht draagt en God niet verheerlijkt, is géén christen. De persoon, die geen enkel bewijs van levend geloof in de vorm van vrucht kan tonen, komt het Koninkrijk van God niet binnen. Dat is het beeld dat Jezus hier beschrijft. Dit is het antwoord op de vraag, waarom de vruchten onze toetssteen moet zijn: zij bevestigen of ontkennen, dat wij waarlijk geloven. De volgende vraag: wat zijn de vruchten die een christen kenmerken? We zien het volgende gedeelte van Johannes 15:

Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde. Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde. Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad. Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. Gij zijt mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied. Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt. Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in mijn naam. Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt. (Johannes 15:9-17)

Jezus noemt hier twee kenmerken: liefhebben en het bewaren van Gods geboden. En als we de Bijbel goed lezen, zijn deze twee zaken synoniem aan elkaar, want:

Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten. (Matteüs 22:37-40)

Dit komt weer neer op de gehoorzaamheid aan God. Christenen verheerlijken God door gehoorzaamheid aan Hem: liefde tot God en liefde tot de naaste. De woorden van Jezus blijven in de gelovigen (vers 5). Dat is de vrucht waarover Hij spreekt.
Als we de gelijkenis in Marcus 4:3-9 lezen – waar het gaat over het zaaien van het Woord Gods – zien we hoe Jezus op beeldende wijze beschrijft dat er vier soorten mensen zijn:

Hoort. Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. En het geschiedde bij het zaaien, dat een deel langs de weg viel, en de vogels kwamen en aten het op. Een ander deel viel op steenachtige bodem, waar het niet veel aarde had, en terstond schoot het op, omdat het geen diepe aarde had. Maar toen de zon opging, verschroeide het, en omdat het geen wortel had, verdorde het. En een ander deel viel in de dorens en de dorens kwamen op en verstikten het en het gaf geen vrucht. En het overige viel in goede aarde en opkomende en uitstoelende gaf het vrucht, en het droeg tot dertig-, zestig- en honderdvoud toe. En Hij zeide: Wie oren heeft om te horen, die hore.

De uitleg in Marcus 4:10-20 is als volgt:

1. Mensen die het Woord horen, maar waar satan het er meteen wegneemt;
2. Mensen die het Woord horen, het met blijdschap aannemen, maar wanneer later verdrukking of vervolging komt vanwege dit Woord, houden zij geen stand en komen ten val;
3. Mensen die het Woord horen, maar het laten verstikken door de zorgen van de wereld, het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar al het andere;
4. Mensen die het Woord horen en het in zich opnemen en vrucht dragen, dertig- en zestig- en honderdvoud.

Slechts één van de hierboven geschetste groepen mensen typeert de christen: nummer 4. Het draagt vrucht. De drie andere type mensen horen het Woord, maar daar blijft het dan ook bij. Het schiet, zoals Jezus zegt, geen wortel in hen. En waar geen wortel is, kan onmogelijk vrucht groeien.

Dan nog de vraag of Jezus zegt dat christenen perfecte levens leiden en zonder zonde zijn. Hij stelt duidelijk dat ook een christen kan zondigen en imperfecte levens leiden:

Hij zeide tot zijn discipelen: Het is onmogelijk, dat er geen verleidingen komen, maar wee hem, door wie zij komen! Het zou beter voor hem zijn, als een molensteen om zijn hals gedaan was en hij in de zee was geworpen, dan dat hij één van deze kleinen tot zonde verleidde. Ziet toe op uzelf! Indien uw broeder zondigt, bestraf hem, en indien hij berouw heeft, vergeef hem. En zelfs indien hij zevenmaal per dag tegen u zondigt en zevenmaal tot u terugkomt en zegt: Ik heb berouw, zult gij het hem vergeven. (Lucas 17:1-4, vlg. Matteüs 18:15-17)

Overigens is het goed om hier kort stil te staan bij de handelingen van beide partijen. Een christen die zondigt tegen zijn broeder, moet door die broeder bestraft/vermaand worden. De persoon krijgt berouw en dan zal die broeder hem vergeven. Jezus heeft laten zien dat zonden te vergeven zijn, maar Hij heeft nooit door laten schemeren dat wij de zonde lichtvaardig moeten behandelen en dat de zonden van Zijn volgelingen niets meer voorstellen (lees Matteüs 5:27-30; 18:8-9 en Marcus 9:43-48). Eigenlijk geeft Hij hier het proces van herstel in gemeenschap en vergeving weer: bedreven zonde - bestraffing/vermaning - berouw - vergeving.

Kenmerk 4: het zaligmakende geloof is het geloof dat wordt bewezen in het voortbrengen van goede vruchten, die God verheerlijken.


5. Jezus leert ons dat de waarachtige gelovige zal volharden tot het einde

Hoewel het volgens Jezus mogelijk is dat een christen zondigt, zal het nooit gebeuren dat een christen uit Gods handen valt en zijn behoudenis kwijtraakt. Er zijn meer teksten over deze kwestie in de Evangeliën, dan we op het eerste gezicht zouden vermoeden. De eerste tekst is de bekendste:

Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand mijns Vaders. (Johannes 10:27-29)

Let op het kenmerk dat Christus noemt van Zijn volgelingen: zij horen naar Zijn stem en Hij kent ze en zij volgen Hem. Zagen we bij punt 3 nog een voorbeeld waarbij Jezus zegt ‘Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid’, hier zien we een positieve formulering: ‘Ik ken ze’. Jezus weet precies welke mensen op deze aarde leven en geleefd hebben en wat hun boeken geschreven staat, maar Hij kent hen niet allemaal als Zijn volgelingen. Zijn volgelingen horen naar Zijn stem en volgen Hem. Dit horen en volgen noemt Jezus in Zijn onderwijs het onafgebroken, structurele karakter van leven in geloof, tot het einde toe.
Iemand die wedergeboren is, is geborgen in de hand van Christus. Deze geborgenheid kan niet verloren gaan! Opvallend is dat Jezus spreekt over roven. In het Grieks staat het woord harpazein, wat ook vertaald kan worden als ‘met geweld meevoeren’: het is de meest agressieve vorm van ontvreemden (of buitmaken) en volgens Jezus zal zelfs dát niet slagen! Let er ook op dat een roof in alle gevallen gaat over het toe-eigenen van iets, wat geen rechtmatig bezit is. De Goede Herder zegt: 'Mijn schapen zijn Mijn eigendom, Zij behoren Mij toe en niemand anders.' Wat voor soort geweld de christen ook teistert, in Christus’ handen is hij geborgen en is daar met geen mogelijkheid uit te krijgen. Een andere tekst waar dit naar voren komt is te vinden in de Rede over de Laatste dingen:

Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden. (Matteüs 24:23-24)

De woorden ware het mogelijk zijn hier essentieel. Jezus zegt: als het mogelijk was voor de valse christenen en valse profeten om ook de uitverkorenen te verleiden, zouden zij het kunnen. Maar het is volgens deze woorden niet mogelijk. Waarom niet? Omdat God in Zijn genade het zaligmakende en volhardende geloof bewerkt en uitwerkt en dit zal Hij doen tot het einde toe: niemand kan een uitverkorene uit Gods hand roven. Dit bevestigt zijn opdracht aan zijn volgelingen om te volharden tot het einde toe:

Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. (Matteüs 24:13)

Laten uw lendenen omgord zijn en uw lampen brandende. En gij, weest gelijk aan mensen, die op hun heer wachten, wanneer hij van de bruiloft wederkeert, om hem, als hij komt en klopt, terstond te kunnen opendoen. Zalig die slaven, die de heer bij zijn komst wakende zal aantreffen. Voorwaar, Ik zeg u, hij zal zich omgorden en hen aan tafel nodigen, en bij hen komen om hen te bedienen. En wanneer hij in de tweede of in de derde nachtwake komt en hen zó aantreft, zalig zijn zij. (Lucas 12:35-38, vgl. Marcus 13:33-37)

Het is voor een christen de opdracht om altijd de wederkomst van de Here Jezus Christus te verwachten. Men mag niet verslappen. Zalig zijn degenen, die wakende, wakker, levend in geloof aangetroffen worden als Christus komt. Dat is volharden tot het einde. Een christen mag niet inslapen, een christen kán volgens Jezus ook niet inslapen en verloren gaan.

Kenmerk 5: het zaligmakende geloof is het geloof dat door verdrukking en vervolging heen zal standhouden tot het einde.


Conclusie
Nu we de vijf punten hebben behandeld, kunnen we vaststellen dat Jezus sterk de verbind aan en vertolkt over het zaligmakende geloof: praxisde dagelijkse praktijk van het geloofsleven. Hij maakt geloof concreet. Zoals Jezus het geloof schetst, heeft het veel meer te betekenen dan alleen een stel dogma’s die in het hoofd zitten. Hoewel dogma’s de functie hebben om zo helder mogelijk de kernpunten op papier weer te geven voor wat betreft de geloofsleer, benoemt Christus nadrukkelijk het belang van de geloofswandel. Dit is niet vreemd: het Jodendom besteed veel aandacht aan de praktische kant van het geloof en we mogen nooit uit het oog verliezen, dat Jezus Zelf als Jood op aarde heeft rondgelopen.
Samengevat zien we dat door de Evangeliën heen het volgende wordt onderwezen door Jezus:

Het zaligmakende geloof is het geloof, dat zich afkeert van de zonde, alleen vertrouwt op Jezus Christus voor de verlossing, in gehoorzaamheid aan God, met vrucht en in volharding tot het einde.


Hopeless Without Christ - Tim Conway from I'll Be Honest on Vimeo.











Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief