SalvationInGod

zondag 25 februari 2018

“Vader, Ik bid voor hen…” (Introductie)

De boodschap van Johannes 17

Afgelopen dinsdagavond sprak ik na een bijeenkomst van Veritas-cursisten met een broeder die nog door wilde praten over een huiswerkopdracht van de les daarvoor. Deze huiswerkopdracht had betrekking op Kolossenzen 1:21-23. Daar schrijft Paulus over de vijandschap van de gevallen mens ten opzicht van God (vers 21a), de verzoening in Christus (vers 21b), en de verheerlijking van alle gelovigen in de tegenwoordigheid van de Heere Jezus bij Zijn wederkomst en in de eeuwigheid (vers 22). Vervolgens roept hij de Kolossenzen op tot volharding in het geloof, omdat zij anders het gevaar lopen niet verheerlijkt te worden in de tegenwoordigheid van Christus en dus verloren gaan. Zo’n gedeelte roept om allerlei verschillende redenen vragen op. Kan een christen alsnog verloren gaan? Hoe moeten we dergelijke opdrachten interpreteren? Moeten wij bang zijn ons geloof en onze verlossing te verliezen? Of zijn christenen behouden, no matter what? Maakt het nog uit hoe een christen leeft? Is hij toch wel verzekerd van zijn verlossing, omdat Christus Zichzelf als Verzoening heeft gegeven?

In dispensationele kringen heersen over het algemeen drie opvattingen over deze vraag en de huiswerkopdracht bestond eruit om deze drie – kort en bondig geformuleerde – opvattingen te analyseren op grond van Kolossenzen 1:21-23. En deze opvattingen komen er allemaal op neer dat een christen zijn verlossing niet kan verliezen. Het verschil is echter dat er niet altijd overeenstemming is over de vraag hoe deze verlossing er praktisch uitziet. Verandert een christen in zijn leven? Gaat hij wel of geen geestelijke vruchten dragen? En wat gebeurt er als een christen zijn geloof verliest? Is hij dan nog steeds behouden, omdat hij ooit een keer wél geloofd heeft?
Laat ik maar meteen open kaart spelen: een christen kan mijns inziens en naar ik op grond van de Bijbel meen zijn verlossing niet verliezen. Wat wél kan, is dat een mens zijn geloof verliest. Maar omdat wij geloof en verlossing bijna als synoniemen interpreteren (“Ik geloof, dus ik ben behouden”) mensen wij dat iemand die zijn geloof verliest, ook meteen zijn zaligheid verloren is.
Op dit punt moeten we een interpretatiekeuze maken: óf een persoon die zijn geloof verliest is nooit echt tot verlossend geloof in Christus gekomen, óf Christus is niet bij machte Zijn kinderen tot het einde toe te bewaren. Om het in eigen woorden uit te drukken: de handen van Christus “lekken” in feite; mensen kunnen hier voortdurend uitvallen. Het proces van verlossing wordt dan een soort jongleerspel, waarbij iemand nu eens in Christus is, en dan weer buiten Hem. Het stellen van deze vragen is onvermijdelijk. Beide conclusies zijn aangrijpend. Want het is nogal wat als je zegt dat iemand – terugkijkend – niet echt tot geloof in Christus is gekomen. Maar het is minstens zo ernstig tot de conclusie te moeten komen dat Christus niet bij machte is Zijn kinderen tot het einde toe te bewaren.

Pijnlijke vragen: ga ze niet uit de weg!
Ik ben ervan overtuigd dat een christen zijn verlossing niet kan verliezen. Los van de vraag hoe wij het moeten interpreteren wanneer mensen hun geloof verliezen, kan ik in de Bijbel geen beslissende, duidelijke tekst vinden die expliciet verklaart dat iemand werkelijk zijn verlossing verliest. En als belangrijkste reden wil ik het Hogepriesterlijk gebed naar voren brengen. Het is bij het interpreteren van de Bijbel geen overbodige luxe om te kijken naar de implicaties die een door ons getrokken conclusie met zich meebrengen, en dan specifiek toegespitst op het karakter van God. Laten we dat ook hier doen. Wat zegt het over God als een christen zijn verlossing kwijt kan raken? Mijns inziens zegt het veel over Hem wat we eigenlijk helemaal niet wíllen en kúnnen geloven. Het zorgt voor grote problemen. Het is belangrijk om een conclusie op grond van een Bijbelgedeelte zó te formuleren die rechtdoet aan het algemene beeld dat God van Zichzelf geeft. Daarbij moet het Hem ook de eer en glorie geven. Een christen die alsnog verloren kan gaan, bevordert niet bepaald de eer en glorie van Gods heilige Naam.
En er is nóg een probleem. Als christenen tóch verloren gaan, dan moeten wij ons afvragen hoe effectief het Hogepriesterlijk gebed van de Heere Jezus in Johannes 17 werkelijk is. Hij bidt daar expliciet om de bewaring van Zijn gelovige volk! Wordt dat gebed niet verhoord? Dit zijn moeilijke vragen.

Wat wij zijn kwijtgeraakt
Deze vragen moeten worden beantwoord. Want, en dit is uiteindelijk het meest fundamentele aspect, we hebben te maken met mensen. We hebben het hier niet over een kraan die twee minuten te lang openstaat, zodat er meer water verbruikt wordt dan nodig. We hebben het hier over mensen, zielen, die een eeuwigheid voor zich hebben – een eeuwigheid met of zonder de heerlijke tegenwoordigheid van Christus.
Hoe gaan wij in het pastoraat om met mensen die weinig of geen kenmerken van wedergeboorte vertonen? Hoe gaan wij om met mensen die dreigen af te haken bij de kerkgemeenschap? Of wat zeggen we tegen mensen die in zonde vallen en zich niet willen bekeren? Al deze vragen komen naar boven wanneer wij nadenken over de vraag of een christen wel of niet zijn zaligheid kan verliezen.
Ik ben er ook heilig van overtuigd dat deze vragen spelen – en ook dat er verkeerde antwoorden op deze vragen worden gegeven – omdat wij iets essentieels zijn kwijtgeraakt. Wij weten bijna niet meer te vertellen wat de kenmerken van echte wedergeboorte zijn. Iedere “geloofsbelijdenis” die Christus als Verlosser en Heere prijst, wordt geaccepteerd en zonder Bijbels onderzoek voor waar aangenomen. Zo zien we de Bijbel zelf echter nooit omgaan met geloofsbelijdenissen van mensen. Wellicht heeft het er ook mee te maken dat wij in een geseculariseerde maatschappij leven, waarbij elke ziel die “Christus belijdt” er eentje is, en dus onmiddellijk wordt gerekend tot de kring van gelovigen. Maar zo eenvoudig is dat uiteindelijk niet. En de praktijk wijst dat ook uit, want een broeder die jarenlang Christus beleed als Verlosser en Heere, zegt nu vaarwel tegen het geloof. Was het maar zo eenvoudig om te ontdekken welke belijdenis oprecht is en welke niet! In de meeste gevallen zie je dit niet direct. Er gaat eerst een tijd overheen.

Ik wil de komende weken Johannes 17 bestuderen, het Hogepriesterlijk gebed. Dat kan ik helemaal gaan toespitsen op de vraag of een christen zijn zaligheid kan verliezen, maar dat ga ik niet doen. In plaats daarvan neem ik als uitgangspunt de vraag voor welke vrucht van geloof en verlossing de Heere Jezus Zelf heeft gebeden. Het Hogepriesterlijk gebed is een ontzettend kostbare schat voor de Kerk en zoveel rijker dan wij beseffen. Wellicht schopt het opvattingen omver die wij tot dusver koesterden, misschien bevestigt het ons juist in dat wat wij geloven. Laten we luisteren naar wat Christus Zelf heeft gevraagd aan Zijn hemelse Vader en laten we ontdekken op grond waarvan God dit gebed van Zijn Zoon verhoort!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief