SalvationInGod

zondag 3 juni 2018

Het hartelijke gevecht om Christus

De kern van de goede strijd

Vorig jaar fietste ik ’s middags zo rond een uur of vier met een collega uit mijn werk naar huis. We fietsten op het fietspad langs het industrieterrein van Alblasserdam. Ik waarschuwde mijn collega dat ik op een gegeven moment aan de linkerkant zou gaan fietsen, omdat ik die ochtend had gezien dat er aan de andere kant glas lag. En aangezien de te fietsen afstand zo’n kilometer of veertien bedraagt, leek een uitwijkactie mij de juiste oplossing. En terwijl wij daar – achter elkaar fietsend – het glas ontweken, hoorden we ineens het nodige gemopper en gevloek van iemand die achter ons reed (ja, dat komt helaas ook voor in de Alblasserwaard). Deze persoon was gehuld in wielrenuitrusting en werd door ons gehinderd. Het gevolg was dat hij snelheid moest minderen, en als wielrenner vind je dat niet zo leuk. Hevig verontwaardigd haalde hij ons in. Ik moest even op mij in laten werken wat er zojuist gebeurd was.
De gebeurtenis kreeg echter een verrassend vervolg. Terwijl mijn collega en ik verder fietsten, kwamen we een stukje verderop tot de ontdekking dat het gat tussen ons en de bewuste wielrenner niet groter werd. Sterker nog, het gat werd kleiner. Toen we het viaduct over de A15 naderden, vroeg mijn collega: “Zullen we hem inhalen?”
En zo, nog vóór we de eerstvolgende verkeerslichten hadden bereikt, haalden we de beste man in. De man die een aantal minuten daarvoor nog vloekend en tierend tegen ons tekeer was gegaan, omdat wij zijn vrije doorgang – en dus ook zijn snelheid – hinderden. Op het moment dat we zo iemand inhalen, heb ik inwendig de grootste lol, maar moet ik tijdens het inhalen echt mijn best doen mijn gezicht in de plooi te houden. De vraag is uiteindelijk: waarom maakt een wielrenner zich kwaad over het feit dat voorgangers hem in zijn snelheid hinderen, terwijl hij van zichzelf niet in staat blijkt te zijn méér snelheid te maken dan een gemiddelde fietser die uit zijn werk komt?

Van welke kant komt het gevaar?
Deze gebeurtenis kan in geestelijk opzicht op iedere christen worden toegepast. Net als die wielrenner kun je vastberaden overkomen; je bent fel en je bent ijverig. Alles wat je hindert moet aan de kant – immers, jij loopt op de weg die leidt naar de eeuwige heerlijkheid! Maar hoeveel mensen die belijden Christus te kennen, stranden uiteindelijk ook, net als die wielrenner? Ze worden uiteindelijk ingehaald door de vijanden die hen onderweg hinderen. Ze komen ten val. Ze halen de finish niet. Ze stranden halverwege. Links en rechts worden ze ingehaald. Ooit waren ze hevig verontwaardigd over de zonden van anderen. En nu rollen ze als varkens in de modder van dezelfde zonden.

Er zijn talloze redenen waarom belijdende christenen de finish niet halen. Mensen kunnen op duizend-en-één manieren ten val komen. De vraag is: waar ligt voor jou het grootste gevaar? Een Bijbels antwoord luidt: het grootste gevaar is de zonde. En dat klopt. Maar we moeten verder kijken. Welke zonde. En als we spreken over zonde, hebben we het dan over dat wat niet mag, of hebben we het over dat wat goed is, maar op de verkeerde manier gebruikt wordt?
Wie zichzelf serieus onder de loep neemt, komt er al vrij snel achter dat er onderhuids nog van alles broeit en groeit dat in wil gaan tegen het Evangelie. Soms ontdek je dingen die je niet verwacht. Je gaat zien dat hetgeen waarvan je altijd dacht dat het een heilig goed was, ook een duistere, destructieve kant kan hebben.

God voor mij of ik voor God?
Laat ik wat concreter worden. Ik heb de woorden van Paulus uit Romeinen 8:31 op mij in laten werken: “Als God voor ons, wie kan dan tegen ons zijn?” Het schokkende antwoord luidt: ikzelf.
Een volwassen mens in de Westerse samenleving is geconditioneerd om beloning te verdienen. Ik bewijs dat ik iets kan. Als ik een dienst verleen, dan word ik door het gezag dat over mij gesteld is beloond. Lever ik op school een behoorlijk tentamen in, dan krijg ik een voldoende. Verricht ik mijn werk goed, dan ontvang ik mijn salaris. Op zich is hier niets mis mee.
Kom je echter bij het Evangelie van Jezus Christus, dan moet je deze mentaliteit vergeten en van je afschudden. We zijn snel geneigd te denken dat God voor ons is, omdat wij onze diensten aan Hem verlenen. Romeinen 8:31 zegt echter wat anders. God is voor Zijn kinderen, omdat Hij Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard. Als God Christus heeft gegeven, mag ik erop vertrouwen dat Hij alles aan mij zal schenken wat nodig is voor mijn verlossing.
Zo vaak lijkt het echter alsof Gods voorzienige leiding in mijn leven juist het tegendeel lijkt te zijn van wat Paulus in Romeinen 8 schrijft. Ik weet nog wel wat dingen die ik goed kan gebruiken. En toch heeft God ze (nog) niet gegeven.
Hetzelfde geldt voor de gerechtigheid van Christus, die moet worden ontvangen door het geloof. Het staat haaks op de manier van werken in onze maatschappij. Soms denk ik dat de Farizeeër in mij dood is, maar op andere momenten merk ik dat hij springlevend is. Hij beweert dan dat ik zelf eerst met behoorlijke werken en motieven tot Christus moet komen om op grond daarvan Zijn gerechtigheid te kunnen ontvangen.
En soms word ik ongemerkt meegesleurd in de zorgen van het leven, alsof het ontvangen van de gerechtigheid van Christus niet het belangrijkste is. Dan probeer ik tevergeefs te bouwen aan mijn eigen, kleine paradijsje op aarde. En elke keer wanneer ik ervaar dat wordt afgebroken wat ik heb opgebouwd, voelt het leven zinloos. Nog zo’n Westers karaktertrekje. Onze reactie op God voorzienig handelen met ons leven verraad veel van ons hart. Ze legt bloot waar onze schat is.

Het Evangelie: één belang, vele belemmeringen
Wat ik kort heb proberen te omschrijven, is het gevecht waartoe het Evangelie mij, ons oproept. Om jezelf vast te klampen aan de ene Bron van gerechtigheid – Jezus Christus – door al het andere los te laten. En dat wat jij niet los wilt laten om Christus te winnen, is een belemmering. Het is een bedreiging. En soms zijn het juist de goede dingen die een belemmering vormen voor het beste. Wat ik bedoel, is dat zelfs een christelijke bediening – het werk in Gods Koninkrijk – of goede werken door de Heilige Geest een belemmering kunnen vormen jezelf geheel en al aan Christus over te geven. God test ons. En zijn vraag luidt: heb je de gerechtigheid van Christus méér lief, méér nodig dan dat waarvan jij denkt dat jij het zo hard nodig hebt? Het antwoord is veelzeggend.
Ik sta ervan versteld hoe gemakkelijk christenen voorbij lijken te lopen aan het feit dat gedurende ons (geestelijk) leven allerlei belemmeringen op ons pad komen, die tot onze eeuwige ondergang kunnen leiden. We doen net alsof het komen tot Christus vele belemmeringen kent, en dat het wandelen met Christus als een wandeling in grazige weiden en langs stille wateren is.
Ik wil niet zijn als die wielrenner. Ik wil de race van het geloof volbrengen. Ik wil de finish halen. Ik wil aan het einde niet moeten constateren dat ik ben ingehaald door de belemmeringen die ik onderweg uitgekafferd en uitgescholden heb. Ik wil Christus kennen, en de kracht van Zijn opstanding. Ik wil Hém winnen. Maar om Hem te winnen, moet ik al het andere loslaten. En dat is juist de strijd. Niet alleen het loslaten van dat wat fout is, maar ook van datgene wat goed is. Omdat Christus en Zijn gerechtigheid het Beste is.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief