SalvationInGod

donderdag 19 juni 2014

Terugkijkend vooruitzien: de levende hoop op God

Psalm 42 en 43 getuigen van een geweldig geloof. Allereerst lezen we een hartsverlangen:

“Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?”

De omstandigheden waarin dit verlangen wordt uitgeschreeuwd zijn echter aangrijpend. We lezen namelijk niet alleen van een hartsverlangen, maar ook van een hartverscheurend verdriet. Verschillende vormen van lijden komen hier samen.
De psalmist heeft vijanden. Hij wordt getreiterd. Gehoond. Bespot. Ze kwellen hem met de vraag: “Waar is uw God?”

Huichelaars! Bedriegers!
Als we de hele Psalm lezen, zien we dat de psalmist het gevoel heeft dat God hem verlaten lijkt te hebben. Het verdriet van Godverlatenheid is duidelijk zichtbaar in vers 10. Hier bovenop komt het lijden dat hij moet ondervinden door toedoen van zijn vijanden. Wat hij in vers 5 schrijft, is ronduit stuitend:

“Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit;
hoe ik meeging in de stoet
en met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lofliederen;
een feestvierende menigte.”

Wat een tragisch gebeuren! Deze vijanden zijn niet zomaar vijanden. Deze vijanden zijn de ‘zij’ van vers 4 en de ‘hen’ van vers 5. Deze vijanden zijn treffend te karakteriseren: huichelaars, afvalligen. Dit zijn mensen die ooit met de psalmist hebben opgetrokken naar het huis van God, met vrolijk gezang en feestvierend.

Dat was toen. Ooit.

Nu liggen de verhoudingen totaal anders. De feestvierende menigte, zingend op weg naar Gods huis, heeft zich tegen de psalmist gekeerd. Ze hebben God vaarwel gezegd.
Deze constatering verzwaart het verdriet van de psalmist. Het is onvoorstelbaar. Niet alleen wordt hij geteisterd door een gevoel van Godverlatenheid, maar ook de mensen die ooit met hem God loofden hebben hem vaarwel gezegd. Ze verachten hem. Ze hebben leedvermaak. De mensen die ooit God loofden, vragen nu treiterend: “Waar is jouw God nu eigenlijk?” En eigenlijk ligt hun antwoord er al in: “Stop nu maar, Hij is toch nergens.” Dat kenmerkt immers hun gehele houding: zij hebben God verlaten.

Gelovig toespreken
Dan roept de psalmist zichzelf echter tot de orde. In vers 6 vraagt hij zichzelf af:

“Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.”

Dit is een geweldig gefundeerd geloof! Midden in het bittere verdriet van Godverlatenheid en vriendverlatenheid roept hij zichzelf op om te vertrouwen op God. Het is indrukwekkend te lezen dat hij zo verzekerd is in zijn woorden: “Hoop op God, want ik zal Hem weer loven…” Met andere woorden: God gáát redden. Hij laat het er niet bij zitten.
Maar hoe werkt dit? Hoe werkt het geloof, de hoop op God in omstandigheden dat je Zijn nabijheid niet ervaart?
We lezen vers 7:

“Mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij,
daarom denk ik aan U
vanuit het land van de Jordaan en het Hermongebergte,
vanuit het laaggebergte.”

Hoe spreekt de psalmist hier zichzelf toe? Denk aan God! Hoop op God! Denken en hopen gaan hier hand in hand. Maar hoe werkt dit dan?
Denken aan God klinkt abstract. Maar de psalmist heeft hier onmiskenbaar twee dingen in gedachten: Gods wezen en Gods grote daden. Tot deze conclusie kom ik door het lezen van vers 9:

“Maar de Heere zal overdag Zijn goedertierenheid
gebieden;
’s nachts zal Zijn lied bij mij zijn,
Een gebed tot de God van mijn leven.”

Een gelovige wandelt met God. Hij weet wat het is om op God te vertrouwen. Hij weet hoe God is. Hij kent Hem. En wat de psalmist hier in feite doet, is terugkijken naar de geweldige werken die God heeft gedaan in het verleden. Met andere woorden: de oproep om te denken aan God, te hopen op God, betekent het zien op Gods werk in het verleden, met de erkenning dat Hij onveranderlijk is, zodat het zeker is dat Hij opnieuw zal redden.
Ook al ervaar ik Gods nabijheid nu niet, ik zie Zijn grote daden in het verleden en ben er zeker van dat Hij niet zal veranderen. Met andere woorden: als God mij toen gered heeft, zal Hij dat opnieuw doen. Het ontroerende aan vers 9 is dat de psalmist zijn verdriet omvormt tot een gebed en pleit op Gods wezen: “Heere, U bént goedertieren, U bént trouw, bewijs het ook nu! Maak ook nú Uw Naam waar!”

Hier zien we een geweldige werking van het geloof: Gods werk in het verleden wordt verbonden met Zijn onveranderlijke Wezen, zodat de hoop op God Zelf gefundeerd en onwankelbaar kan zijn voor de toekomst.
Als je dit met je handen zou uitbeelden, kun je dit doen in de vorm van een kruis: je linkerhand staat voor het verleden, je rechterhand voor Gods onveranderlijkheid. Beide handen houd je plat. Beide worden aan elkaar verbonden door de verticale beweging, waarin dit moment wordt uitgebeeld. Dus nu mag ik, door het terugzien op Gods geweldige werken in het verleden, de garantie hebben dat Hij in de toekomst net zo geweldig zal werken als toen.

Niet slechts objectieve beloften en feiten
Het is indrukwekkend om als christen terug te kijken naar het leven dat achter je ligt. De ervaring – bevinding – is onmisbaar. Gods beloften moeten tastbaar worden in ons leven. Zijn woorden moeten vlees worden. Wat Hij belooft, zal Hij doen. Gods beloften worden kostbaarder en heerlijker wanneer Hij ze uitwerkt in ons leven.
We moeten ervaren dat Gods beloften niet puur objectief gegeven zijn, maar dat Hij werkt in ons leven. Zo groeien ons vertrouwen en hoop op Hem.
Dit baseer ik op de woorden van vers 4. Terwijl wij in deze wereld zijn, is het mogelijk dat we momenten of perioden ervaren waarin God afwezig lijkt te zijn. En we moeten leren hoe we hiermee om kunnen gaan. God geeft hier één groot, machtig wapen in handen: Zijn werk in het verleden. Anders gezegd: de beloften die Hij toen heeft waargemaakt. Zijn Woord dat toen in ons leven vervuld is.
In de 26 jaar die ik hier nu ben, heeft God ontzettend veel grote daden verricht. Ze zijn ontelbaar! De zegeningen zijn niet te tellen. Van de kleinste details tot de grootste ‘vanzelfsprekendheden’. Maar wat als er nu een periode van duisternis aanbreekt? Dat het lijkt alsof God mij verlaten heeft?

“Robert, weet je nog… toen… en toen… en toen… en toen… en toen… en toen is de Heere zó nabij geweest, heeft Hij voorzien, voor je gezorgd, je gered, bevrijdt en geholpen! Weet je nog?”

Ja. Ja, ik weet het nog! Zó zal ik aan Hem denken en Hem weer loven wanneer Hij verlossing schenkt!

Zo wil dat God wij ons verzadigen met Hemzelf, ook wanneer Hij Zijn aangezicht voor ons verbergt of Hij niet nabij lijkt.

Psalm 43: het pelgrimsuitzicht
Psalm 43 gaat verder en biedt ons een breder perspectief. En ook hier zien we een ontroerend beeld van het geloof. De psalmist zegt tegen de Heere dat hij bij Hem schuilt. Het punt is alleen… de schuilplaats heeft hem verworpen. Eigenlijk schuilt hij dus waar hij op dit moment niet lijkt te kúnnen schuilen. En toch doet hij het! Dat is geloof.
Dit beeld toont de jacht op God. De psalmist jáágt op God. Hij wil boven alles in Gods aanwezigheid zijn. Zo komen we terug bij het begin van Psalm 42. Ook al lijkt het alsof God hem verlaten heeft, alsof God niet aanwezig is, hij blijft naar Zijn Verlosser verlangen.
Daarom bidt hij in vers 3 om Gods licht en waarheid. Hij wil dat God Zelf verschijnt als het Licht en de Waarheid in zijn duisternis.
Hij wil dat God hem Zelf zal leiden naar Zijn heilige berg, het huis waar Hij woont. Gods kinderen zijn pelgrims. Ooit verkeerden zij in duisternis, leefden zij zonder God. Maar nu is Hij in hun leven gekomen en brengt hen veilig thuis. Hij zal Zijn kinderen veilig in Zijn huis brengen.
Daar is het de psalmist allemaal om te doen. Hij wil Gods huis binnengaan en bij Zijn altaar de lof brengen. Het doet denken aan Davids woorden in Psalm 26:8, waar hij zijn liefde voor Gods huis beschrijft, omdat dat de “woonplaats van Uw eer” [glorie, heerlijkheid] is.

Het zijn de zoete momenten in dit leven, als God Zijn kinderen leidt, Zijn werken toont en Zijn beloften vlees doet worden. Hij redt ze. Hij verlost ze. Hij leidt ze. Hij schijnt in hun leven. Het zijn díe momenten, dat het kind van God zo dierbaar en tastbaar mag weten dat hij geleid wordt naar Gods huis. En als hij daar eenmaal binnen is gegaan, zal zijn mond vol zijn van Gods machtige daden. Maar ook nu al. Terugkijkend vooruitgaan. Dat is de hoop op God.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief