SalvationInGod

vrijdag 23 mei 2014

Gerechtigheid, nadenken en scherpe nuances

In mijn overdenking van Psalm 18 kwam ik een gedeelte tegen dat eens te meer benadrukt hoezeer scherp en genuanceerd leren denken noodzakelijk is voor het behandelen van Gods Woord. In het proces van redding bestaat een spanningsveld tussen gerechtigheid in ons eigen leven en Christus’ gerechtigheid. Het tekstgedeelte waar ik op doel, is Psalm 18:26-29:

Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte man oprecht.
Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.

Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
Want Ú doet mijn lamp schijnen, HEERE;
mijn God doet mijn duisternis opklaren.

Algemene observaties
Het is echter goed om eerst in te gaan op de bredere context van de Psalmen als geheel. Wie Psalm 1-17 heeft gelezen, zal beamen dat er een opvallend en niet te ontkennen nadruk ligt op het thema “gerechtigheid.” Verreweg de meeste van deze Psalmen zijn geschreven door David, en zijn tastbare bewijzen van de worstelingen die hij heeft doorgemaakt in zijn wandel met de Heere. Hij schrijft over vijanden, zijn oprechte wandel, Gods goedertierenheid, trouw, standvastige liefde en toorn.
Het opvallende aan deze Psalmen is echter dat David een vertrouwen en zekerheid laat zien met betrekking zijn gerechtigheid. Meerdere keren bepleit hij zijn onschuld, bidt hij God om verlossing van zijn vijanden en beschrijft hij een liefde voor God die boven het leven zelf uitstijgt. Het Godsbeeld dat David had, kan in sommige gevallen zelfs schokkend zijn voor ons. Enkele voorbeelden:

• God laat geen zondaar bij Zich wonen (Psalm 5)
• God haat allen die ongerechtigheid bedrijven (Psalm 5)
• God zal de goddeloze uiteindelijk vernietigen (Psalm 9)
• God toetst en oordeelt Zijn kinderen naar hun gerechtigheid (Psalm 18)

Hoe kan David zó scherp zijn in zijn woorden? God is toch immers liefde? Hij heeft toch “de wereld zo lief gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft”?
De reden dat David – geïnspireerd door de Heilige Geest – zo scherp over God schrijft, heeft één reden: Gods eigen maatstaf. Wij lopen het gevaar om de liefde van God uit te hollen en dermate te vervlakken, dat het de normaalste zaak van de wereld is dat Hij alles en iedereen automatisch liefheeft; daarbij staan we er haast nog van verbazing bij te kijken als we zien dat Hij in gerechtigheid oordeelt.
Dat het thema “gerechtigheid” als een rode draad door de Psalmen loopt, moet ons aan het denken zetten. De conclusie is radicaal, namelijk: God heeft gerechtigheid méér lief dan een mensenleven. Wie het tegenovergestelde beweert (“God heeft een mensenleven méér lief dan gerechtigheid”), komt op het pad van de alverzoening. Wie dit leert, begrijpt God niet; hij dwingt God afstand te doen van de gerechtigheid waar Hij zoveel liefde voor heeft. Sterker nog: zo iemand dwingt God afstand te doen van Zichzelf! En dat zal Hij nooit doen.

De vraag naar gerechtigheid is urgent
Gerechtigheid is één van de sleutelbegrippen in de Bijbel, zowel in het Oude Testament als in het Evangelie. Gerechtigheid wordt altijd betrokken op de Persoon van God. God en gerechtigheid kunnen onmogelijk van elkaar gescheiden worden, omdat gerechtigheid voortkomt uit het karakter van God.
Wij hebben echter een probleem. Wij voldoen niet aan de maatstaven van Gods gerechtigheid. God laat, zoals we net hebben gezien, geen zondaar bij Hemzelf wonen. Dat noemt de nodige vragen op. Als niemand voldoet aan Gods maatstaf voor gerechtigheid, en als God niemand bij Hem laat wonen die ongerechtigheid heeft, wie kan dan wél bij Hem wonen? Dit is de vraag die David stelt in Psalm 15. En nu komen we ook bij het tekstgedeelte uit Psalm 18.
Wie mag bij God wonen? Wie zal God, ondanks ongerechtigheid, redden?
De antwoorden die David op deze vragen geeft, zetten ons zo mogelijk nog méér aan het denken. Hij wijst namelijk op de gerechtigheid… die de gelovige zelf in zijn leven laat zien!
Dit is nog een probleem. Leert de Bijbel immers niet dat de goddeloze “om niet wordt gerechtvaardigd”, door het geloof in Jezus Christus? Hoe kan David hier dan wijzen op de gerechtigheid in het leven van de gelovige?
Eén oplossing voor dit ‘probleem’ lijkt te worden gevonden door het creëren van een scherpe tegenstelling tussen Oude Testament en Nieuwe Testament. Eigen gerechtigheid is zogenaamd de kern van het Oude Testament en in het Nieuwe Testament wordt ons duidelijk gemaakt dat dit eigenlijk niet kan. Vandaar het radicale onderscheid tussen Wet en Evangelie.
Dit lost het ‘probleem’ echter niet op. In het Nieuwe Testament redeneert Jezus namelijk op dezelfde manier als David in Psalm 18:26-29. Bijvoorbeeld in Mattheüs 6:14:

Want als u de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader u ook vergeven.
Maar als u de mensen hun overtredingen niet vergeeft, zal uw Vader uw overtredingen ook niet vergeven.

Jakobus schrijft zelfs letterlijk dat “barmhartigheid roemt tegen het oordeel” (Jakobus 2:13). Het probleem waar we hier dus mee te maken hebben, is er eentje van nuance en nadenken. Hoe kunnen we er enerzijds voor zorgen dat we niet uitkomen bij de conclusie dat we ergens toch gerechtvaardigd worden door eigen werken en tegelijkertijd de gedachte vermijden dat onze levenswandel niets uitmaakt in het proces van redding? Beide gedachten zijn Bijbels gezien onjuist, zowel volgens het Oude als Nieuwe Testament.
Wat bedoelt David wanneer hij zegt dat God Zichzelf barmhartig zal tonen aan hen die barmhartig zijn? Het kan niet betekenen dat God met gelijke munt terugbetaalt, want dan is het inderdaad redding door werken.
En waarom zegt Jezus dat wijzelf niet vergeven zullen worden als wij anderen niet vergeven? Als je deelhebt aan Christus, ben je toch vergeven? Is het vergeven van anderen een voorwaarde om zelf vergeven te blijven? Hangt mijn eeuwige leven af van mijn vergevingsgezindheid?

Hier is mijn poging om het ‘probleem’ op te lossen. Logisch beredeneerd zien we dat onze werken enerzijds niets, en anderzijds alles met onze redding te maken hebben. Ik geloof niet dat de oplossing ligt in het opdelen van de Schrift. We hebben gezien dat Jezus’ denken volledig in lijn is met de woorden van David en Hij heeft Zelf gezegd dat “Mijn woorden nimmer zullen vergaan” (Mattheüs 24:35). Daarom kan ik gewoonweg niet geloven dat Jezus Zijn woorden uitsprak ten aanzien van een specifieke ‘bedeling’ waar onze tijd, op dit moment, niet onder valt. Er moet een andere verklaring zijn.
Ik geloof dat deze verklaring alles te maken heeft met Gods handelwijze in de verlossing van zondaren. Wanneer de zondaar tot God gaat, heeft hij inderdaad geen enkel werk om in te roemen. God ontvangt hem in Zijn barmhartigheid en liefde. Ook dit schrijft David al in Psalm 5 en 6. Maar waarom zegt God in Zijn Woord dat Hij barmhartigheid zal tonen aan de barmhartigen? En dat Hij Zich smetteloos zal tonen aan de smetteloze mensen? Welk mens kan nu zeggen dat hij smetteloos is?
Wanneer ik Gods beschrijving van de verlossing in de Bijbel zie, ontdek ik een machtig en kostbaar werk van Zijn Geest. Zou het niet zo kunnen zijn, dat God elke zondaar uit genade, uit ontfermende barmhartigheid en liefde ontvangt en vanaf dát moment aan het werk is in die persoon om hem barmhartig en liefdevol te maken, zodat Hij aan het einde van diens leven en bij het oordeel met recht kan zeggen: “Kijk, Ik heb deze zondaar uit genade ontvangen, en heb Mijn beeld in Hem gevormd. Ja, ik heb zó in Hem gewerkt, dat hij hier nu als een barmhartig, nederig en liefdevol persoon voor Mij staat, zodat Ik met vreugde tegen hem kan zeggen: ‘Aan de barmhartigen zal Ik Mijn barmhartigheid tonen; jou red Ik! Kom binnen in Mijn Koninkrijk!”’ Ik geloof oprecht dat dit zo is. Daarom doet elke dag ertoe in het leven van mensen. Elke dag is een stap dichterbij de eeuwigheid, en dus dichterbij Gods oordeel. En dáár zal blijken wat Hij in ons leven heeft gedaan. En dit alles door het kruis van Christus en Zijn Heilige Geest.

Wanneer iemand dus vraagt of onze werken belangrijk zijn in het proces van verlossing, zegt ik: nee én ja! Ik geloof dat God het serieus meent wanneer Hij zegt dat Hij de nederige zal verhogen en de hoogmoedige zal vernederen.
Hoe kan David zeggen dat de Heere met hem gehandeld heeft overeenkomstig de gerechtigheid in zijn eigen leven? Schrikken we nog als we horen dat God de nederige verhoogt? En dat Hij niemand zal vergeven die anderen niet wil vergeven? En dat Hij waarschuwt dat wij zullen zaaien wat wij hebben geoogst? Of zijn we zo “nederig” dat we dit wel weten en gaan wij er automatisch vanuit dat wij die nederigen zijn?
Gods Woord geeft overvloedige karakterschetsen van degenen die Hij redt, net zoals Hij het karakter van de goddeloze toont. In die zin maakt de levenswandel van elk mens wel degelijk uit! Dit is een wonderlijke waarheid: God vervult Zelf de voorwaarden die Hij aan ons stelt. God zal zó machtig, zó groots en zó heerlijk in ons werken, dat Hij aan het einde van deze eeuw met recht kan zeggen: “Ik verhoog de nederige; Ik vergeef degene die anderen vergeven heeft; Ik toon Mijn barmhartigheid aan hem die barmhartigheid heeft bewezen.” Daarom is het enerzijds geen verdienste van de mens, en anderzijds een geldige grond voor God om hem in Zijn eeuwige heerlijkheid toe te laten.

Denk, denk, denk en… nuanceer scherp
Het is goed, gezond en verdiepend om door te dringen in de betekenis van Bijbelteksten.
Ik zal de wijsheid van A.W. Pink niet snel vergeten, dat “geen enkel Bijbelvers zijn betekenis prijsgeeft aan luie mensen” (Een Waar Geloof, bladzijde 63). Maar al te vaak denken we schijnbare tegenstrijdigheden in de Bijbel op te kunnen lossen door te stellen dat bepaalde gedeelten “gewoon” niets met elkaar te maken hebben. Het is gezond om te worstelen met teksten die op het eerste gezicht een probleem lijken te vormen.
Grondig nadenken over Bijbelteksten zal ook tot een rijk Godsbeeld leiden. God is niet simpel te verklaren. Zijn wijsheid is oneindig diep. We hebben al moeite om datgene te begrijpen wat Hij wel heeft geopenbaard, laat staan dat we zouden kunnen doorgronden wat Hij niet heeft geopenbaard. Wie met deze houding zijn Bijbel leest, bestudeert en onderzoekt, zal de tekst met voorzichtigheid benaderen. Hij weet dat hij niet te snel conclusies kan trekken en dat hij nauwkeurig moet onderzoeken hoe teksten in het bredere verband van de Schrift geïnterpreteerd moeten worden. En dan zal hij erachter komen dat het Oude en Nieuwe Testament een sublieme, volmaakte, verbluffende, heerlijke en goddelijke eenheid vormen, die naadloos op elkaar aansluiten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief