SalvationInGod

vrijdag 7 september 2012

De heerlijkheid van Christus [11] ‘Vader, Ik bid voor hen…’

Lezen: Lucas 22:31-34; Johannes 17; 21:15-19; Hebreeën 7:11-28; 9:11-28; 1 Johannes 1:5-2:2; Openbaring 12:10-12

Het vorige blog eindigde met de heerlijke wetenschap dat allen die in Jezus geloven, eeuwig zijn geborgen in Zijn hand. De goede herder zal geen van Zijn schapen verloren laten gaan. Dit brengt ons bij Christus’ hogepriesterlijke ambt. Hij is vandaag nog steeds de herder en hoeder van Zijn schapen. Hij is niet minder betrokken bij het leven van Zijn volgelingen; zij gaan Hem ter harte. We zullen ontdekken hoe Jezus het leven van de gelovigen – en daarmee ook het eeuwige heil – van begin tot eind Zelf in handen heeft. We moeten hier zowel extreem activisme als passiviteit vermijden, die tot ongebalanceerde situaties kunnen leiden. Want als Jezus het leven van de gelovigen in Zijn hand houdt en hen veilig naar Gods eeuwige heerlijkheid in Zijn Koninkrijk zal leiden, welke verantwoordelijkheid heeft de gelovige dan? Wat gebeurt er als de gelovige zondigt? En wat is het uiteindelijke doel van de christen en christelijke kerk in deze wereld? Wat betekent het dat Christus onze Hogepriester is?

De vaste grond
Laten we allereerst kijken naar de reden waarom alleen Christus onze perfecte Hogepriester kan zijn, alvorens te bestuderen hoe Hij deze taak vervult. De brief aan de Hebreeën spreekt als geen ander Nieuw Testamentisch boek over Jezus’ unieke, Hogepriesterlijke ambt. In hoofdstuk 2:5-18 vinden wij een beknopte heilsleer. In vers 10 staat dat het Gods welbehagen is geweest, dat Zijn Zoon door lijden heen vele zonen tot heerlijkheid zou brengen. De vele zonen zijn mensen, die onder de engelen gesteld zijn en daarom staat er ook geschreven, dat Jezus tijdelijk onder de engelen is gesteld. Hij moest komen in de gestalte van het type schepsel dat Hij verlossen zou: ‘Daar nu de kinderen aan vlees en bloed deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen…’ (vers 14). Zoals wij eerder hebben gezien, heeft Jezus Zijn hemelse heerlijkheid niet krampachtig vast willen houden. Hij is als mens naar de aarde gekomen. In vers 9 staat dat God de Zoon gekomen is als mens – om te sterven. Het doel van Zijn leven was Zijn dood. Het is Zijn dood die vele mensen tot heerlijkheid zullen brengen. Zijn dood was een gewelddadige dood aan het kruis van Golgotha. Er gebeurde in die drie uur meer dan de omstanders zich bewust waren. Met het fysieke oog zag men een Man fysiek lijden, worstelen met de dood – en uiteindelijk sterven. Maar het geestelijke oog ziet meer. Christus is volgens Hebreeën 9:11 en 12 met Zijn eigen bloed de hemelse tabernakel binnengegaan, om zo een eeuwige verlossing te verwerven voor het mensdom. Hij heeft verzoening gebracht voor de zonde van de hele wereld – niet voor Zijn eigen zonde, want die heeft Hij niet. Daarom is Hij de geschikte Middelaar van het Nieuwe Verbond. Elk jaar moest de hogepriester met het bloed van een lam verzoening brengen voor zowel zijn eigen zonden als die van het volk. Maar Jezus Christus is éénmaal verschenen om Zelf als Lam Gods het offer voor de zonden te brengen. Leviticus 17:11 zegt: ‘zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving’. Jezus is dus omwille van ons met Zijn bloed de hemelen doorgegaan, om voor het aangezicht van God te verschijnen. Deze offerande – Zijn bloed – is de vaste grond waarop Zijn Hogepriesterlijk ambt is gefundeerd.

Hij kan volkomen behouden!
Laten we nu een stap verder gaan. Jezus is door Zijn offer borg geworden van een beter verbond. Omdat Hij de Zoon van God is en eeuwig leeft, heeft Hij een eeuwig priesterschap dat niet kan overgaan op iemand anders. Hij is onschuldig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren (dat betekent: Hij heeft geen zonde) en boven de hemelen verheven. Daarom kan Hij alle mensen, die door Hem tot God gaan, volkomen zalig maken. Dit betekent niet alleen dat gelovigen door het geloof in Hem rechtvaardig worden verklaard, maar dat Hij hen gedurende het verdere leven heiligt, tot Hij hen thuishaalt in heerlijkheid. Deze heiliging omvat bewaring en bescherming voor de boze, die de gelovige wil verslinden. Door Zijn menswording kan Christus meevoelen met mensen. Hij is in alle dingen verzocht, gelijk wij worden verzocht. Als de gelovige wordt verzocht tot zonde, of in geestelijke benauwdheid terechtkomt, heeft hij de Rechtvaardige aan zijn zijde die Zich kan inleven en meevoelen met diens zwakte. En de toegang tot Hem, door gebed, mag in alle vrijmoedigheid gezocht worden. Hij zal door genade en barmhartigheid worden gesterkt, want dat zijn de heerlijke namen van Christus’ troon. Gebed is een wezenlijk onderdeel van het geloofsleven. Ook Jezus heeft gedurende Zijn leven op aarde gebeden. In Johannes 17 lezen we Zijn Hogepriesterlijk gebed. De reden dat gebed Hogepriesterlijk gebed genoemd wordt, ligt opgesloten in de inhoud.
Het is een gebed voor alle mensen, die door de Vader aan de Zoon zijn gegeven. Jezus weet op dat moment dat Hij spoedig gevangen zal worden genomen en bidt om Zijn verheerlijking; Hij heeft de Vader verheerlijkt door het werk te volbrengen, dat Hem is opgedragen. Hij heeft van God macht ontvangen over alle mensen – om hen het eeuwige leven te schenken: de enige, waarachtige God kennen en Jezus Christus, die Hij gezonden heeft – God aanschouwen in heerlijkheid en hier voor eeuwig vreugde in vinden! Jezus heeft de naam van God bekendgemaakt aan hen, die de Vader aan de Zoon heeft toevertrouwd. Deze mensen hebben het getuigenis van Christus geloofd en in waarheid erkend. Het getuigenis verkondigt, dat Jezus van de Vader is gezonden en dat de zijnen Zijn heerlijkheid hebben gezien, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders (Johannes 1:14). Jezus bidt uitdrukkelijk voor de mensen die dit getuigenis hebben aangenomen; Hij bidt niet voor de wereld, die dit getuigenis verwerpt en doorgaat met het zoeken van eigen ‘heerlijkheid’. Hij draagt de gelovigen op aan God en bidt in Zijn naam om bewaring voor alle gevaren die op hen af zullen komen in de wereld. Hij heeft Zijn discipelen Zelf bewaard in de naam van Zijn Vader en over hen gewaakt. Hierdoor is niemand verloren gegaan, behalve de zoon des verderfs, Judas Iskariot – opdat de Schrift vervuld zou worden. Hij bidt dat de gelovigen dezelfde blijdschap mogen hebben die in Hemzelf is en dat deze blijdschap onverwoestbaar is, gedurende de tijd op aarde. Want de wereld haat hen en de boze doet verwoede pogingen deze blijdschap te vernietigen. En wat is deze blijdschap? De algenoegzame vreugde in het aanschouwen van de glorie van de Here Jezus! De Heiland bidt expliciet dat al Zijn kinderen Zijn glorie zouden aanschouwen – meer nog: dat zij bij Hem in Zijn heerlijkheid zullen zijn (vers 24)! Het leven in deze wereld is voor de christen een pelgrimstocht en zijn eindbestemming is Gods Koninkrijk, waar Zijn glorie zal schitteren. Wij hebben hier ‘geen blijvende stad’ (Hebreeën 13:14). De wereld is een gevallen, duister oord dat overwonnen dient te worden. Jezus heeft gebeden dat Zijn kinderen bewaard worden voor de boze, die de blijdschap van de gelovige probeert te vernietigen – de blijdschap die voorkomt uit het hebben gesmaakt dat de Here goed is (1 Petrus 2:3). Het is deze blijdschap en zalige vreugde die christenen werkelijk één maakt. Dit is de reden dat de christen na zijn bekering in de wereld blijft. Het is de taak waartoe de christelijke gemeente is geroepen. De vreugde in het aanschouwen van de glorie van Jezus is ons getuigenis naar de wereld toe, opdat de wereld erkent dat Jezus werkelijk door God in deze wereld gezonden is. Als wij ons hart laten verwarmen door deze vreugde, zullen wij elkaar hartelijk liefhebben. Wij zullen voor elkaars ogen de heerlijkheid van Christus schilderen vanuit de Schrift; zo zal de wereld weten dat wij elkaar liefhebben, zoals de Vader de Zoon en de gelovigen heeft liefgehad. Er is geen grotere liefde dan de liefde die ons de heerlijkheid van God laat zien! Het geloof dat zich richt op en verheugt in de heerlijkheid van Christus zal de wereld overwinnen (1 Johannes 5:4; Openbaring 12:11). Misschien ben je na vele jaren ontmoedigd geraakt, of worstel je met de vraag waarom God de christen niet bij de wedergeboorte onmiddellijk opneemt in heerlijkheid. Het kan zijn dat je de verleidingen van de huidige tijd verzucht, omdat deze niet zijn te vergelijken met de tijd van de middeleeuwen. Waarom is de weg achter Christus aan in deze wereld moeilijk en vol beproevingen? Hierom:

‘Opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus. Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen.’
(1 Petrus 1:7-9)

Verzoekingen en beproevingen zijn aan de ene kant dus een serieuze poging om onze ziel te beroven van het heerlijke zicht op Jezus, anderzijds zijn het de momenten van verzoeking waarin ons geloof echt blijkt, doordat wij blijven vechten om vreugde in onze Heiland alleen te vinden.

‘Ik heb gebeden, dat uw geloof niet ophoudt…’
Het is dit geloof, waar de boze furieus zijn pijlen op richt en probeert te vernietigen. Hij wil de blik op Christus’ heerlijkheid wegnemen, de gelovigen frustreren en ontmoedigen, door de ultieme zielsvreugde in de Heer aan te vallen. In Lucas 22:31-34 lezen we hoe Jezus de apostel Petrus waarschuwt voor pogingen van satan om zijn geloof te vernietigen:

‘Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen. En hij zeide tot Hem: Here, met U ben ik bereid ook gevangenis en dood in te gaan! Maar Hij zeide: Ik zeg u Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult geloochend hebben, dat gij Mij kent.’

Er zitten een drietal observaties in, die praktisch van aard zijn:

1. Satan wil de gelovige ziften
De volgelingen van Jezus hebben hun ultieme vreugde gevonden in het aanschouwen van de heerlijkheid van hun Heiland. Deze vreugde wordt beconcurreerd door ‘vreugde’ die satan aanbiedt in allerlei vormen van werelds en zondig genot; hij probeert de enige, ware, zalige vreugde te vernietigen door het opwerpen van duizend en één substitutievreugden. Het doel van dit alles is dat de schapen worden weggelokt bij de goede herder en dat zij zover afdwalen en zozeer verstrikt raken in zonde, zodat de goede herder Zijn schaap dood terugvindt en het voorgoed kwijt is. De christen wordt iedere dag aan dit gevaar blootgesteld en het moet zeker niet onderschat worden. Als Jezus tegen Petrus zegt, dat satan verlangd heeft hem te ziften als de tarwe, dan bedoelt Hij dat satan heeft begeerd de vreugde van de apostel in het aanschouwen van Christus’ heerlijkheid te vernietigen door bedreven zonde. Zodoende hoopt de gevallen engel dat Petrus niet meer de moed heeft terug te keren tot Christus en zichzelf, net als Judas, van het leven te berooft om voor eeuwig verloren te gaan. Daarom is het de grote vraag waarin wij onze vreugde zoeken. Er zijn veel verschillen tussen het leven van een gelovige en dat van een ongelovige te benoemen, maar er is één gemeenschappelijk element: in beide levens draait het om vreugde en aan de levensstijl is af te lezen waar men vreugde in zoekt en gevonden heeft. Als satan mensen zover krijgt geen vreugde meer te zoeken in het leven, proberen ze het te zoeken in de dood. Daarom moeten wij onszelf de vraag stellen, wat onze vreugde is. Hebben wij vreugde in de zonde – met de dood tot gevolg (Romeinen 6:23; 8:13) – of hebben wij vreugde in de Here?

2. Christus bidt dat het geloof van Zijn volgelingen niet bezwijkt
Jezus zorgt ervoor dat Zijn kinderen niet verslonden worden door de boze en sterven in hun zonde. Hij bidt, dat het geloof van de Zijnen niet bezwijkt. Als we het geloof van Gods kinderen verbinden met vreugde vinden in de heerlijkheid van Christus, raken we het hart van de gedachte die Jezus uitdrukt in het woord dat Hij in vers 32 tot Petrus spreekt. Ja, satan zal proberen onze ziel vreugden aan te smeren die de vreugde in Christus moeten vervangen en uiteindelijk helemaal moeten vernietigen, maar Jezus staat er Zelf borg voor dat de vreugde van de gelovige in Hem niet definitief ophoudt!

3. Een christen kan zondigen, maar zijn bekering is gegarandeerd
Het is mogelijk dat een christen door verzoeking in zonde valt. Hij drukt daarmee uit, dat hij op dat moment meer vreugde in iets anders dan Christus heeft gezocht. Ik gebruik hier het woord gezocht, omdat hij na het zondigen tot de ontdekking komt, dat het hem geen vreugde heeft gebracht. Petrus heeft Jezus driemaal verloochend – en hij was vooraf gewaarschuwd! Hij durfde zich niet te identificeren met de Onschuldige, die naar het huis van hogepriester Kajafas was geleid. Hij vond zijn eigen reputatie en veiligheid op dat moment belangrijker dan uitkomen voor de Messias. Toen hij voor de derde maal had ontkend Jezus te kennen, kraaide de haan. Toen zag de apostel zijn Meester en herinnerde hij zich Zijn waarschuwing. Hij kon zijn tranen niet bedwingen, liep naar buiten en weende bitter.
Petrus is bijzonder hersteld door zijn Heiland. We lezen hiervan in Johannes 21:15-19. Driemaal vraagt Jezus hem: ‘Petrus, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief?’ Bij de laatste keer wordt Petrus bedroefd en belijdt ten derde male: ‘Here, Gij weet alles, Gij weet dat ik U liefheb.’ Jezus weet het en herstelt zijn dienaar: ‘Weid Mijn schapen.’ De apostel heeft deze opdracht vervuld. En dat is maar aan één ding te danken: het gebed van de Here Jezus! Petrus heeft geleerd, zeer zeker, en is een herder geworden voor anderen. Want dit is dezelfde Petrus, van wie twee zendbrieven zijn opgenomen in de Bijbelse canon. Zijn leven laat ons zien, dat een gelovige diep kan vallen, maar ook machtig hersteld zal worden door zijn Hogepriester – de eeuwige Zoon van God.

Bewaar de balans
Nu we hebben gezien dat Christus bij machte is de gelovige volkomen te behouden, moeten we twee extremiteiten behandelen. Sommige mensen zullen misbruik maken van deze Bijbelse gegevens en net als de Romeinen zeggen: ‘als het allemaal genade is, laat ons dan lekker in de zonde leven! Als Jezus mijn Hogepriester is, kan ik zo vaak zondigen als ik maar wil – Hij staat toch altijd klaar om mij te vergeven!’ Paulus wijst hen echter resoluut terecht: ‘Absoluut niet!’ (Romeinen 6:1) Dit is ook onmogelijk. Hoe kan iemand, die zijn ultieme vreugde in Christus heeft gevonden, in de zonde blijven en zijn eigen heerlijkheid blijven dienen? Dat is een contradictie van jewelste!
Een andere groep mensen is bang dat zij de behoudenis verspelen als zij zondigen. Ze hebben veel schroom om naar de troon van barmhartigheid en genade te komen voor vergeving en herstel. Zij willen graag wandelen in het licht, maar merken dat zij zonde hebben. Dan mag het woord van de apostel Johannes een bemoediging zijn: ‘Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld’ (1 Johannes 2:1-2). Het is Zijn bloed dat jou reinigt van al je zonden (1 Johannes 1:7, 9).
Samengevat: de vreugde in het aanschouwen in de heerlijkheid van Jezus Christus zal geen ruimte bieden voor een vreugde in de zonde. En als je hebt gezondigd, staat jouw Hogepriester, Jezus Christus, bij de troon van barmhartigheid en genade klaar om je daar te ontvangen en je zielsvreugde in het aanschouwen van Zijn glorie te herstellen. Hij is jouw Advocaat in Gods hemelse troonzaal en Hij bidt voor jou. Twijfel niet aan Zijn macht en twijfel niet aan Zijn bereidwilligheid. Hij heeft persoonlijk gebeden dat jij Zijn glorie zou aanschouwen door het geloof. Door Zijn gebed zul jij de wereld overwinnen door het geloof: het aanschouwen van en verheugen in Zijn heerlijkheid.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief