SalvationInGod

donderdag 24 mei 2012

De heerlijkheid van Christus [4] // ‘Uw hart worde niet ontroerd…’

Lezen: Matteüs 26:36-46; Lucas 12:4-7;22-34; Johannes 14:1-7

Angst. Bezorgdheid. Twee woorden die verband houden met een emotionele beleving van een bepaalde zaak wanneer wij deze uit handen dreigen te verliezen of als we voelen dat er afbreuk aan wordt gedaan. Redenen te over om je zorgen te maken: gezondheid, je eigen leven, studie, baan, huwelijk, basisbehoeften als eten, drinken en kleding of financiën. Mensen doen er van alles aan om krampachtig ‘schatten’ bij zich te houden en er zuinig op te zijn, zodat niets deze kunnen wegvreten of laten verroesten. Vanuit die krampachtigheid kunnen zondige neigingen en daden de kans krijgen zich in ons leven te nestelen. John Piper schrijft:

‘Bezorgdheid over financiële zaken kan aanleiding geven tot begeerte en hebzucht en oppotten en stelen. Bezorgdheid over het slagen in een bepaalde taak kan je prikkelbaar en kortaf en kribbig maken. Bezorgdheid over relaties kan je teruggetrokken en onverschillig maken, met weinig aandacht voor andere mensen. Bezorgdheid over hoe iemand op je zal reageren, kan je ertoe brengen de waarheid te verbergen en te liegen over dingen. Dus als bezorgdheid overwonnen zou kunnen worden zou aan vele andere zonden een dodelijke slag worden toegebracht.’
(De reinigende kracht van het leven uit geloof in de Toekomstige Genade, pagina 53)

Gerechtvaardigde bezorgdheid en angst
Angst voor mensen is een veel voorkomend verschijnsel. Je kunt je aardig geïntimideerd voelen door het gedrag van een zekere persoon of groep. In de tijd van Jezus waren het de Schriftgeleerden en Farizeeën die het volk aardig onder de duim wisten te houden. De invloed die zij uitoefenden was zo groot, dat het Nieuwe Testament er melding van maakt dat mensen niet openlijk over Jezus durfden te spreken (Johannes 7:13).
In Lucas 12 zien we hetzelfde probleem, en dan wordt angst voor mensen concreet door Jezus benoemd. Zijn onderwijs laat twee zijden van dezelfde munt zien. Hij houdt Zijn leerlingen voor wat het ergste scenario is wanneer we met andere mensen te maken hebben. Wat is nu het ergste wat anderen ons aan kunnen doen? Het lichaam doden. In onze beleving is dit op zichzelf al heel schokkend. Sterker nog, wij menen dat dit het ergste is wat ons kan overkomen. Volgens Jezus is er nog iets vreselijker dat het doden van het lichaam door andere mensen ver overstijgt: God die macht heeft Zijn toorn over iemand uit te gieten in de hel. Mensen kunnen jou slechts schade toebrengen tot het graf, maar Gods alomtegenwoordigheid regeert over het graf heen. Het laatste woord is niet aan mensen – het is aan God. Daarom is het volgens Jezus prioriteit nummer één dat jouw en mijn verhouding met God in orde is. Het vraagstuk over hemel en hel is niet louter een vraag of je ‘uit de penarie’ geholpen bent – de cruciale vraag is of het moment van jouw sterven gelijkstaat aan een eeuwigdurend genieten van en omringd worden door Gods heerlijkheid óf het ondervinden van Zijn toorn. Sommige mensen menen de wereld een dienst te bewijzen door christenen naar het lichaam te doden, maar zij realiseren zich niet dat zij met hun daad de ziel van de gelovige in de heerlijke aanwezigheid van de Allerhoogste hebben gebracht. De vraag is niet of wij ongeschonden door deze wereld komen – de vraag is of wij ongeschonden voor Gods heerlijke aangezicht kunnen bestaan en ons daar eeuwig in kunnen en mogen verheugen. In Marcus 8:36 lezen we omtrent dit punt ook een indringende waarschuwing: wat baat het de mens als hij de gehele wereld wint, maar zijn ziel schade lijdt?

Gethsémané: ‘Uw wil geschiede…’
Ook Jezus heeft angst gekend. We lezen tweemaal dat Hij echte zielsangst heeft doorgemaakt. De wijze waarop Hij deze angst verwoordt, komt op hetzelfde neer:

Toen zei Hij tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak met Mij.
En nadat Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich met het gezicht ter aarde en bad: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.
(Matteüs 26:38-39)

Nu is Mijn ziel in beroering en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur! Maar hierom ben Ik in dit uur gekomen. Vader, verheerlijk Uw Naam! Er kwam dan een stem uit de hemel: En Ik heb Hem verheerlijkt en Ik zal Hem opnieuw verheerlijken.
(Johannes 12:27-28)

De angst die Jezus nu recht in het gezicht kijkt, is dezelfde angst waarvan Hij tegen Zijn discipelen zei dat het gerechtvaardigde angst is – Jezus weet dat de beker gevuld is met Gods toorn over de zonde. Het kan daarom geen toeval zijn dat we expliciet in deze momenten lezen van Christus’ angst, zoals we die nergens anders in het Nieuwe Testament tegenkomen. Het gevecht is intens geweest: Jezus heeft psychisch zo onder druk gestaan, dat Zijn zweet als druppels bloed op de aarde vielen. Er verscheen speciaal een engel uit de hemel om Hem te sterken, zodat Hij niet zou bezwijken. We zien hier een Mens worstelen met een goddelijke opdracht die Hij moet vervullen. Hij wist wat Hem te doen stond en Hij wist wat daarvoor moest gebeuren. En nu dat moment zo dichtbij gekomen was, nu Hij haarscherp zag aankomen dat de ure van duisternis gekomen was, ontstond er in Hem een onbeschrijflijke spanning.

In dit alles zocht Hij het aangezicht van Zijn Vader – niet eenmaal, niet tweemaal, maar driemaal. Hij keert tweemaal terug met dezelfde vraag: ‘Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.’ De worsteling die Jezus moest doorstaan, ging dus niet zonder slag of stoot. Dat Jezus tot driemaal toe Zijn Vader om hetzelfde verzoek bidt, laat ons zien dat angst zo intens iemand kan verlammen, dat het niet simpelweg na één keer bidden weggenomen is. Na drie keer bidden was het voor Jezus ook volkomen duidelijk: Hij moest en Hij zou gaan. Hij moest trouw blijven aan de taak die God Hem gegeven had. En Hij ging. De schrijver van de brief aan de Hebreeën stelt dat Jezus het kruis kon verdragen en de schaamte kon verachten, omdat Hij zag welke vreugde voor Hem lag (12:2). Hij keek verder dan het kruis; Hij keek verder dan de dood.

‘Het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven’
Als we nu de draad in Lucas 12 weer oppakken, zien we dat Jezus in de verzen 22 tot en met 34 zijn discipelen onderwijst aangaande bezorgdheid om de zaken des levens. Dagelijks komen er vele vragen op ons af. Hebben we wel te eten? Te drinken? Welke kleren moet ik aantrekken? Gaat dit, gaat dat, gaat zus, gaat zo wel goed? Honderd en één vragen overspoelen je gedachten al gauw merk je dat je niet meer met blijdschap rondloopt en dat je in de stress schiet. Volgens Jezus is dit de normale gang van zaken zoals de wereld met deze dingen omgaat. Als mensen niet getrouwd zijn, voelen ze zich totaal ongelukkig en doelloos. Als mensen niet bereiken wat ze graag willen, raken ze geïrriteerd en teleurgesteld. Als mensen onder ogen moeten zien hoe ziekten knabbelen aan de gezondheid en deze verzwakt, heeft het leven ineens geen nut meer. Het zijn deze schatten die mensen krampachtig bij zich willen houden om zoveel en zolang mogelijk van te genieten. Commercialbreaks op de televisie en reclamebladen in de brievenbus laten inderdaad de krankzinnige jacht zien op ‘mooi, mooier, mooist’, ‘goed, beter, best’, en ‘veel, meer, meest’. Daarom zegt Jezus in vers 34 ook: ‘waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.’ Het wijst op confronterende wijze aan waar ons hart nog zeer aan hecht. Onze afgoden komen pijnlijk bloot te liggen. Heb jij ooit je eigen hartslag in de gaten gehouden op momenten dat er voor jou iets belangrijks op het spel stond? Het maken van examens, het afrijden voor je rijbewijs, het kijken naar een voetbalwedstrijd van je favoriete club of een nieuwsitem op de televisie met heftige impact? Als een jongen persoonlijk zijn gevoelens voor een meisje uit wil spreken, zal hij dit niet met dezelfde gemoedstoestand doen dan wanneer hij voor de lol boter-kaas-en-eieren zit te spelen. Voor hem hangt veel van deze situatie af. Op dat moment betekent zij zoveel voor hem, dat hij er niet aan moet denken om haar kwijt te raken. Het probleem is echter, dat niemand ons in deze wereld de garantie kan geven dat wij de dingen zullen behouden die wij ook het liefst altijd bij ons zouden willen houden. Wat nu?

Tegenover deze massahysterische jacht en overbezorgde houding houdt Jezus Zijn volgelingen een alles overtreffende schat voor: het Koninkrijk Gods. En zo komen we weer terug bij het punt waar het allemaal om draait: de heerlijkheid van Christus. Het is de mooiste belofte die ooit aan een (over)bezorgd hart geschonken kan worden: ‘Het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.’
De christen heeft de enige, echte, gerechtvaardigde angst overwonnen – hij heeft de heerlijkheid van Jezus aanschouwd, daarin zijn vreugde gevonden, wetende dat zijn zonden vergeven zijn en dat aan het kruis van Golgotha Jezus Zelf Gods toorn over de zonde heeft gedragen, zodat hij als gelovige vanaf nu mag genieten van de gemeenschap met zijn Heiland! Het is ook in deze context dat de apostel Johannes in zijn eerst brief schrijft (4:17-18): ‘Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid mogen hebben op de dag van het oordeel. Want zoals Hij is, zijn ook wij in deze wereld. Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit. De vrees houdt immers straf in, en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde.’


The Only Thing We Have to Fear



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief