SalvationInGod

vrijdag 15 januari 2016

Vrijheid in Christus [7] De dreiging tegen Jezus

Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent, maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt. (Johannes 8:37)

In het vorige deel hebben we gezien hoe radicaal Jezus mensen vrijzet. Hij maakt slaven tot zonen; door Hem veranderen wij in slaven van de zonde in kinderen van God. Voorwaarde is dan wel dat Jezus ons werkelijk vrijmaakt.
In dit deel stappen we over van de kerndefinitie van het woord “vrijheid” en gaan we zien hoe Jezus deze definitie gebruikt in Zijn gesprek met de aanwezige Joden.

Het gedeeltelijke gelijk dat Jezus deze Joden geeft: “Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent…”
De correctie die Jezus aanbrengt: “…maar u probeert Mij te doden…”
Het bewijs van de onvrijheid van deze Joden: “…omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt.”

Jezus’ erkenning
Het opmerkelijke aan Jezus’ woorden in vers 37 is dat Hij met instemming reageert op wat de Joden hebben gezegd in vers 33. Daar zeiden de Joden tegen Jezus: “Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest. Hoe kunt U dan zeggen: ‘U zult vrij worden’?” We hebben in het derde deel stilgestaan bij deze woorden en kwamen tot de conclusie dat hier vooral hoogmoed en slechte zelfkennis zichtbaar worden, die vervolgens leiden tot een verkeerde conclusie. Toch reageert Jezus niet geheel afkeurend. “Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent…” Jezus ontkent dus niet direct de stelling die de Joden op tafel hebben gelegd. Historisch gezien is er inderdaad geen enkele reden om te twijfelen over de claim van het Joodse volk als het nageslacht van Abraham. Een belangrijk principe dat we hieruit kunnen herleiden is het belang van recht doen aan de ander. Als iemand iets zegt wat waar is, hoeven we dat nog helemaal niet te ontkennen. Dat zou ons juist ongeloofwaardig maken. Jezus is het – zoals we in deel vier hebben gezien – niet eens met de conclusie die de Joden eraan verbinden, maar het feit dat zij nageslacht van Abraham zijn, laat Hij wel staan. Hij twijfelt er niet over. Hij ziet ook dat het terecht is dat deze Joden dat zeggen. Wat we echter ook gezien hebben, is dat Jezus het “nageslacht van Abraham zijn” niet automatisch behandelt als een nageslacht dat leeft in vrijheid. En zoals we in het derde deel gezien hebben, is de bewering dat zij “nooit iemands slaaf zijn geweest” per definitie onjuist. Nee, voor de vrijheid die Jezus hier bedoelt, is iets anders nodig: Zijn vrijmakende waarheid. Met onze fysieke geboorte hebben wij de zondenatuur meegekregen, die van nature onderdrukt en ons onderwerpt aan de wet van de zonde (Romeinen 7:13-20). Hier legt Christus de vinger op de zere plek: dít probleem moet worden weggenomen, willen we kunnen spreken van vrijheid. Zeggen dat je nageslacht van Abraham bent, helpt je dus geen enkele stap verder.

Jezus’ correctie
Hoewel Jezus dus wel degelijk erkent dat de Joden nageslacht van Abraham zijn, weigert Hij echter mee te gaan in de conclusie, die zij op grond van dat historische gegeven trekken. Het historische gegeven is volgens Jezus de enige waarheid die de betreffende Joden daar gesproken hebben; de rest van hun tegenwerping corrigeert Hij. En het is boeiend om te zien hoe Hij dat doet.
Hij brengt correctie aan door hen te wijzen op de staat van hun hart. Hij wijst hen op de praktijk van dat moment. Hij zegt: “Ik weet dat u nageslacht bent van Abraham, maar…” Het woord “maar” geeft hier een tegenstelling aan. Een tegenstelling die nodig is om het juiste zicht op de werkelijkheid te verkrijgen. Wat zegt Hij? “Maar u probeert Mij te doden.” Hij wijst hier op het echte probleem dat zij hebben. Hij wijst hier op hun zondige houding. Merk op dat Hij hier niet zegt dat zij een specifieke zonde gedaan hebben, maar dat zij op dit moment een zondige houding aan hebben genomen, die recht uit het hart komt.
Nu komen we weer terug op de inhoud van deel 4, waar we hebben gezien dat Jezus Zijn definitie van “vrijheid” geeft aan de hand van de macht die de zonde in iemands leven heeft. Zo laat Hij in dit vers zien dat Hij twee dingen weet: Hij kent ons voorgeslacht, Hij weet wie wij zijn – alles met betrekking tot onze persoon weet Hij. Maar Hij weet ook wat er in ons hart leeft. En als de zogenaamde “eer” op grond van het voorgeslacht niet overeenkomt met de houding van het hart, hebben we een probleem. Jezus verklaart dit als een groot conflict, waarbij vrijheid essentieel is. Zijn boodschap aan deze Joden is onmiskenbaar: “Jullie zijn slaven van de zonde, want jullie willen Mij doden – en doden is zonde.” Vrijheid wordt zichtbaar in de overleggingen van het hart, in de daden die het voortbrengt en in de woorden die het de mond laat spreken.

Het onderscheid tussen “incidentele” zonden en “structurele” zonde
Iemand kan nu in verwarring raken, omdat in het vorige deel juist is benadrukt dat vrijheid niet betekent dat mensen helemaal niet meer zondigen. Is het terecht om deze Joden als “slaaf van de zonde” te bestempelen? Het antwoord is: ja. Niet alleen omdat we Jezus in vers 37 een tegenstelling zien maken, maar ook omdat de zonde die Hij hier aanwijst, niet uit de lucht komt vallen. Blader maar eens terug in het Johannesevangelie en je zult ontdekken dat de eerste plannen, wensen of verlangens om Jezus te doden al te vinden zijn in 5:16-18. Dat is drie hoofdstukken vóór deze discussie. Hoe kun je nu zien dat deze Joden slaven van de zonde zijn? Ik zou zeggen: als je in drie hoofdstukken niet in staat bent moordzuchtige verlangens af te zweren of te doden (zoals Paulus dat stelt in Romeinen 8:13), moet er meer aan de hand zijn dan incidenteel in zonde vallen. Dit is zo’n hardnekkige, structurele, aanhoudende zonde die steeds dieper in het hart wortelt, dat hier geen sprake meer is van een incident.

Jezus’ aanklacht
Jezus noemt echter nóg een reden waarom deze Joden niet moeten roemen in de zogenaamde vrijheid. In het laatste gedeelte van vers 37 lezen we dat Hij zegt: “…maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt.”
Niet alleen zijn deze Joden structureel van plan om Jezus te doden, maar het probleem dat hieraan voorafgaat is dat Zijn woord niet wordt erkend. Dit is het fundamentele, onderliggende probleem. Ze luisteren niet naar Hem. Ze kunnen alleen reageren met boe-geroep en protestgeluiden. Bestudeer de gesprekken tussen Jezus en Zijn Joodse volksgenoten maar eens, dan kom je erachter dat wát Hij ook zegt, zij altijd een tegenwerping of afkeurend geluid hebben. Volgens hen schort er altijd wel iets aan wat Jezus zegt. Zo wordt zichtbaar dat Zijn woord geen enkele plaats krijgt in hun leven. Gelukkig zijn er ook uitzonderingen uit het Nieuwe Testament, waarvan we kunnen lezen dat zondaars zich met blijdschap bekeren en volledig op Hem vertrouwen.

Jezus wijst erop dat het niet erkennen, het niet ontvangen, het niet willen luisteren naar Zijn onderwijs, tot gevolg zal hebben dat mensen in hun zonde blijven leven en op deze manier nooit de vrijheid zullen ervaren waar Hij in dit gedeelte over spreekt. Hij bewijst hier juist de onvrijheid door de diepgewortelde zonde aan te wijzen. De constatering dat Zijn woord geen plaats in hun leven krijgt, laat ook zien dat de bevrijdende kracht ervan tot op dat moment niet zichtbaar is geworden en dat het daartoe ook niet eens de kans heeft gekregen, omdat het direct aangevallen wordt. Zo wordt de onvrijheid van deze Joden bewezen. Maar wat gebeurt er als Jezus op dit moment bij jou aan tafel zou aanschuiven? Wat zou Hij dan zeggen? Zou Hij hetzelfde zeggen? Of juist iets heel anders? Kan Hij bij jou sporen van vrijheid aanwijzen? Kan Hij met blijdschap verkondigen dat Zijn woord in jouw leven plaats krijgt? En dat Zijn woord echt bevrijdend werkt? Of moet Hij met jouw in gesprek – door Zijn Woord – over de macht van de zonde in jouw leven?

Als Jezus persoonlijk wordt
Dit is het punt waar Jezus bewust op aanstuurt. Hij wil persoonlijk met ons in gesprek. Hij wil mét ons óver ons leven praten en Zijn Woord met kracht laten werken, zodat we vrijheid mogen ervaren. Hij wil je vertellen wat Hij bij je ziet. Goede dingen, maar ook de foute dingen, die ernstig correctie nodig hebben. Het komt hier aan op jouw persoonlijke reactie en omgang met Hem. Wat zeg je tegen Hem? Als je Hem vertelt dat je vrijgemaakt bent, zou Hij daar dan mee instemmen? Of zou Hij aan de hand van jouw leven aan kunnen tonen dat dit helemaal niet het geval is? Ga jij je, net als deze Joden, verdedigen met argumenten die geen stand kunnen houden? Ga je Hem bedreigen? Wil je Hem, als het mogelijk was, doden? De Bijbel waarschuwt dat dit geestelijk gezien mogelijk is. Het is mogelijk Christus te verwerpen en zodoende voor jezelf “de Zoon van God opnieuw [te] kruisigen en openlijk te schande maken” (Hebreeën 6:6; 10:26-27).
Wanneer we persoonlijk bij Jezus komen, kunnen we ons masker niet ophouden. De waarheid zal aan het licht komen, al was het alleen al omdat Hijzelf de Waarheid is (Johannes 14:6). Ben je bang om persoonlijk te zijn bij Jezus Christus? Ben je bang voor wat Hij over je zal zeggen? Die angst is niet nodig: Hij nodigt je juist uit om persoonlijk te worden. Hij zal degenen oordelen die niet persoonlijk met Hem zullen worden, mensen die Hem op afstand houden. Hij wil je er juist toe brengen om persoonlijk te worden, omdat alleen in het komen tot Hem – met jouw hele leven, zoals het is – ware vrijheid te vinden is. Wanneer je persoonlijk wordt met Hem, zal Hij de kracht van Zijn Woord bewijzen. Daarom wil Hij persoonlijk worden met jou, omdat Hij de ware vrijheid wil schenken. In het volgende, afsluitende deel, zullen we nadenken over de Bron van Jezus’ woord.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief