SalvationInGod

Posts tonen met het label Wederkomst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wederkomst. Alle posts tonen

zaterdag 24 juni 2023

Het kruiswerk van Christus (7) Overwinning

De rijkdom van de Bijbelse verlossingsleer

De vorige keer hebben we gezien dat Christus, door te sterven aan het kruis, de losprijs heeft betaald voor de verlossing van zondaren. Door Zijn kruiswerk zijn zij bevrijd van de veroordeling door de Wet; de schuld op de zonde is weggenomen. Maar dat is niet alles. Door te sterven heeft Christus de macht van de zonde weggenomen. De gelovige is in Christus bevrijd van een vruchteloos leven, dat werd gekenmerkt door ongerechtigheid.

De realiteit van het koninkrijk der duisternis
Wanneer Reymond het aspect van de verlossing heeft behandeld (het schenken van bevrijding door het betalen van een losprijs) legt hij de verbinding met een ander, cruciaal aspect van het kruiswerk van Christus. Wanneer we op Bijbelse gronden stellen dat Christus de macht van de zonde heeft weggenomen door Zijn offer aan het kruis, benoemen we een overwinnend aspect van dit offer. Reymond slaat een brug van het overwinnen van de zonde naar het overwinnen van het koninkrijk van de duisternis. Hiermee komen we bij de wereld en macht die achter de zonde schuilgaat.
Wederom citeert de theoloog John Murray, die volkomen terecht heeft opgemerkt dat er in onze tijd, vanwege een zogenaamd gesloten wereldbeeld, totaal geen rekening wordt gehouden met bovennatuurlijke machten en krachten, terwijl de Bijbel hier wel degelijk over spreekt. 
Kortom: achter de zichtbare realiteit van het kwaad in deze wereld gaat een koninkrijk van duisternis schuil, waarbij de duivel en demonen actief zijn en meedogenloos te werk gaan. We zijn geneigd dit aspect niet serieus te nemen of om het te verwerpen. Murray merkt hierover op: “In de mate waarin wij dit doen, is ons denken niet christelijk.

De aard en werken van satan
Omdat Reymond de aard van Christus’ overwinning over de zonde ook wil plaatsen – en Bijbels gezien dit ook moet plaatsen  in het licht van de onzichtbare, geestelijke machten, geeft hij een overzicht van de manier waarop de Bijbel satan zelf typeert. Hij wordt “Abaddon” of Apollyon” genoemd (Openbaring 9:11), evenals Beëlzebul” (Mattheüs 12:24; Lucas 11:15). Hij wordt omschreven als “de aanklager van onze broeders” (Openbaring 14:12) en de oude slang” (Openbaring 12:9). De Heere Jezus noemt hem “een mensenmoordenaar van het begin af” en “de vader van de leugen” (Johannes 8:44). Satan is listig; hij verleidt en verzoekt. Hij is de aanvoerder van de macht in de lucht” (Efeze 2:2). Hij gaat tekeer tegen mensen in grote woede (Openbaring 12:12) en gaat rond als een brullende leeuw om te zoeken wie hij zou kunnen verslinden (1 Petrus 5:8) en hij is de aanvoerder van de geest die nu werkzaam is in de kinderen van de ongehoorzaamheid (Efeze 2:2). Hij verblindt de gedachten van ongelovigen, zodat zij de heerlijkheid van Christus in het Evangelie niet zien (2 Korinthe 4:4). Hij doet zich voor als een engel van het licht, werkt de Grote Opdracht tegen die Christus Zijn Kerk heeft opgedragen, voert strijd tegen de heiligen en maakt dat christenen worden opgesloten in de gevangenis (zie 1 Thessalonicenzen 2:18; 2 Korinthe 11:14; Openbaring 12:17; Openbaring 2:10). Hij kan mensen kwellen met lichamelijke en mentale ziekten (Handelingen 10:38) en heeft macht over de dood (Hebreeën 2:14). De duivel heeft Adam en Eva aangezet in opstand te komen tegen God (Genesis 3:1-5), heeft Judas aangezet Christus te verraden (Johannes 13:2) en zette Ananias aan om te liegen tegen de Heilige Geest (Handelingen 5:3).
De Bijbel maakt er niet alleen melding van dat satan een concrete aard heeft en concrete werken doet, maar dat hij een bepaalde macht heeft – een macht die door Gods soevereine heerschappij is begrensd. Hij heeft een koninkrijk, van waaruit wordt aangestuurd op valse godsdienst, valse religieuze organisaties en valse aanbidders (zie 1 Korinthe 10:20 en Openbaring 2:9; 3:9).

De vernietigende kracht van het kruis
Als we deze Bijbelse gegevens op ons in laten werken, moeten we tot de conclusie komen dat het kruiswerk van Jezus Christus  in het afrekenen met zonde  ook gevolgen moet hebben op de macht en werken van satan. Dit betekent dat Christus door Zijn sterven niet alleen heeft getriomfeerd over de zonde, maar dat Hij in essentie een einde heeft gemaakt aan de macht en werken van satan. In dit verband is Zijn kruiswerk een vernietigend werk. Het breekt de werken van de duisternis af, het verbreekt de macht ervan. Wie de Schrift kent, weet dat dit aspect van Zijn kruiswerk geen verrassing is. Al direct na de zondeval wordt duidelijk gemaakt dat er een confrontatie zal plaatsvinden het Zaad van de vrouw (Christus) en de slang en zijn zaad (zie Genesis 3:15).
Reymond merkt op dat acht teksten in het Nieuwe Testament spreken over deze confrontatie (Mattheüs 12:29; Lucas 11:21-22; Johannes 12:31; 16:11; 1 Korinthe 15:24-26; Kolossenzen 2:13c-15; Hebreeën 2:14-15; 1 Johannes 3:8c).
Het is belangrijk om de autoriteit en aard van Christus’ kruiswerk met betrekking tot het verbreken van satans macht en werken te zien. Christus is de Zoon van God, Die met goddelijke autoriteit de macht van de duivel heeft verbroken. Door te sterven aan het kruis heeft Hij de banden, die de werken van de duivel met elkaar verbonden, verbroken. Het is aan stukken geslagen! Er is aan het kruis op Golgotha een beslissende klap toegebracht aan de macht van satan. Alle werken die hij na het volbrachte kruiswerk van Christus verricht, doet hij als een verslagen vijand.

De overwinnende kracht van het kruis
Het kruis van Christus heeft de macht van satan tenietgedaan met betrekking tot degenen die met Christus zijn verbonden door het geloof. Dit betekent dat Christus in plaats van zondaren heeft getriomfeerd over de duivel en zijn koninkrijk en dat Hij al Gods kinderen meeneemt in deze overwinning. Gelovigen overwinnen de duivel in Christus! God leidt Zijn kinderen in een overwinningsstoet in Christus. De kracht van deze overwinning kunnen christenen in dit leven ervaren; hoewel de duivel nog steeds actief is en een gelimiteerde macht heeft, hebben gelovigen in Christus, door de verbondenheid met hun Heere een wapenrusting tot hun beschikking. Gelovigen kunnen de duivel weerstaan door het geloof (1 Petrus 5:9), gebed (Mattheüs 9:29) en door het Woord, de Bijbel, te gebruiken (door Paulus in Efeze 6:17 “het zwaard van de Geest” genoemd). Christenen overwinnen satan door het bloed van het Lam, Christus, en door de kracht van Zijn Naam (Openbaring 12:11; Lucas 10:17).

Het overwinnende aspect van Christus
 kruiswerk garandeert toekomstige genade
In een schepping die lijdt aan de gebrokenheid door de zonde en destructieve werken van duivelse machten, wordt de boodschap van Christus
’ kruiswerk bijzonder kostbaar. De enigen die dit niet erkennen en weigeren Christus te aanvaarden, zijn degenen die door satan blind worden gehouden voor de boodschap en schoonheid van het kruis. Dit zou ons niet moeten verbazen: de duivel probeert met alle mogelijke inspanningen de schoonheid van het middel waarmee zijn werken verbroken zijn, te verhullen en verbergen. Er mag van satan een heleboel, maar één ding wil hij voorkomen: dat het kruiswerk van Jezus Christus straalt met de heerlijkheid van Gods genade en verlossing, zodat geestelijk dode zondaren tot leven worden gewekt.
Maar bij degenen die in het hart zijn beschenen met het licht van de heerlijkheid van Jezus Christus door de prediking van het Evangelie, zijn de de ogen opengegaan. Zij realiseren zich dat wat zich aan het kruis op Golgotha afspeelde, een schoonheid en kracht bezit, waar de Kerk van Christus tot in eeuwigheid van zal getuigen en zingen. De genade van God, zichtbaar in het plaatsvervangend lijden en sterven van Christus, heeft een eeuwigdurend effect. En de kracht ervan is nu al te ervaren. Ten dele, dat wel, want de volkomen overwinning ligt nog in de toekomst. Het is Gods belofte: er zál volkomen overwinning over zonde en duivel zijn. Het kruiswerk van Jezus Christus is de garantie. En omdat de gelovige weet dat Christus, plaatsvervangend voor zondaren, aan het kruis de volkomen overwinning heeft behaald, kan hij of zij nu ook volkomen hopen op de genade die gebracht zal worden in de openbaring van Hem (1 Petrus 1:13). Wat er in deze wereld ook gebeurt, hoe duister het hier ook is, de christen leeft tussen twee beslissende en indrukwekkende genade-gebeurtenissen in: de genade van Christus
 kruis en de genade van Christuswederkomst. En in de tussenliggende tijd ontvangt de gelovige, vanuit de overwinning die Christus heeft behaald aan het kruis en door de vereniging met Hem door het geloof, de genade om de duivel te weerstaan. Maranatha! Kom, Heere Jezus!

zondag 22 november 2020

Heiliging – toeleven naar de Dag van God

Petrus’ aansporing tot een heilige levenswandel in het licht van Christus’ wederkomst

De manier waarop we kijken naar de toekomst heeft invloed op onze beleving van praktische heiligmaking. De manier waarop we nadenken over praktische heiligmaking heeft invloed op ons perspectief voor de toekomst. De apostel Petrus wist dit. In het derde hoofdstuk van zijn tweede brief zien we hoe hij christenen stimuleert om een heilig leven te leven.


Maranatha-christen

Er bestaat een term die verwijst naar mensen die duidelijk laten merken dat zij de wederkomst van Jezus Christus verwachten: de maranatha-christen (letterlijk vertaald: de “Kom-Heere-Jezus!-christen”, zie ook 1 Korinthe 16:22). Deze term is in beginsel positief en sympathiek, maar kan ons ook op het verkeerde been zetten. Want als het goed is, verwacht iedere christen de Heere Jezus en niet slechts degenen die dit meer dan gemiddeld laat merken.

Bovendien loopt deze term het risico een verwijzing te zijn naar iets wat ondergeschikt is aan de werkelijke boodschap die de auteurs van het Nieuwe Testament hebben willen overbrengen. Deze boodschap wordt door de Heere Jezus Zelf op een kernachtige manier verwoord:

“En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn.” (Openbaring 22:12)

Christus’ boodschap is kort en bondig: “Ik kom!” en “Ik vergeld iedereen zoals zijn werk zal zijn!” Als een christen denkt aan de wederkomst, zou dit de hoofdgedachte moeten zijn. Soms lijkt het alsof christenen meer bezig zijn met de weg naar de wederkomst, zeg maar de “eindtijd-routekaart”, dan met de wederkomst zelf. En dat is jammer. Want het proberen te leggen van een eindtijd-puzzel is uitermate speculatief werk. Wie probeert om met de krant naast de Bijbel te duiden in welke fase van de geschiedenis wij ons bevinden, komt erachter dat de puzzelstukjes zomaar van vorm kunnen veranderen. En dan passen de stukjes ineens niet meer zo goed. God werkt namelijk niet op grond van onze eindtijd-scenario’s, maar op grond van Zijn eeuwige raadsbesluit. En in dit raadsbesluit heeft Hij bepaald dat Hij Zijn Naam verheerlijkt door Zijn genade in Zijn Zoon te openbaren. Hij zal de geschiedenis van deze wereld naar zijn einde leiden en de schepping vernieuwen (Openbaring 5:1-14).


Jezus Christus: Bron van heiligmaking

Het hoeft ons niet te verwonderen dat, wanneer de auteurs van het Nieuwe Testament schrijven over wederkomst en de vernieuwing van alle dingen, Jezus Christus het Middelpunt van de aandacht vormt. De apostel Petrus vormt hierop geen uitzondering. In zijn tweede brief – zijn testament – zien we hoe hij de gelovigen bemoedigt en vermaant met het perspectief op de komende Christus. Wellicht opmerkelijk: de brief beschrijf op geen enkele manier een route die zou moeten leiden tot de wederkomst, maar is zeer praktisch van aard.

In 2 Petrus 1:1-11 zien we hoe het kennen van God in Christus, door de beloften van het Evangelie (1:3-4) als het fundament van een heilig leven wordt neergelegd (1:5-9). De weg van heiliging, de weg van het groeien in godsvrucht geeft ons een sterkere zekerheid dat wij door God zijn uitverkoren tot het eeuwige leven (1:10) en geeft ons een sterkere hoop dat wij eens in de tegenwoordigheid van Christus zullen zijn (1:11).

Petrus verbindt het kennen van God in Christus, de heilige levenswandel van de christen en de wederkomst van Christus met elkaar. Het is eigenlijk de drie-eenheid van het christenleven: geloof (het kennen van God in Christus), hoop (de verwachting van Christus’ komst) en liefde (de heilige levenswandel).


Dwaalleer: bedreiging voor heiligmaking

In de gemeenschap van gelovigen, waar Petrus zijn brief aan richt, wordt deze drie-eenheid van het christenleven wordt bedreigd. De heilige levenswandel wordt bedreigd. Waardoor? Het antwoord lezen we in 2 Petrus 2:1-3:

“Maar er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die heimelijk verderfelijke afwijkingen in de leer zullen invoeren. Daarmee verloochenen zij zelfs de Heere, Die hen gekocht heeft, en brengen zij een snel verderf over zichzelf. En velen zullen hen, door wie de weg van de waarheid gelasterd zal worden, op hun verderfelijke wegen navolgen. En zij zullen u door hebzucht met verzonnen woorden uitbuiten. Het vonnis over hen is reeds lang in werking en hun verderf sluimert niet.”

Let goed op wat Petrus hier schrijft. Wat is het probleem van de dwaalleraars? Dat zij hebzuchtig zijn? Ook. De hebzucht van de dwaalleraars is het motief van hun optreden. Maar als we de analyse van het probleem op dit punt zouden beëindigen, hebben we niet genoeg gezegd. Want de kern van het gevaar benoemt Petrus in vers 1: zij verloochenen de Heere, Die hen gekocht heeft. Zij verloochenen Christus. Dat zijzelf hebzuchtig zijn, is alleen al voor henzelf een gevaarlijke toestand. Maar dat zij vanuit die hebzucht de boodschap over de Persoon en het werk van Christus verdraaien, is voor de hele geloofsgemeenschap bedreigend. Zij vallen de Bron van godsvrucht aan. In geestelijke zin verminken zij Christus. Een verkeerd zicht op Christus leidt tot een vruchteloos leven. De essentie van Petrus’ boodschap – en ook de boodschap van het Nieuwe Testament – is dat als wij een stevig, zegenrijk fundament voor heiliging willen leggen, wij allereerst bij Christus dienen te beginnen. Daarom is de dwaalleer, die in 2 Petrus wordt bestreden, zo gevaarlijk. Het wordt gevaarlijk wanneer een aanslag wordt gepleegd op de reddende kennis van God in Christus. Daarom is het van cruciaal belang dat we ons voortdurend voeden met de boodschap van het Evangelie zoals de Bijbel deze leert.


De wederkomst: voltooiing van heiligmaking

Sommige mensen denken wellicht: je schrijft dit alles uit eigenbelang, voor je theologische eigen gelijk. Het is lekker gemakkelijk om alles wat niet in jouw straatje past, als “dwaalleer” te bestempelen. Niets is minder waar. Juist omdat volgens de Schrift – en dus ook volgens 2 Petrus – geloofsleer verbonden is met het geloofsleven, is het van het allergrootste belang om te onderzoeken of iemand de Bijbelse Christus verkondigt. En dat heeft alles te maken met de komst van Deze Christus. Het is namelijk Deze Christus met Wie wij oog in oog zullen staan op de Dag van God (2 Petrus 3:12). Het is Deze Christus met Wie Zijn kinderen de eeuwigheid zullen doorbrengen.

De Dag van God is voor een christen geen onheilspellende Dag; het is voor de christen een Dag om naar toe te leven. Het leven van een christen is een toeleven en toegroeien naar het moment van de verheerlijking. In het Nieuwe Jeruzalem zullen zij ten volle zijn, wat zij hier en nu ten dele al zijn: als Jezus (zie Romeinen 8:29; 2 Korinthe 3:18; 1 Johannes 4:17).

De hoop en verwachting van christenen is “de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.” Deze hoop en verwachting kan en mag niet worden losgemaakt van de Persoon en het werk van Jezus Christus – de reddende boodschap van het Evangelie. Christus, Die Zichzelf als een smetteloos en onbevlekt Lam heeft gegeven en Zijn Kerk heeft vrijgekocht met Zijn kostbaar bloed (1 Petrus 1:18-19), bekleedt diezelfde Kerk met Zijn perfecte, volmaakte gerechtigheid. Op het moment dat iemand door het geloof met Deze Christus wordt verenigd, treedt hij of zij in geestelijke zin het Koninkrijk van God binnen (2 Petrus 2:9). Vanaf dat moment start ook het proces van praktische heiligmaking, waarin God Zijn kinderen – door het geloof in Christus vanuit de kracht van Zijn Woord en Geest – vormt en doet groeien naar het Beeld van de komende Christus.


Goede werken: demonstratie van heiligmaking

Dit perspectief geeft Petrus de vrijmoedigheid om de lezers van zijn brief aan te sporen een heilig leven te leiden (2 Petrus 3:11). Op dit punt vind ik het opmerkelijk dat de Herziene Statenvertaling vers 10 op de volgende manier weergeeft:

“Maar de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht. Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen brandend vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen verbranden.”

Het gaat mij om het laatste woord van dit vers, “verbranden.” Wat voor logica zit er achter de oproep in vers 11 – om een heilig leven te leiden – als alle werken uiteindelijk zullen verbranden? Het antwoord luidt: die logica is er niet. Wat dit betreft volg ik de vertaling van de NBG en NBV, die stellen dat de werken “aan het licht zullen komen.” Als we het Bijbelse kader over deze zaak verbreden, is het bovendien onjuist te veronderstellen dat alle werken zullen verbranden. Zo lezen we in 1 Korinthe 3:10-15:

 “Overeenkomstig de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt daarop. Ieder dient er echter op toe te zien hoe hij daarop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus. Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, ieders werk zal openbaar worden. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven. Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen. Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen.”

Hoewel Paulus hier schrijft dat iemands werk kan verbranden – dat wil zeggen: hetgeen gedaan is, werd niet gedaan met het oog op de eer van God en het heeft niet gediend tot opbouw van de Gemeente van Christus – stelt hij niet dat alle werken zullen verbranden. Werken kunnen standhouden. Welke werken zijn dat? Het zijn de werken die in 2 Petrus 3:11 worden aangeduid als godsvrucht. Het zijn werken die getuigen van een heilige levenswandel. Het zijn werken die, volgens 2 Petrus 1:3-11, zijn gedaan vanuit de kracht van Gods Geest, door de kennis van Hem in Zijn Zoon, Jezus Christus, en door het geloof in de beloften van het Evangelie. Voor iemand, die God in Christus heeft leren kennen, is praktische heiligmaking geen last, maar een voorrecht. Heiliging is verbonden aan de bestemming van iedere christen. Een “geloof” in Christus dat zich probeert te ontdoen van dit voorrecht, is geen echt geloof. In dit opzicht is de Dag van God angstaanjagend voor degenen die zo’n soort geloof in elkaar geknutseld hebben. Het oordeel bepaalt niet wáár iemand de eeuwigheid doorbrengt, het oordeel demonstreert waaróm dit zo is. Als wij voor Christus zullen verschijnen, zal openbaar worden dat Zijn kinderen – in meerdere of mindere mate – de weg van praktische heiligmaking zijn gegaan. Er zal godsvrucht worden gevonden. Misschien bescheiden, misschien in overvloed. Maar dát het aanwezig zal zijn, is geen vraag.


Christus centraal in het leven van alledag

De christen mag nu, vandaag, op dit moment leven met het zicht op de Dag van God, vanuit de zekerheid van het geloof dat Jezus Christus het oordeel in zijn of haar plaats heeft gedragen. Wie door het geloof verenigd is met Christus, heeft niets te verliezen. Hij heeft alle geestelijke zegeningen ontvangen – wijsheid van God, gerechtigheid, heiliging en verlossing, zie 1 Korinthe 1:30 – en mag vanuit deze genade toeleven naar de Dag dat hij de volle erfenis zal ontvangen.

Iedere dag in deze voorbijgaande wereld krijgt betekenis in het licht van Christus’ verlossingswerk en komst. Geen werk, dat wordt gedaan door de kracht van Gods Geest en vanuit het geloof in Christus, is tevergeefs. Het is niet voor niets dat Paulus in de opsomming van 1 Korinthe 1:30 ook heiliging noemt. Christus Zelf is onze Heiliging. Wie denkt dat hij zich moet inspannen om op de Dag van God “genoeg” goede werken te hebben om het oordeel te overleven, moet zijn gedachten laten voeden en corrigeren met heerlijke verlossingswerk van Jezus Christus. Praktische heiligmaking is geen race tegen de klok, maar het “uitbuiten van de geschikte tijd” (Efeze 5:15-16). Met zekerheid – want in Christus hebben wij alles ontvangen wat tot het leven en de godsvrucht behoort (2 Petrus 1:3) – en met verwachting. Immers, wij verwachten Hem, Die komt met de wolken (Openbaring 1:7a). Wie leeft met deze zekerheid en verwachting, mag met eer de naam Maranatha-christen dragen!

zaterdag 4 april 2020

“Daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden…”

De belangrijkste vraag in tijden van crisis

De wereld is in de ban van het coronavirus. Angst heerst. Voorzorgsmaatregelen worden genomen. Beschermingsmateriaal is gewild en wordt in grote getale besteld.
Het is duidelijk dat het coronavirus niet enkel en alleen grote impact heeft op de volksgezondheid, maar ook op de invulling van het dagelijks leven en de economie.
Christenen vragen zich af: “Wat is Gods rol in deze pandemie?”
Dominees schrijven brieven aan hun gemeenteleden en op social media wordt andermaal duidelijk dat er onder christenen veel verschillende visies bestaan op wat de Bijbel het “laatste der dagen” noemt.

Merkwaardig fenomeen
Er zijn een aantal zaken waarover ik mij heb verbaasd de laatste weken. Om te beginnen schrik ik altijd weer van de oppervlakkige, haast simplistische en kinderlijke benadering van – overwegend – evangelische christenen met betrekking tot Gods voorzienigheid. Niet alle evangelische christenen denken zo, maar sommigen hanteren de rekensom de duivel is slecht + corona is slecht = corona is van de duivel. Conclusie: God heeft niets met cornona te maken. Alles wat goed is, wordt aan God toegeschreven, en alles wat slecht is komt van de duivel: “Mijn God doet zoiets niet; mijn God is liefde!”

Crisis binnen de belijdende kerk
2 Tessalonicenzen 2:1-12 is een onthutsend gedeelte, waar de kerk wordt gewaarschuwd voor het gevaar dat van binnenuit grip wil krijgen op haar. Het is een gevaar dat getuigt van een ernstige, geestelijke crisis.
Paulus schrijft daar dat dat de Dag dat Christus verschijnt in heerlijkheid niet komt, tenzij eerst de afval gekomen is (vers 3). Het woord afval is in dit verband zwak uitgedrukt. Hoewel er inderdaad een afkeren of afscheiding van het geloof in Christus mee aangeduid wordt, wijst het verband van de perikoop op een indringender betekenis. De gedachte in dit gedeelte is dat mensen zich door opstandigheid afkeren van het geloof. Ze keren het geloof in Christus de rug toe, en in dit toekeren zit een opstandig element, waarmee ze proberen Christus’ gezag te ondermijnen – eerst in hun eigen leven en vervolgens ook binnen Zijn Gemeente. De climax van deze opstand lezen we in vers 3b-4:

“…en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is, de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.”

Het beeld dat Paulus hier geeft, is als volgt: er zal een moment komen, dat de opstand van de mensheid tegen God – met andere woorden: een mondiale opstand – zó sterk zal zijn, dat “de mens van de wetteloosheid” het gezag van Christus over Zijn Gemeente verwerpt en zichzelf dat gezag zal toe-eigenen. Dit gevaar wordt reëel wanneer politieke machten vergoddelijkt worden. Met andere woorden: als een politiek -of regeringsleider wil heersen over het denken, geloven en handelen van de Kerk, dan zijn we terechtgekomen in de situatie die Paulus in 2 Tessalonicenzen 2:1-12 beschrijft. Er zijn landen waar dit actueel is.

De kern van geestelijke crisisbestrijding: het Evangelie
Als we dit Bijbelgedeelte nauwkeurig lezen, dan zien we dat er nog iets anders speelt. Nadat Paulus in vers 7-8 heeft geschreven dat het geheimenis van de wetteloosheid al werkzaam is – dus ja, wij kunnen er al tekenen van zien – en dat deze “wetteloze mens” door Christus Zelf overwonnen zal worden, schrijft hij in vers 9-12:

“…hem, wiens komst overeenkomstig de werking van satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid.”

Ook hier lezen we onderwijs waarvan ik mij afvraag of menig evangelisch christen dit voor zijn rekening zou durven nemen. Paulus schrijft letterlijk dat God een krachtige dwaling zendt. Waarom? Vers 12 geeft het antwoord: “Opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behangen hebben gehad in de ongerechtigheid.” God laat de wetteloze mens dus opkomen als oordeel over allen die het Evangelie van Jezus Christus verworpen hebben. Wat God doet in het laten verschijnen van de wetteloze mens, is het volgende signaal afgeven:

Jullie hebben het Evangelie van Jezus Christus keer op keer gehoord, je hebt het keer op keer afgewezen. Je wilde de leugen, je wilde de ongerechtigheid. Nu dan, hier heb je waar je om gevraagd hebt – de wetteloze mens “met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen.”

Dit zijn geen kinderspelletjes. Dit gaat over serieuze zaken. De diepste vraag die een mens voor zichzelf moet beantwoorden – in crisistijden of in hoogtijdagen – is wat onze houding is ten opzichte van de waarheid. Hoe staan wij ten opzichte van God? Wat is ons antwoord op Zijn uitnodiging om onszelf te onderwerpen aan Zijn gerechtigheid in Christus? De coronacrisis verandert de boodschap van het Evangelie niet, maar confronteert ons wél met het feit dat wij niet om deze vraag heen kunnen. En 2 Tessalonicenzen 2:9-12 waarschuwt ons: als wij te lang dralen, als wij te lang het aanbod van Gods genadige uitnodiging onbeantwoord laten, als wij te lang géén ernst maken met zo’n grote zaligheid (Hebreeën 2:3), dan kan het wel eens zo zijn dat God ons overgeeft aan de macht van de “wetteloze mens, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen,” waarvan we weten dat dit geheimenis nu al werkzaam is.
Wie zijn bekering uitstelt, met welk vroom excuus dan ook, draagt zelf bij aan het proces van verharding. En 2 Tessalonicezen 2:1-12 maakt op een confronterende manier duidelijk waar dit proces uiteindelijk eindigt.

De beste wens in tijden van crisis
Het mooie van Paulus’ tweede brief aan de Tessalonicenzen is dat het tweede hoofdstuk bemoedigend en troostvol eindigt. Want Paulus weet dat deze gelovigen de waarheid van het Evangelie aanvaard hebben. Zij hebben liefde gekregen voor de waarheid van het Evangelie. En nog sterker: zij hebben liefde gekregen voor de God van het Evangelie. En past alleen dankbaarheid. Paulus dankt God voor de gelovige Tessalonicenzen (vers 13-14). Zij zijn verlost uit het geestelijk dode leven, dat werd gekenmerkt door leugens, misleiding en ongerechtigheid. En Paulus’ aansporing aan hen is eenvoudig:

“Sta dan vast, broeders, en houd u aan de overleveringen waarin u onderwezen bent door ons woord of door onze brief.”

Kortom: Blijf bij het Evangelie. Bewaar het Evangelie. Wijk er niet vanaf. En dan eindigt hij het hoofdstuk met een zegen (vers 16-17):

“En onze Heere Jezus Christus Zelf en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad en ons een eeuwige troost en goede hoop gegeven heeft uit genade, moge uw harten vertroosten en u in elk goed woord en werk versterken.”

Degene die liefde voor de God van het Evangelie heeft gekregen, mag verzekerd zijn van de eeuwige troost en goed hoop. Waarom? “Uit genade” (vers 16b). Of het nu crisistijd is, of dat we in de hoogtijdagen van ons leven zitten – geen andere zekerheid en geen andere troost kan dit overtreffen. Dit wens ik jou als lezer van harte toe.

zondag 20 oktober 2019

Het kruis van Christus – monument van Gods Koninkrijk

Woordverkondiging Lucas 17:20-37, Christengemeente Bruchem op 20 oktober 2019

Inleiding: Vanmorgen klinkt een aansporing naar aanleiding van een gedeelte uit de Schrift dat spreekt over de verwachting van de komst van Gods Koninkrijk. En als wij het hebben over de komst van Gods Koninkrijk, dan moeten wij ons realiseren dat alle christelijke geloofsbelijdenissen, op grond van de Bijbel, altijd hebben gesproken in termen van verlossing en oordeel. Als het gaat over de wederkomst van Christus, is de Bijbel zwart-wit. Er wordt een scheiding aangebracht die voor de mens confronterend is. Enerzijds is daar de belofte van eeuwige vreugde, eeuwige heerlijkheid en voor eeuwig in de tegenwoordigheid van Christus mogen zijn. Anderzijds is daar die dreigende waarschuwing: als je geen deel hebt aan deze beloften door het geloof in de Heere Jezus Christus, zul je voor eeuwig onderworpen zijn aan de toorn van God, die Hij in Zijn rechtvaardigheid over jou zal doen komen – niet alleen omdat je gezondigd hebt, maar ook omdat je hebt geweigerd Christus te ontvangen als Verzoening voor de zonde. Met andere woorden: Wie Christus afwijst, zondigt in het kwadraat.

Ik wil met u lezen uit Lucas 17:20-37:

“En toen Hem door de Farizeeën gevraagd werd, wanneer het Koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij hun en zei: Het Koninkrijk van God komt niet op waarneembare wijze. En men zal niet zeggen: Zie hier of zie daar, want, zie, het Koninkrijk van God is binnen in u. En Hij zei tegen de discipelen: Er zullen dagen komen dat u ernaar verlangen zult één van de dagen van de Zoon des mensen te zien, en u zult die niet zien. En zij zullen tegen u zeggen: Ziehier of ziedaar is Hij. Ga er niet heen en ga er niet achteraan. Want zoals de bliksem flitst van de ene plaats onder de hemel en naar de andere plaats onder de hemel licht, zo zal ook de Zoon des mensen zijn op Zijn dag. Eerst moet Hij echter veel lijden en verworpen worden door dit mensengeslacht. En zoals het gebeurde in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen. Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk en zij werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam en hen allen om deed komen. Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Op de dag echter waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht hen allen om. Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden. Wie op die dag op het dak zal zijn, met zijn huisraad in huis, moet niet naar beneden gaan om het mee te nemen. En wie op de akker is, moet evenmin terugkeren naar wat hij achterliet. Denk aan de vrouw van Lot. Wie zijn leven zal proberen te behouden, zal het verliezen. En wie het zal verliezen, zal het behouden. Ik zeg u: In die nacht zullen er twee op één bed zijn. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.
Twee vrouwen zullen samen malen. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden. Twee zullen er op de akker zijn. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden. En zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Waar, Heere? En Hij zei tegen hen: Waar het lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.”

Zoals gezegd, gaan we het vanmorgen hebben over de verwachting van de komst van Gods Koninkrijk. Ik wil met u kijken naar vijf aspecten die in dit gedeelte naar voren komen:

1. Verwacht géén tekenen (vers 20-21)
2. Verwacht misleiding (vers 22-24)
3. Verwacht de gekruisigde Christus (vers 25)
4. Verwacht het oordeel (vers 26-30)
5. Verwacht de eeuwigheid (vers 31-37)


1. Verwachte géén tekenen (vers 20-21)
Zoals u kunt horen, mogen en moeten we als christenen – op grond van Lucas 17:20-37 – vier dingen verwachten. En als u goed naar mij geluisterd hebt, dan hebt u ook gehoord dat we iets ook niet moeten verwachten. En daar wil ik mee beginnen.
Het is namelijk zo dat de vraag die Jezus krijgt, met betrekking tot de komst van Gods Koninkrijk, wordt gesteld door Farizeeën. Kijk maar naar het begin van vers 20:

“En toen Hem door de Farizeeën gevraagd werd, wanneer het Koninkrijk van God zou komen…”

Voor de context is het van belang dat ik laat zien waar deze vraag vandaan komt. Kortgezegd komt het hier op neer: Christus begon Zijn bediening toen een Romeinse vazalkoning over Galilea regeerde, Romeinse stadhouders heersten over Judea en het Judaïsme – de Joodse godsdienst – vermengd was met het hellenisme. Het is in deze context, dat de Farizeeën de vraag over de komst van Gods Koninkrijk stellen. Deze vraag leefde echt. Er werd door rabbi’s gediscussieerd over de vraag of Gods Koninkrijk onverwachts en krachtig zou doorbreken, of dat het Koninkrijk van God zou komen wanneer de Joden zich zouden bekeren. Als we de politieke context van het Israël in die tijd in gedachten houden, is deze vraag niet zo gek.
En toch is de vraag ook wél gek. Ik zal u laten zien waarom. Bladert u voor een ogenblik naar Lucas 11. In Lucas 11:14-23 lezen we dat Christus een demon uitdrijft. De reactie van de mensen is verschillend; de één is niet overtuigd en vraagt om een teken uit de hemel en een ander beweert dat Jezus de demon kan uitdrijven door de macht van satan. In de reactie die Jezus vervolgens geeft, in vers 17-20, laat hij zien hoe absurd deze laatste reactie is:

“Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, valt. Als nu ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe kan zijn rijk dan standhouden? Want u zegt dat Ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf. Als Ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf, door wie drijven uw zonen hen dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn. Maar als Ik door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen.”

Lucas 17:20 is in het licht van dit gedeelte – uit Lucas 11:14-23 – ronduit schokkend. Vergeet niet dat de beschuldiging aan het adres van Jezus, dat Hij demonen uitdrijft door satan zelf, in Mattheüs 12 wordt gelijkgesteld met de zonde tegen de Heilige Geest.
De omstanders – en geloof mij: daar zitten óók Farizeeën en Schriftgeleerden tussen – krijgen het hier in de schoot geworpen! Christus zegt: “Als Ik door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen.”
En nu, zes hoofdstukken verder, klinkt deze vraag: “Kunt u ons vertellen wanneer Gods Koninkrijk komt?”
Toepassing: Als u wilt weten hoe u de Heere Jezus tot zwijgen moet brengen, dan moet u de leerschool van de Farizeeën volgen. Er zijn mensen die stellen dat “Jezus niet tegen hen spreekt.” Jezus “zegt niks.” Jezus “geeft geen teken.” Christus spreekt wel, maar zij luisteren niet. Dat is het hele punt hier. Christus spreek! Hij heeft gesproken; Hij spreekt 1930 bladzijden als u dit boek leest. En u beweert dat Hij niks zegt? Laat mij u dit zeggen: als u beweert dat u de Bijbel leest en dat Christus is gestopt met spreken, dan kampt u met hetzelfde probleem als de Farizeeën. De woorden van Christus worden spaarzaam als er niet naar Hem geluisterd wordt. De Farizeeën hebben te horen gekregen wat ze hadden kunnen weten. Verder doet Christus er het zwijgen toe. De zwijgzaamheid van Christus is het oordeel over ongeloof. Onthoud dit: Christus is niet gestopt met spreken, u bent gestopt met luisteren. En geef Christus eens ongelijk – u moet Hem sowieso nooit ongelijk geven! – wanneer Hij meer zwijgt dan spreekt vanwege uw slechte luistergedrag. Als u koppig vasthoudt aan uw eigen gelijk en als u uw opvattingen en plannen en gedachten niet wilt toetsen aan de Schrift, wat heeft Hij u dan nog te zeggen?
Dan iets anders. Christus stelt dat het Koninkrijk niet op waarneembare wijze komt. Er gaan geen tekenen aan vooraf. We kunnen geen grip krijgen op de komst van Gods Koninkrijk door een draaiboek met allerlei “eindtijdgebeurtenissen” te maken. In plaats daarvan zegt Christus in vers 21:

“En men zal niet zeggen: Zie hier of zie daar, want, zie, het Koninkrijk van God is binnen in u.”

Hier moet ik een opmerking maken over de vertaling: Christus kan nooit bedoelen dat Gods Koninkrijk in de Farizeeën aanwezig is. Dat is onmogelijk. Het Koninkrijk van God is niet aanwezig in mensen die Jezus niet erkennen als de Gezalfde van God. Christus kan dus onmogelijk bedoelen dat Gods Koninkrijk aanwezig is in Farizeeën die Hem niet erkenden als Gods Messias. In plaats daarvan moeten we zeggen: “Het Koninkrijk van God is binnen uw bereik.” Toen kon dat in letterlijke zin worden begrepen, omdat de Heere Jezus fysiek bij hen aanwezig was.
Dit maakt duidelijk dat Gods Koninkrijk Christus-gecentreerd is. Het Koninkrijk is Christocentrisch. Het feit dat Jezus de titel Zoon des Mensen op Zichzelf betrekt – een term uit Daniël 7:13-14 – wijst op Zijn identiteit als Messias. Overigens is het ook zo dat de term Zoon des Mensen politiek gezien minder beladen was dan een titel als “Messias” of “Zoon van David.” Dit is de boodschap die keer op keer in het Nieuwe Testament klinkt: Wie Gods Koninkrijk binnen wil gaan, kan niet om de Heere Jezus heen. De boodschap van Jezus aan de Farizeeën is hier: “Stop met het zoeken naar tekenen! Ga niet af op de wonderen en tekenen, kom naar Mij!”
Toepassing: En op grond van Gods Woord kan ik dat ook deze morgen zeggen: als u of jij niet in de Heere Jezus gelooft, speur dan niet naar wonderen en tekenen, maar ga naar Hém!
Ik denk dat het een reëel gevaar voor christenen is, dat we afdrijven van het Centrum van Gods Koninkrijk – en dat is de Drie-enige God Zelf – en ons gaan richten op de vruchten van dat Koninkrijk. Vruchten horen erbij, absoluut. Maar ze zijn niet het fundament van Gods Koninkrijk. Ik kom zo nog verder te spreken over dit fundament.

2. Verwacht misleiding (vers 22-24)
Als Christus de Farizeeën heeft toegesproken, wendt Hij Zich tegen Zijn discipelen. Dat lezen we in vers 22-24:

“En Hij zei tegen de discipelen: Er zullen dagen komen dat u ernaar verlangen zult één van de dagen van de Zoon des mensen te zien, en u zult die niet zien.
En zij zullen tegen u zeggen: Ziehier of ziedaar is Hij. Ga er niet heen en ga er niet achteraan.
Want zoals de bliksem flitst van de ene plaats onder de hemel en naar de andere plaats onder de hemel licht, zo zal ook de Zoon des mensen zijn op Zijn dag.”

Net hebben we gezien wat we niet moeten verwachten, namelijk waarneembare tekenen. Tegen zijn discipelen zegt Christus nu dat zij iets wel moeten verwachten, namelijk misleiding.
En ik vond de combinatie tussen vers 22 en 23 eerst best vreemd. Vers 23 spreekt over het verlangen van de discipelen:

“En Hij zei tegen de discipelen: Er zullen dagen komen dat u ernaar verlangen zult één van de dagen van de Zoon des mensen te zien, en u zult die niet zien.”

En in vers 23 klinkt ineens de waarschuwing:

“En zij zullen tegen u zeggen: Ziehier of ziedaar is Hij. Ga er niet heen en ga er niet achteraan.”

En dan kijk ik naar zo’n tekst en dan vraag ik mij af: “Wat is het verband tussen het verlangen van Christus’ discipelen en de waarschuwing die Jezus geeft?” Het verband tussen vers 23 en 24 is dat we ervoor moeten oppassen dat een verlangen niet zó sterk wordt, dat we daardoor genoegen gaan nemen met dat wat niet echt is, dat wat nep is.

Toepassing: Broeders en zusters, het is een belangrijke les die de Heere Zijn discipelen – en via Lucas ook ons – leert: een sterk verlangen belemmert het onderscheidingsvermogen. Als een verlangen zó sterk wordt, dat het uw leven gaat beheersen, bent u sneller vatbaar voor misleiding. Want u zult dan elk signaal en elk teken en elk bericht willen geloven dat wijst op een naderende vervulling van deze verlangens. Dat is met betrekking tot de wederkomst van Jezus ook zo. Er zijn in de geschiedenis verschillende mensen geweest die beweerden de Messias te zijn. Onlangs was de zogenaamde Kerk van de Almachtige God in het nieuws. Dit is een Chinese sekte, die beweert dat de wederkomst van Jezus al heeft plaatsgevonden. Wees waakzaam, broeders en zusters! Toets uw verlangens, en breng ze in overeenstemming met het Woord van God. Als een bepaald verlangen ongezond sterk wordt, kan er twee dingen gebeuren: óf u volgt misleiders die inspelen op dat verlangen, óf u gaat de Bijbel lezen en interpreteren vanuit dat verlangen. Beiden zijn gevaarlijk. Óf de Bijbel heerst over uw verlangens, óf uw verlangens heersen over de Bijbel.
Christus waarschuwt Zijn discipelen dat Zijn komst in heerlijkheid in geografisch opzicht niet gefaseerd is. De wederkomst van Christus is een kosmisch gebeuren – de hele wereld zal het zien. Denk hier eens over na – de hele wereld! Als de Heere Jezus terugkomt, zal iedereen Hem zien. Iedereen! “Want zoals de bliksem flitst van de ene plaats onder de hemel en naar de andere plaats onder de hemel licht, zo zal ook de Zoon des mensen zijn op Zijn dag.” Van oost tot west en van noord tot zuid: iedereen zal Christus zien verschijnen. Christus komt niet zoals Hij de eerste keer op aarde kwam: de eerste keer moest een ster aan de hemel de weg wijzen naar de plek waar het Koningskind was geboren. De eerste keer moesten Zijn ouders met Hem op de vlucht voor Herodes. Dat is bij Zijn wederkomst heel anders! Niemand hoeft Hem te zoeken, want iedereen zal Hem zien. En Hij zal niet vluchten voor Zijn vijanden; het is juist andersom – Zijn vijanden proberen zich te verbergen voor Hem.
Toepassing: Dus, nogmaals: wees waakzaam. Geloof niemand die beweert dat de Messias is teruggekomen en dat je Hem eerst moet zoeken voordat je Hem kunt vinden. Toets alles op grond van de Bijbel. Luister naar het Woord van Christus. Wees bereid om te zwijgen, zodat Hij kan spreken. U bent geroepen om Christus te volgen. John Flavel schrijft: “De besten onder de mensen zijn op zijn best ook maar mensen; zij hebben hun fouten en gebreken, die zij ruiterlijk zullen erkennen. En waar zij verschillen van Christus, is het onze plicht te verschillen van hen.” U moet met een vaste blik gericht zijn op Jezus. Staar uzelf niet blind op andere mensen, maar houd het oog gericht op Jezus, de “Leidsman en Voleinder van het geloof” (Hebreeën 12:2).

3. Verwacht de gekruisigde Christus (vers 25)
Dit brengt ons bij vers 25. Vers 25 lijkt in eerste instantie een vreemd vers. Want terwijl Christus Zijn discipelen onderwijst over de komst van Gods Koninkrijk, zegt Hij:

“Eerst moet Hij echter veel lijden en verworpen worden door dit mensengeslacht.”

Terwijl Christus eerst een geweldig perspectief schildert voor de discipelen – de wederkomst in heerlijkheid, waar de hele wereld getuige van zal zijn en waar de discipelen naar verlangen – zegt Hij, ogenschijnlijk uit het niets dat de Zoon des Mensen “eerst veel moet lijden en verworpen worden door dit mensengeslacht.” Waarom zegt Hij dat hier? Is dit niet een hele vreemde opmerking?

Nee.

Let op het woord moet. Christus moet veel lijden. Christus moet verworpen worden. Er is geen andere weg. En dan volgt de onvermijdelijke vraag: “Waarom moet dat?”
Laat mij deze vraag beantwoorden met de woorden van Paulus uit Kolossenzen 1:12-14:

“Daarbij danken wij de Vader, Die ons bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht. Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van zonden.”

In deze tekst legt Paulus op schitterende wijze uit wat er is gebeurd toen Christus leed en stierf. U vraagt: “Wat is de relatie tussen het kruis van Christus en het Koninkrijk van God?” Paulus geeft het antwoord: het kruis van Christus is de toegangspoort van Gods Koninkrijk. Het kruis van Christus is niet alleen de poort van Gods Koninkrijk; het is het fundament. De poort van Gods Koninkrijk zou nooit geopend kunnen worden zonder kruis, want het kruis is de toegangspoort! En wanneer u zich vastklampt aan dit kruis, dan treedt u Gods Koninkrijk binnen. En volgens Paulus betekent dat drie dingen:

(1) Wie het Koninkrijk van God is binnengegaan, heeft vergeving van zonden ontvangen (Kolossenzen 1:14). De schuld van de zonde is weggedaan; de zonden zijn vergeven.
(2) Wie het Koninkrijk van God is binnengegaan, is getrokken uit de macht van de duisternis (Kolossenzen 1:13). De macht van de zonde is gebroken.
(3) Wie het Koninkrijk van God is binnengegaan, heeft deel aan de erfenis van de heiligen in het licht (Kolossenzen 1:12). De christen zal ooit worden bevrijd van de aanwezigheid van de zonde.

Toepassing: Broeders en zusters, hier komen we bij de kern van het leven in Gods Koninkrijk. Als wij door het geloof in de Heere Jezus Christus één zijn geworden met Hem, als wij door het kruis Gods Koninkrijk zijn binnengegaan, dan zijn al deze drie dingen ons deel. In Christus zijn al deze zegeningen voor u en voor mij.
Wat betekent dit alles voor het leven in Gods Koninkrijk? Leven in Gods Koninkrijk betekent dat wij in eenheid met Christus leven onder Zijn heerschappij. Het leven in Gods Koninkrijk wordt in feite gekenmerkt door twee woorden: eenheid en afhankelijkheid. Door één te zijn met Christus ontvang ik vergeving van al mijn zonden – en dat niet alleen: ik ontvang ook de volmaakte gerechtigheid van Hém.
Door één te zijn met Christus deel ik in de overwinning die Hij heeft behaald over de zonde en satan. Dit betekent dat de zonde in mijn leven progressief verslagen zal worden. De zonde woont nog wel in mij, maar heeft dankzij de eenheid met Christus geen macht meer over mij. Elke dag leren we om in de voetsporen van Christus te gaan en leren we te vertrouwen op Zijn Woord en leren we gehoorzaam te zijn aan Hem.
Door één te zijn met Christus deel ik in de overwinning die Hij heeft behaald over de dood. Als ik sterf, leef ik – voor eeuwig met Hém. En hoe! Volmaakt, zonder zonde.
Vergeet dit nooit, broeders en zusters – en als u werkelijk kinderen en discipelen van Christus bent, dan zult u dit nooit vergeten: Geen Koninkrijk zonder kruis.
Ik hoop dat u de ernst van deze woorden begrijpt. Ik hoop dat uw begrip en het verstaan van het kruis van Christus – voor zover dit te doorgronden is – diep gaan. Ik hoop dat u het kruis ziet in verhouding tot Gods Koninkrijk. Ik hoop dat u ziet dat het kruis van Christus een werkelijk, historisch monument is – een monument, opgericht van deze machtige verlossingsdaad. Het kruis is het monument van goddelijk oordeel en goddelijke vrijspraak: Hij voor ons. Christus voor ons. Het kruis, broeders en zusters, is geen plek waar wij ons op de borst kunnen kloppen. Het kruis is het monument waar wij geconfronteerd worden met onze zonde, en onze onwaardigheid. En tegelijkertijd worden we herinnerd aan de onbegrijpelijke liefde, barmhartigheid en genade van God.

4. Verwacht het oordeel (vers 26-39)
En hoe vreemd het oog mag klinken: het kruis van Christus, Gods monument voor het machtige verlossingswerk van Zijn Zoon, is enerzijds de plek waar de plek waar het oordeel door Hem gedragen is. Anderzijds is het kruis ook de heenwijzing naar het definitieve oordeel bij Christus’ wederkomst. We lezen in vers 26-30:

“En zoals het gebeurde in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen.
Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk en zij werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam en hen allen om deed komen.
Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden.
Op de dag echter waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht hen allen om.
Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.”

De Heere Jezus noemt hier twee momenten waarop God Zijn oordeel heeft voltrokken: de zondvloed en het vernietigen van Sodom en Gomorra. Christus zegt hier als het ware: Kijk goed naar de omstandigheden waarin Gods oordeel werd voltrokken. Zó zal het ook zijn op de Dag dat de Zoon des Mensen geopenbaard zal worden.”
En wat lezen we over die omstandigheden? De omstandigheden zijn opvallend normaal. Kijk maar eens naar de kenmerken die Jezus noemt:

• Mensen eten en drinken (vers 27a, 28a)
• Mensen trouwen (vers 27b)
• Mensen drijven handel en werken (vers 28b)

Dit waren de omstandigheden toen de zondvloed kwam en toen God een einde maakte aan Sodom en Gomorra. Wat heeft dit ons te zeggen? Boven alles één ding: Gods oordeel komt over deze wereld op een moment dat de wereld het niet verwacht. Gods oordeel zal de wereld overvallen. Het hoeft ons in dit opzicht niet te verbazen dat de Heere Jezus even verderop in het Lucasevangelie de vraag stelt: “Maar zal de Zoon des Mensen, als Hij komt, wel het geloof op de aarde vinden?” (Lucas 18:8)
In het normale, in het alledaagse breekt God in. De hemel scheurt open, Gods Zoon verschijnt in ontzagwekkende heerlijkheid, en de legers van de hemel volgen Hem.
Toepassing: Broeders en zusters, verwacht u Gods oordeel over deze wereld? Verwacht u het moment dat ik zojuist verwoord heb? Leg uw levens eens naast de normale omstandigheden die Christus in vers 27 en 28 noemt. U hebt genoeg te eten en te drinken, u wordt eens in de zoveel tijd uitgenodigd voor een feestje. U bent misschien getrouwd. En ik hoop van harte dat u ook gelukkig getrouwd bent! U houdt van uw man of vrouw en brengt veel tijd door samen. En op het gebied van werk of een hobby bent u ook druk bezig. Niks mis mee. Dit zijn allemaal zegeningen die God u heeft geschonken; geniet ervan met ongeremde dankbaarheid! En tegelijkertijd wil ik u deze vraag stellen: beseft u met al deze zegeningen in de hand dat Christus zal verschijnen? Zorg ervoor dat al deze normale zaken van het leven het zicht op Christus’ komst niet verduisteren. Als dat gebeurt, deelt u in hetzelfde lot als degenen die zich buiten de ark en binnen de poorten van Sodom en Gomorra bevonden.
Toepassing: Ik wil u nog een waarschuwing meegeven, broeders en zusters. We leven in een tijd waarin mensen zich steeds vijandiger en agressiever keren tegen het Evangelie van Jezus Christus en tegen de Kerk van Christus. Dat zien we om ons heen gebeuren. Ik ben ervan overtuigd dat dit alleen maar erger zal worden. Realiseer u goed dat de momenten waarop de zonde zich het hevigst manifesteerde het moment was waarop God heeft ingegrepen en Zijn rechtvaardige oordeel heeft voltrokken. Het zou zomaar kunnen zijn dat er een parallel getrokken moet worden tussen het lijden van Christus en het lijden van Zijn Kerk. Wat was de meest heftige vorm van verwerping van Christus? Toen Hij werd gedood. Toen Hij werd gekruisigd. De kruisiging van Christus is het dieptepunt van vijandschap tegen Hem. Maar wat zien we dan gebeuren? God wekt Hem op uit de doden! Als alles voorbij lijkt, als de zonde overwonnen lijkt te hebben, grijpt God in. Zijn oordeel keert álles om. Ik denk dat we er sterk rekening mee moeten houden dat dit ook voor de Kerk geldt. Het verzet tegen haar groeit. De vijandigheid neemt toe. Het kan zomaar zijn dat de Kerk ogenschijnlijk verworpen en verslagen lijkt door de geest van demonische vijandigheid. Maar juist als je denkt dat dát het geval is, grijpt God in. Zoals Christus de wereld overwonnen heeft, zo overwint de Kerk ook de wereld. Niet in zichzelf, maar in Hem – in Christus alleen.

5. Verwacht de eeuwigheid (vers 31-37)
We moeten voorbereid zijn op de Dag dat Jezus Christus Zijn lijdende Kerk op aarde zal verlossen. En Hij geeft Zijn discipelen, en dus ook ons, de volgende opdracht mee:

“Wie op die dag op het dak zal zijn, met zijn huisraad in huis, moet niet naar beneden gaan om het mee te nemen. En wie op de akker is, moet evenmin terugkeren naar wat hij achterliet. Denk aan de vrouw van Lot. Wie zijn leven zal proberen te behouden, zal het verliezen. En wie het zal verliezen, zal het behouden. Ik zeg u: In die nacht zullen er twee op één bed zijn. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden. Twee vrouwen zullen samen malen. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden. Twee zullen er op de akker zijn. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden. En zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Waar, Heere? En Hij zei tegen hen: Waar het lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.”

Dit gedeelte spreekt van twee soorten mensen: mensen die wel voorbereid zijn op Jezus’ wederkomst en mensen die niet voorbereid zijn op Zijn wederkomst.Als Jezus Christus terugkomt, is uw eeuwige bestemming bezegeld. En daar is dan geen ontsnappen meer aan. We moeten leren van de vrouw van Lot. Ze keek om naar Sodom en Gomorra. U weet wat er met haar gebeurde: ze werd een zoutpilaar. Christus noemt haar hier als waarschuwing om te allen tijde voorbereid te zijn op Zijn komst. Als u niet weet wat er gebeurt op het moment dat Christus terugkomt, bent u verloren. Christus heeft het hier over iemand die zich bevindt op het dak van zijn huis. Nu is het zo dat de huizen in die tijd een buitentrap hadden – een trap langs het huis – waarmee je snel op en van het dak kon komen. Het voordeel hiervan was dat je dan niet door je huis hoefde te gaan. Dit beeld illustreert dat iemand die wil vluchten bereid is een omweg te nemen om zijn bezittingen in veiligheid te brengen.
Toepassing: Als u probeert uw bezittingen in veiligheid te brengen en mee te nemen op uw vlucht, dan gaat u het niet redden.
Laat het mij eens anders zeggen: Als Christus terugkomt, als u Hem ziet verschijnen en de afstand tussen u en Hem wordt niet kleiner maar groter, dan verraad u uzelf en bent u te laat.
Uw lot wordt in vers 37 op een weerzinwekkende manier beschreven:

“Waar het lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.”

Dit beeld komen we ook tegen in Ezechiël 32:4-6, 39:17-20 en Openbaring 19:17-18. Het is een afschrikwekkend beeld van Gods oordeel over de goddelozen.
Maar als u werkelijk een kind van God bent, dan zult u Hem zien, en dan zult u Hem tegemoet gaan in de lucht. Als Christus uw leven is, dan zult u bij Zijn wederkomst alles uit uw handen laten vallen om in Zijn tegenwoordigheid te kunnen zijn. Als Christus uw leven is, dan maakt u zich geen zorgen over uw bezittingen op het moment dat Hij terugkomt. Als u werkelijk van Christus bent, dan verlangt u ernaar om bij Hem te zijn, en het liefst zo snel mogelijk!
En naar de belofte van dit gedeelte, zal Hij u aannemen. Ja, u bent nu al juridisch aangenomen als kind van God, omdat u door het geloof in Christus één met Hem bent. Maar dan zult u publiekelijk aangenomen worden. Als Christus terugkomt, zult u publiekelijk Zijn Koninkrijk binnengaan. Net zoals Zijn wederkomst niet ongezien voorbij zal gaan, zal het ook niet onopgemerkt blijven dat u toegang krijgt tot Zijn Koninkrijk.
Toepassing: We mogen leven in deze verwachting, broeders en zusters! Als u denkt aan de Dag van het oordeel, als u denkt aan de Dag dat Christus terugkomt, bedenk dan dat die Dag publiekelijk zal openbaren wat u in deze tijd door het geloof hebt ontvangen.
U hebt in deze tijd door het geloof vergeving van zonden ontvangen – bij de wederkomst van Christus zal dit publiekelijk verklaard worden.
U hebt in deze tijd progressieve overwinning over de zonde mogen vieren – bij de wederkomst van Christus zal dit publiekelijk bewezen worden.
U hebt in deze tijd uitgezien naar het moment dat u in de tegenwoordigheid van Christus zou zijn, volmaakt en zonder zonde – bij de wederkomst van Christus zal dit verlangen en deze hoop in vervulling gaan.

Amen.

zaterdag 29 september 2018

God van tevredenheid

Tevreden zijn in een tijd van pessimisme

In Filippenzen 2:12-18 lezen we drie aansporingen van de apostel Paulus aan de “geliefden” en “heiligen” in Filippi (in vers 12, 14 en 16). Deze aansporingen hebben betrekking op de verlossing die de gelovigen al ontvangen hebben [verleden], maar die op dit moment [tegenwoordige tijd] moeten worden uitgewerkt met het oog op de wederkomst van Jezus Christus [toekomende tijd].
Deze drie aansporingen hebben op hun beurt ook weer drie motieven, drie redenen die de gelovigen in Christus moeten overtuigen om de opdracht daadwerkelijk te gehoorzamen. Het opmerkelijke aan deze drie motieven is dat Paulus steeds wijst naar God.

Christus volgen zonder klaagzang
Wanneer we het gedeelte globaal doorlezen, valt het op dat vers 14 uit de toon valt in vergelijking met vers 12 en 13. Paulus lijkt de christenen in vers 12-13 als het ware op enthousiaste manier aan te sporen om “de verlossing uit te werken met vrees en beven.” Maar in vers 14 begint hij over “morren en meningsverschillen.”
We moeten ons realiseren dat Paulus in Filippenzen 2:1-11 heeft geschreven hoe Jezus Christus in alles gehoorzaam is geworden aan Zijn Vader. In alles, dat betekent volgens vers 8 gehoorzaamheid tot in de dood. Het was de wil van de Vader dat de Zoon Zijn leven zou afleggen. De Zoon moest sterven, tot redding van zondaren.
Maar dat is niet alles. Ook de manier waarop Christus gehoorzaam is geworden doet ertoe. Daarover schrijft Paulus dat Hij niet krampachtig en ten koste van alles heeft willen vasthouden aan Zijn positie die Hij als God had, maar dat Hij – terwijl Hij God bleef – Zichzelf heeft vernederd door als Mens naar deze wereld te komen en te lijden en sterven. Hij maakte Zichzelf vrijwillig tot “slaaf” of “dienstknecht” (vers 7).
Dit is relevante informatie voor het begrijpen van vers 12-18. “Alles te doen zonder morren en meningsverschillen” betekent in deze context dat gelovigen Christus navolgen in Zijn gehoorzaamheid aan de Vader. En hoe was Christus gehoorzaam? “Zonder morren en meningsverschillen.” Hij heeft nooit geklaagd, nooit gezeurd. Hij ging niet dwarsliggen omdat Hij Zijn zin niet kreeg.
Hij heeft wel geworsteld. En gestreden. Maar dat is wat anders dan morren en klagen en zeuren en de boel bij elkaar krijsen.
Een christen mag worstelen. Een christen mag dingen moeilijk vinden. Een christen mag strijden met de tegenstrijdigheden van het leven en de pijnlijke ervaringen. Maar de boel bij elkaar krijsen tot hij zijn krijgt, staat niet in de lijst met opdrachten die God heeft gegeven.

Eén van de moeilijkste dingen in het leven is om niet mee te doen met de “krijspartijen” die je zoveel om je heen hoort. Gemopper over de politiek, de bankenwereld, bedrijven, het werk, het huwelijk, de mislukte vakantie, de lege schappen in de supermarkt, de opvoeding – er lijkt geen einde te komen aan de lijst met onderwerpen waarover we kunnen mopperen. En dan heb ik één beladen onderwerp nog niet eens genoemd: de kerk. Of beter gezegd: de mensen die de kerk vormen.
Wat is de Kerk? De Kerk is volgens Paulus een gemeenschap waarvan alle leden zijn verlost door het verzoenend lijden en sterven en de opstanding van Jezus Christus. En deze mensen hebben als opdracht om de ontvangen verlossing uit te werken. Nu moeten we niet denken dat een christen zelf inspanning moet leveren om zijn verlossing uiteindelijk veilig te stellen, maar om je actief in te spannen deze verlossing zichtbaar te maken in je leven.

De drie-letter-motivatie van Paulus: God
Waarom zou een christen zich moeten inspannen zijn verlossing uit te werken? Paulus geeft drie redenen, in vers 13, 15 en 16b. En het bijzondere aan al deze motivaties is dat hij in de kern maar drie letters nodig heeft: G-O-D.

Vers 13: “…want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.”
Vers 15: “…opdat u onberispelijk en oprecht zult zijn, kinderen van God…”
Vers 16b: “mij tot roem op de dag van Christus…”

De vraag is nu: wat is het verband tussen Paulus’ motivatie in vers 13, 15 en 16b én zijn oproep in vers 14 om alles te doen zonder morren en meningsverschillen? Zit er een verband tussen “morren”, “meningsverschillen”, “klagen”, “zeuren”, “mopperen” en God? Wat zegt de Bijbel over “God” en “morren”?
In dit geval is vers 15 de sleutel om dit verhaal te begrijpen. God doet niets met morren of tegenzin. Hij zeurt niet wanneer Hij zondaars redt. Hij klaagt niet als Zijn kinderen tot Hem roepen in het gebed. Hij verhoort gebeden niet met tegenzin. Zit er dan een verband tussen “God” en “morren”? Het enige verband is een ontkennende. De combinatie God en klagen gaan niet samen.

Verlost tot tevredenheid
Gods karakter wordt zichtbaar in Zijn verlossingswerk. Stel je voor: God die zondaren verlost met grote tegenzin! Dat doet Hij niet. Het doet Hem goed, het maakt Hem blij en verheugd om mensen te redden door Christus. Het aanbod van Gods reddende genade is daarom ook niet alleen in alle oprechtheid gedaan, maar ook met oprechte blijdschap en tevredenheid!
En wanneer God iemand heeft gerechtvaardigd, komt Hij met Zijn Heilige Geest in die persoon wonen en gaat daar – zoals vers 13 ook zegt – aan het werk. Wat voor werk doet God in het hart van die persoon? Hij maakt de christen meer en meer tevreden. En dat wordt uiteindelijk zichtbaar in het feit dat christenen leren Christus te gehoorzamen zonder tegenzin, zonder morren en zonder meningsverschillen.

Verlost tot weerspiegeling van Gods tevredenheid
Wat gebeurt er wanneer christenen blijven klagen, zeuren en mopperen? Dan verschillen zij in niets met de verloren mensen om hen heen, zo lezen we in vers 15. Een christen is geroepen om op dit punt te schitteren. Het is zó gemakkelijk om mee te doen met geklaag, gemopper en gezeur, maar het is wel een teken van wereldgelijkvormigheid. Paulus werkt vers 15 op zo’n manier uit, dat je niet aan de conclusie kunt ontsnappen dat God werkt vanuit tevredenheid. De wereld kent dit niet. En wanneer christenen werken vanuit gemopper, is er meer van de wereld zichtbaar, dan van God. Dan schitter je niet.

Verlost tot eeuwige tevredenheid
Nu is de Bijbel een realistisch boek. En dat wil zeggen dat de Bijbel de ruwheid van het leven in zekere zin laat staan. Echter, hoewel de Bijbel de ruwheid van het leven laat staan, betekent dit niet dat hij meegaat in het gemopper en geklaag van deze wereld. Integendeel: juist omdat de Bijbel een blijde boodschap verkondigt, kán hij niet meegaan met het gemopper en gezeur van deze wereld. Christus heeft Zijn leven afgelegd! Christus is als dienstknecht naar deze wereld gekomen en is in alles gehoorzaam geworden aan Zijn Vader! En allen die door Hem gered zijn, zullen op een Dag stralen met het licht dat van Christus straalt. Hoe kún je dan nog pessimistisch in een hoek blijven zitten en net doen alsof het helemaal fout gaat met de wereld, omdat er nu bepaalde politici aan de macht zijn? Of omdat de banken stiekem toch meer macht hebben dan je had gedacht? Gehuichelde hoop is erg, maar gehuicheld pessimisme is minstens zo erg.

Waar tevredenheid begint
De laatste regels komen nogal bot en stellig over. Wellicht iets té. We zijn mensen. En mensen hebben in meer of mindere mate de neiging te willen mopperen of klagen over van alles en nog wat. Ik ken mijzelf. Klagen en zeuren zijn niet bepaald vreemd voor mij – en dan druk ik dat nog zachtjes uit. Soms is het goed om zaken scherp uit te drukken en bewust een zwart-wit beeld te creëren, zodat er iets in gang gezet wordt. Tevredenheid komt je niet aanwaaien. Sterker nog, als je er niet actief mee bezig bent, zal je het niet ontvangen. De “klaaggeest” van de wereld wordt overal ingeademd. Je raakt gemakkelijker ontevreden en pessimistisch dan tevreden en optimistisch. Waar moet je dan beginnen? Bij de drie-letter-motivatie van Paulus: G-O-D. Hij is de Bron van tevredenheid. Het valt nauwelijks te beseffen dat God met tevredenheid aan Zijn schepping heeft gewerkt, terwijl Hij wist dat de glans ervan zou verbleken door de zonde. Dit is veelzeggend. God werkt met tevredenheid aan de schepping, waarvan Hij weet dat deze gebroken zou worden. Deze schepping wordt bewoond door talloze klagers en mopperaars. Maar Degene Die deze schepping in Zijn handen houdt, klaagt niet. Hij werkt in alle tevredenheid toe naar de Dag van Jezus Christus. Dit is onze hoop, dit is onze motivatie. Dit is onze God.

maandag 11 juni 2018

De schittering van Gods genade

Een reflectie op dertig jaar

Vorige week mocht ik mijn dertigste verjaardag beleven. Dertig is zo’n psychologische grens; de jeugd is definitief afgesloten, ook qua teller op het verjaringsbord. Drie decennia zijn mij nu al door God gegeven en als er één ding is dat ik oprecht kan zeggen, dan is het dat Hij in al die jaren op wonderlijke, soms onbegrijpelijke, maar uiteindelijk toch beslissende wijze met Zijn genade gewerkt heeft. Het enige waar ik spijt van heb, is dat ik niet méér van Hem heb gevraagd, niet méér van Hem heb gezien dan ik nu doe, niet méér erop gebrand was om Zijn wil te doen en niet méér te vragen om Zijn Geest.

De profetie van Maleachi en het uitzicht van een dertigjarige
Afgelopen jaar heb ik het hele Bijbelboek Maleachi doorgewerkt. Ik heb nagedacht over het oordeel en de genezing die zullen komen bij de verschijning van Jezus Christus. Zijn wederkomst is een geweldig moment voor Zijn volk en tegelijkertijd de definitieve ondergang van deze wereld en allen die niet bij Christus horen.
Toen ik nog jong was (zo rond een jaar of negen) had ik een onbevreesde en hoopvolle wederkomstverwachting. Zoals het zijn moest: de verwachting van een kind. Ik had in de Kinderbijbel gelezen dat “Jezus weer terugkomt, zoals Hij ook is weggegaan.” En dat geloofde ik. Punt. Ik maakte er zelfs een tekening van.

Maar wie ouder wordt, loopt het risico een puinhoop van zijn leven te maken. Dat risico heb ik ook ondervonden. Het ligt er maar aan wat je een puinhoop noemt, maar naarmate ik ouder ben geworden, heeft mijn onbevreesde wederkomstverwachting plaats gemaakt voor een twijfelachtig realisme. Christus is geen doetje. Hij komt om een einde te maken aan de ongerechtigheid in de wereld. Wie ouder wordt, leert ook meer van die ongerechtigheid kennen. Niet alleen dat, het fascineert. Het prikkelt. En het doodt – geestelijk. Eén van de meest beangstigende crises (eigenlijk is het dé meest beangstigende crisis) is de angst te moeten doorleven dat je de zonde tegen de Heilige Geest hebt begaan. Ik heb die angst gekend. Van de kinderlijke verwachting, het kinderlijke geloof leek niets meer over te zijn. Het zorgt voor een vreemd verlangen; naarmate ik ouder word, wil ik weer dat jonge kind zijn – dat jonge kind, dat uitziet naar de komst van Zijn hemelse Vriend op de wolken. Omdat hij weet dat hij van Deze Vriend niets te vrezen is.

Genezing bij het opgaan van de Zon der Gerechtigheid
Als er één ding is wat ik mijn hele leven mee wil nemen, dan is het dit: wat een mens in zijn eigen leven ook aan ongerechtigheid ziet en meemaakt, geen ongerechtigheid is gevaarlijker voor hem dan de ongerechtigheid waar hij zelf deel aan heeft. Ik geloof niet dat ik ongeschonden door de eerste dertig jaar van mijn leven ben gekomen. En ik geloof dat dit geldt voor de meesten van ons. Maar God schenkt in Maleachi een geweldig uitzicht: genezing onder de vleugels van de Zon der Gerechtigheid.
Dat wat geschonden is in ons leven, zal bij de wederkomst van Christus worden beschenen door het licht van Zijn gerechtigheid. Blijkbaar was het voor God een behagen en tot lof van Zijn heerlijkheid dat ik door het geschonden zijn de diepte van Zijn Evangelie zou leren kennen. God begint juist dáár op te bouwen, waar eerst afgebroken is. En dat afbreken ervaren wij als schending van onze waardigheid. Maar wie goed kijkt, ziet Gods werk; Hij haalt het fundament van onze eigen gerechtigheid weg, graaft een diep gat, en vult dat vervolgens met enkel en alleen genade. Als de Heere het huis van een mensenleven niet bouwt, tevergeefs werkt de mens er zelf aan.

“Genees mij, HEERE!”
Toch kan het zijn dat de schending van onze waardigheid als een litteken achterblijft. We raken het in dit leven nooit helemaal kwijt. Het beïnvloed ons functioneren. Iedereen heeft zo zijn eigen gevecht. Ik ook. Soms ben ik uitermate trots en hoogmoedig. Andere keren te laf om mijn mond open te doen. Soms wordt ik onredelijk boos. Op andere momenten maakt melancholie zich meester van mijn geest.
Als er de afgelopen dertig jaar één ding is geweest, wat ik te weinig heb beseft, dan is het dat er genezing zal komen. Ja, ik heb het geloofd, ja, ik heb het beseft – maar dan weinig op zo’n indringende wijze dat ik erom heb gesmeekt.

Mijn hemelse Vriend zal komen. En Hij zal genezing brengen. Hij zal eeuwige blijdschap brengen en de volmaakte wil om Zijn gerechtigheid te eren.
Dát geloof wil ik. Dát kinderlijke vertrouwen, dat wil ik – ook op mijn dertigste.

zondag 14 januari 2018

Verbondstrouw (8)

De boodschap van Maleachi

We zijn aangekomen bij het laatste gedeelte van het Bijbelboek Maleachi. God heeft de aanklachten en het geklaag van Israël beantwoord op drie manieren: Hij heeft de ongerechtigheid van Israël zelf aangewezen, Hij heeft het oordeel aangezegd aan allen die leven in ongerechtigheid én Hij heeft de belofte van herstel gegeven. Dit herstel zal plaatsvinden door Gods eigen Heere, Zijn eigen Messias, de Heere Jezus Christus.
We zijn toegekomen aan een conclusie, een afronding van dit Bijbelboek. Wat zijn de laatste woorden van “Gods boodschapper” aan Zijn verbondsvolk?
We vinden deze laatste woorden in Maleachi 4:1-6; sommige vertalingen geven deze verzen weer als 3:19-24. We kunnen vanuit dit gedeelte minstens een viertal zaken voor het voetlicht brengen.

1. Gods aankondiging: definitief oordeel over de goddelozen (vers 1)
We ontkomen er niet aan om vanuit dit gedeelte stil te staan bij de afschrikwekkende realiteit van de hel. Het leerstuk over de hel is in onze tijd ernstig onder druk komen te staan en niet in de laatste plaats door toedoen van invloedrijke voorgangers en theologen die de realiteit ervan betwijfelen of het ronduit ontkennen. In Maleachi 4:1 worden we meteen met onze neus op de feiten gedrukt en uit de droom geholpen:

“Want zie, die dag komt, brandend als een oven. Dan zullen alle hoogmoedigen en allen die goddeloosheid doen, stoppels worden. En de dag die komt, zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE van de legermachten, Die van hen wortel noch tak zal overlaten.”

God heeft duidelijk gesproken: er zal niets overblijven van degenen die Zijn Naam ontheiligen en Zijn wetten overtreden. Mensen die zich verheffen tegen God en geen verzoening met Hem willen zoeken, zullen door het vuur van Gods toorn verdelgd worden. Het staat er. We kunnen de uitleg van dit gedeelte niet gemakkelijker maken. Zelfs al zou het beeldspraak zijn, dan nog betekent dit een ingrijpend en definitief oordeel.

De hypocrisie van de wereld en de gerechtigheid van God
We moeten hier dieper op ingaan. Gods Woord kent kostbare beloften, maar ook ontzagwekkende en huiveringwekkende aankondigingen van oordeel. De wereld kan hier niet mee omgaan. Zeker in onze tijd, waarin de morele waarden tot een steeds bedenkelijker niveau afglijden, wordt dit zichtbaar. De wereld is ronduit hypocriet. Ze schreeuwt om gerechtigheid, maar durft tegelijkertijd niet in eigen vlees te snijden. De schreeuw om gerechtigheid die uit de wereld komt, houdt altijd in dat de wereld zelf het slachtoffer is en dat de schreeuw om gerechtigheid per definitie altijd is gericht op de straf en ondergang van haar vijanden. De wereld zal echter nooit zeggen dat zijzelf onderdeel van het probleem is. Los van alle goed bedoelde pogingen om deze wereld “tot een betere plek te maken”, moeten we tot de conclusie komen dat zij niet bereid is werkelijke offers te brengen voor ware gerechtigheid. En dat wordt in één aspect direct zichtbaar: de verwerping van Gods verlossingsplan in Jezus Christus.
God krijgt de schuld, God had moeten ingrijpen en Hij deed niets. Het komt dichtbij de verwijten van Gods eigen verbondsvolk Israël (Maleachi 1:2; 3:14-15).
Het meest duidelijk wordt de hypocrisie van de wereld op het moment dat Christus zal terugkomen om de wereld te oordelen. Mensen zullen de bergen en rotsen aanroepen, om te kunnen ontsnappen aan de toorn van Gods Zoon (Lucas 23:30; Openbaring 6:16). Zo wordt de huichelachtigheid van de wereld zichtbaar: de schreeuwt altijd om gerechtigheid en ze verwijt God dat Hij er niets aan doet, maar op het moment dat Hij het wél gaat doen, dan vindt de wereld Zijn oordeel “buitenproportioneel” – te zwaar, te hard, te onredelijk. Maar als er één ding uit al Gods profetieën duidelijk naar voren komt, dan is het wel één ding: de wereld heeft het er zelf naar gemaakt. Zij heeft dit alles zelf over zich afgeroepen.
Met huiveringwekkend realisme moeten we tot de conclusie komen dat Gods toorn over deze wereld komen zal, om alle zonde en zondaars te verdelgen. Hij laat niets van hen over. Als wij niet begrijpen wat zonde betekent en als wij niet leren zien hoe schitterend Gods heerlijkheid is, zullen nooit de ernst van de hel onderkennen. De hel is de plaats waar Gods toorn wordt uitgegoten over allen die Zijn glorieuze Naam veracht hebben en nooit op het punt zijn gekomen in ontzag en aanbidding voor Hem te buigen. Vandaag de dag hebben nog maar schrikbarend weinig mensen een toekomstvisie die verder reikt dan de horizon van deze wereld. We leven hier en nu en dat is het. Dat klinkt gemakkelijk. Doe wat je wil, geniet van het leven, sterf wanneer je wilt en leg geen verantwoording af van wat je hebt gedaan. Het is schokkend dat deze wereld, die grote dictators veroordeeld wil zien worden, een wereldbeeld heeft omarmd waarin totaal geen uitzicht is op genoegdoening en gerechtigheid.

2. Gods eerste belofte: genezing voor Zijn volk (vers 2-3)
Gerechtigheid zal komen. Er zal rechtgedaan worden. Daar lezen we over in vers 2:

“Maar voor u die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn; en u zult naar buiten gaan en dartelen als kalveren uit de stal. U zult de goddelozen vertrappen. Voorzeker, stof zullen zij worden onder uw voetzolen op die dag die Ik bereiden zal, zegt de HEERE van de legermachten.”

Tegenover het huiveringwekkende oordeel over de goddelozen staat Gods troostrijke belofte van genezing voor Zijn volk. En hier zien we het karakter van Gods genade in Christus. Daar waar de goddelozen zelf het oordeel moeten ondergaan, belooft God Zijn volk genezing door een Ander. Gods volk kan onmogelijk genezen worden door iets van of uit haarzelf. Geen mens kan zichzelf oplappen en geestelijk levend maken. Geen mens is in staat zelf een geestelijk geneesmiddel uit te vinden en toe te passen om God met een oprecht hart te dienen. Als Jezus Christus zal komen om de goddelozen te straffen met het eeuwige oordeel, zal Hij Zijn volk ten volle genezing brengen; zij zullen naar buiten gaan als dartelende kalveren uit een stal – vrolijk de vrijheid binnengaan.
Ik zeg dat Christus bij Zijn wederkomst Zijn volk ten volle genezing zal schenken. Ik geloof namelijk dat er een dubbele laag in deze belofte zit. Ik geloof – juist ook vanwege de context van Maleachi – dat het herstel nu al ingezet is. Met dit herstel bedoel ik de heiligmaking. Het Nieuwe Testament getuigt ervan dat gelovigen Zijn gestorven met Christus (Romeinen 6:1-4; Galaten 2:17-21) en daarmee ook aan het oude leven in ongerechtigheid (1 Petrus 2:24-25). Wie Jezus Christus heeft ontvangen als Gods Belofte voor het verkrijgen van Gods gerechtigheid, wordt op dit moment genezen. Hoe? Door te groeien in heiligmaking en door steeds meer te leren wandelen in waarheid en gerechtigheid. We hebben dit al gezien in Maleachi 3:1-5.
Hier zien we een voor toen verborgen schittering van het Evangelie. Wij mogen in Christus zien op de vervulling. Is het geen geweldige hoop en troost dat God niet van ons vraagt dat wij onszelf moeten genezen, maar dat wij – schuilend onder de genadevleugels van Christus, veilig beschermd tegen Gods toorn – door Hem genezen worden? Dat Hij Degene is, Die door Zijn Geest ons reinigt en heiligt? Het is Zijn werk voor ons en in ons. Hier zien we het als een belofte, en in het Nieuwe Testament is het de uitnodigende oproep: “Laat u genezen door Christus!” Bij Hem is genezing, bij Hem is herstel, bij Hem zijn Gods geneesmiddelen tegen de zonde. Bij Hem is vergeving, bij Hem is genade, bij Hem is barmhartigheid en Zijn Geest mogen wij door het geloof ontvangen.
Dan zullen wij gaandeweg leren wat het is om met blijdschap in vrijheid te leven. Want vrijheid, dat is doen wat God wil. En niet alleen dat – het is met blijdschap doen wat God wil. Het is de slogan van het christelijk hedonisme: “God is wordt het meest in ons verheerlijkt, wanneer wij onze diepste vreugde in Hem vinden.”
Gods genade schittert in de Persoon en het werk van de Heere Jezus. Hij is de Middelaar tussen God en Zijn volk. Gods volk beschermt zichzelf niet, zij wordt beschermd.
De goddelozen worden niet beschermd tegen Gods oordeel. Op de Dag dat Christus terugkomt, hebben zij de genade en hoop op verzoening met God definitief aan zich voorbij laten gaan en zullen zij zelf het oordeel moeten ondergaan.
Alle roem voor Gods volk is uitgesloten. Zij wordt nederig gemaakt in het besef dat zij zichzelf niet verlost of beschermd, maar dat Christus haar Verlosser en Beschermer is. Christus zet Zich ook vandaag in voor de bescherming, reiniging en verlossing van Zijn volk. Hij is de Zon der gerechtigheid. Door de toegerekende gerechtigheid van Zijn volmaakte leven zijn wij beschermd tegen Gods toorn over onze ongerechtigheid en onder Zijn genezende vleugels is onze heiligmaking gegarandeerd.

3. Gods opdracht: “Gedenk de Wet die Ik aan Mozes heb gegeven” (vers 4)
Juist het belang van deze praktische heiligmaking wordt zichtbaar in vers 4:

“Denk aan de wet van Mozes, Mijn dienaar, die Ik hem geboden heb op de Horeb voor heel Israël, aan de verordeningen en bepalingen.”

Deze oproep van God vindt oppervlakkig gezien misschien op een onlogisch moment plaats. Maar bij nader inzien sluit deze juist naadloos aan op de aankondiging van Gods oordeel en de belofte van genezing in Christus. Willen wij werkelijk aan Gods oordeel ontsnappen, willen wij werkelijk beschermd zijn tegen Zijn toorn als Hij verschijnt bij de openbaring van Jezus Christus, dan zullen wij ons met Hem verzoend moeten hebben. Wij zullen ons moeten laten genezen met het doel om in de gerechtigheid te wandelen. En op welke manier leren wij de weg van gerechtigheid kennen? Door Gods openbaring in de Wet, die Hij aan Mozes heeft gegeven.
Laat mij hier direct duidelijk stellen dat ik de gedachte verwerp dat een christen onder de Wet is in Oud Testamentische zin. Dat is hij niet. Wij moeten als christenen niet zijn gericht op de Wet, maar op Christus.
Daarentegen is het wel van belang in te zien dat God Zijn karakter, en hieraan gekoppeld Zijn morele waarden, heeft laten zien in de wetgeving. En als wij erkennen dat Christus ons geneest door ons van de weg van zonde en ongerechtigheid te bevrijden, dan moeten wij ook erkennen dat wij op de weg van gerechtigheid zullen wandelen, die gekend kan worden door de Wet.
De vraag of de Wet heeft afgedaan, beantwoord ik daarom met ja en nee. Ja in de zin dat gehoorzaamheid eraan niet zal leiden tot verlossing, en nee in de zin dat wanneer wij Christus als Geneesheer ontvangen hebben, wij de Wet door Zijn Heilige Geest zullen vervullen (zie Galaten 5:23).
Het mag voor christenen misschien vreemd overkomen dat wij Gods inzettingen en bepalingen serieus moeten nemen met het oog op de wederkomst van Christus, omdat wij juist door Christus zijn verlost en gestorven aan de Wet. Maar de schrijvers van het Nieuwe Testament laten er geen twijfel over bestaan dat de wederkomstverwachting onlosmakelijk verbonden is met het onderhouden van Gods geboden. Neem bijvoorbeeld de woorden van de apostel Johannes:

“En hierdoor weten wij dat wij Hem kennen, namelijk als wij Zijn geboden in acht nemen. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet. Maar ieder die Zijn woord in acht neemt, in hem is werkelijk de liefde van God volmaakt geworden. Hierdoor weten wij dat wij in Hem zijn. Wie zegt in Hem te blijven, moet ook zelf zo wandelen als Hij gewandeld heeft.”
(1 Johannes 2:3-6)

Christenen zouden moeten overstromen van het verlangen meer en meer te gaan lijken op Degene Die hen verlost: Jezus Christus. Dit is de essentie van heiligmaking. Juist de wederkomstverwachting zou tot vastberadenheid en goede moed moeten leiden in het christenleven. Gehoorzaamheid en toekomstverwachting gaan hand in hand. Gebruik je talenten, je gaven, handel verstandig, want spoedig komt de hemelse Koning!

4. Gods tweede belofte: genade vóór het oordeel (vers 5-6)
Net zagen we Gods belofte met betrekking tot Christus als de “Zon der gerechtigheid”. In vers 5-6 lezen we van Gods belofte met betrekking tot Elia. Hiermee worden we opnieuw bepaald bij Gods belofte in 3:1-5, waar de wegbereider van de Messias en de Messias Zelf worden aangekondigd:

“Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende dag. Hij zal het hart van de vaders tot de kinderen terugbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaders, opdat Ik niet zal komen en de aarde met de ban zal slaan.”

Er is veel discussie over de vraag wie deze Elia precies is. Sommigen geloven dat de Oud Testamentische profeet Elia opnieuw zal komen, met andere woorden: hij zal uit de dood opstaan en opnieuw optreden.
Vanuit het Nieuwe Testament weten we dat deze Elia betrokken wordt op de persoon en bediening van Johannes de Doper. De Heere Jezus zegt in Mattheüs 11:14 over Johannes:

“En als u het wilt aannemen: hij is Elia, die komen zou.”

Het is onwaarschijnlijk dat Maleachi de Oud Testamentische profeet Elia bedoelt. Want in Mattheüs 17:10-12 lezen we:

“En Zijn discipelen vroegen Hem: Waarom zeggen de schriftgeleerden dan dat Elia eerst moet komen? Jezus antwoordde en zei tegen hen: Elia zal wel eerst komen en alles herstellen. Ik zeg u echter dat Elia al gekomen is, en ze hebben hem niet erkend, maar ze hebben met hem gedaan alles wat ze wilden; zo zal ook de Zoon des mensen door hen lijden.”

Elia is volgens Christus dus al gekomen en door Zijn getuigenis weten wij dat dit over Johannes de Doper moet gaan. Omdat de Joodse religieuze leiders hem niet als zodanig erkend en geaccepteerd hebben, leeft tot op de dag van vandaag nog steeds de verwachting dat de Oud Testamentische profeet Elia in de toekomst zal verschijnen. Wanneer wij als christenen deze opvatting huldigen en ermee instemmen, ondermijnen we dus het getuigenis dat Gods Woord zelf geeft met betrekking tot Johannes.

Oordeel, wederkomstverwachting en bekering
Wat was het doel van Johannes’ bediening? We lezen in Maleachi 4:6 dat hij “het hart van de vaders tot de kinderen zal terugbrengen en het hart van de kinderen tot hun vaders.” Het Nieuw Testamentische verslag laat zien dat Johannes bekering preekte, met het oog op de naderende Oordeelsdag (zie Mattheüs 3:1-12 en Lucas 3:1-17). Ook hier zien we nauw de relatie is tussen de aankondiging van de Oordeelsdag, de wederkomstverwachting en de oproep tot bekering. Wie één van deze elementen weglaat uit de verkondiging van het Evangelie, brengt geen Bijbelse boodschap.
De uitdrukking dat “het hart van de vaders teruggebracht zal worden tot de kinderen en het hart van de kinderen tot de vaders” klinkt in dit opzicht niet logisch. Wanneer we echter kijken naar de vrucht van bekering – en dat is wat Johannes predikte – dan is verzoening van generaties een onderdeel ervan. Houd in gedachten dat Gods verbondsvolk ten tijde van Maleachi niet alleen ontrouw was naar God toe, maar ook naar elkaar. Mensen pleegden overspel en scheidden van elkaar. De belofte van Maleachi 4:6 is een heenwijzing naar het herstel dat zal plaatsvinden wanneer het trouwe overblijfsel van Gods verbondsvolk zich zal bekeren en het verbond met God zal onderhouden. En hiermee ook het huwelijksverbond. Natuurlijk blijft de betekenis hiervan niet beperkt tot het huwelijk en het gezin, maar het is onmiskenbaar dat het volk Israël ten tijde van Maleachi sociale problemen kende.
Ook zien we in de laatste vers van dit Bijbelboek Gods genade schitteren. Hij zal het oordeel niet voltrekken voordat Johannes de Doper en Zijn Heere, Zijn Messias, Zijn Christus zijn verschenen. Als Christus nooit gekomen zou zijn, was de hele wereld verloren en kon niemand gered worden. De hele wereld zou verdelgd worden en iedereen zou voor eeuwig Gods toorn moeten ervaren in de hel.
Maar God zij geloofd – Christus is verschenen! Het oordeel zal voltrokken worden, maar God heeft in Zijn wijsheid en barmhartigheid besloten dit niet te zullen doen voordat Zijn genade in Jezus Christus is geopenbaard (zie Titus 2:11-14).

Hiermee zijn we gekomen aan het einde van de bespreking over de boodschap van de profeet Maleachi. Indringende vragen moeten beantwoord worden. Hoe staat het ervoor met ons? Wat is onze toekomstverwachting? Waarvan moeten wij ons bekeren? Hoe leven wij toe naar de Oordeelsdag? Hebben wij bescherming en genezing gezocht en gevonden bij Jezus Christus?
De boodschap van Maleachi is ontzagwekkend, huiveringwekkend en tegelijkertijd een actuele oproep waarin wij de woorden van Paulus horen doorklinken:

“God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. Wij zijn dan gezanten namens Christus, alsof God Zelf door ons smeekt. Namens Christus smeken wij: laat u met God verzoenen.”
(2 Korinthe 5:19-20)

Blogarchief