De rijkdom van de Bijbelse verlossingsleer
Voordat we het kruiswerk van de Heere Jezus Christus gedetailleerd gaan bestuderen, is het noodzakelijk om stil te staan bij het belang van Zijn gehoorzaamheid gedurende Zijn hele leven als Mens op aarde. Nadat Reymond wat uitgebreider heeft gekeken naar teksten in het Nieuwe Testament die spreken over het “lichaam”, “bloed”, “kruis” en de “dood” van Christus, onderstreept hij het belang van het alomvattende en onderliggende aspect van Zijn gehele leven en bediening, namelijk de gehoorzaamheid van Christus (Romeinen 5:18). Zonder deze gehoorzaamheid kan Bijbels gezien niets met waardigheid worden gesteld dan wat de Schrift zelf getuigt. Kortom: de gehoorzaamheid van Christus gedurende Zijn hele leven en bediening is essentieel voor de betekenis van Zijn kruiswerk.
De aard van Christus’ gehoorzaamheid
Reymond merkt op dat het Nieuwe Testament slechts driemaal expliciet spreekt over de gehoorzaamheid van Christus (Romeinen 5:19; Filippenzen 2:8; Hebreeën 5:8). Het concept van deze gehoorzaamheid is echter ook in andere teksten terug te vinden, bijvoorbeeld in gedeelten waar Christus “dienstknecht” wordt genoemd en waarin wordt verklaard dat het doel van Zijn komst het doen van de wil van Zijn Vader is. Reymond wil hiermee onderstrepen dat Christus als gehoorzame Zoon Zijn werk aan het kruis heeft volbracht en dat Hij Zichzelf voor eens en voor altijd als gehoorzame Zoon heeft geofferd om ons met God te verzoenen.
Vervolgens noemt Reymond vier kenmerken van Christus’ gehoorzaamheid, die hij heeft overgenomen uit het boek Redemption – Accomplished and Applied van de in Schotland geboren theoloog John Murray (1898-1975).
Als eerste is de gehoorzaamheid van Christus een oprechte gehoorzaamheid, waarmee Hij Zichzelf van harte gewillig en met vreugde onderwierp aan de wil en Wet van Zijn Vader. Nooit was Zijn gehoorzaamheid oppervlakkig of slechts een zaak van de buitenkant. Zijn gehele leven op aarde was er één van het zich verheugen in het doen van Zijn Vaders wil.
Ten tweede stelt Reymond, aan de hand van het werk van Murray, dat de Schrift impliceert dat er een progressieve lijn of ontwikkeling in de gehoorzaamheid van Christus aanwezig is geweest (zie teksten als Lucas 2:52, Hebreeën 2:10, en Hebreeën 5:8-9). Dit kan voor ons nogal verwarrend overkomen. Het getuigenis van de Schrift met betrekking tot dit specifieke punt is niet dat Christus een ontwikkeling doormaakte van een staat van ongehoorzaamheid naar gehoorzaamheid. Dat zou betekenen dat de Heere Jezus ooit gezondigd zou hebben en deze gedachte wordt in de Schrift uitdrukkelijk verworpen. Wanneer we denken aan een progressieve lijn of ontwikkeling in de gehoorzaamheid van Christus, moeten we in gedachten houden dat Hij gedurende Zijn leven en bediening meerdere malen te maken heeft gekregen met verzoekingen, beproevingen en tegenstand of verzet. Iedere keer dat Hij hiermee werd geconfronteerd, werd Hij steeds meer resoluut in doen van Zijn Vaders wil. Het beeld van traplopen zou ons hierbij kunnen helpen. Iedere trede is een stap in gehoorzaamheid, te midden van verzet, verzoeking en vijandschap. Hoe meer treden Christus in Zijn gehoorzaamheid beklom, hoe hardnekkiger de vijandschap en het verzet werden, en tegelijkertijd werd Zijn gehoorzaamheid meer vastberaden. Dit proces, deze progressieve ontwikkeling in het gehoorzamen van de wil van Zijn Vader, was noodzakelijk om Hem voor te bereiden op de laatste trede: het kruis van Golgotha.
Als derde stelt Reymond dat de gehoorzaamheid van Christus een climax kent. Hij vermeldt hierbij dat Murray recht wil doen aan het getuigenis van de Bijbel over Christus’ strijd in Gethsemané en uiteindelijk het kruiswerk zelf.
Tot slot, en als vierde, noemt Reymond de dynamiek van Christus’ gehoorzaamheid. Hiermee wordt bedoeld dat de door God bepaalde manier waarop Zijn Zoon gehoorzaamheid zou leren en Zijn Messiaanse taak zou volbrengen, het lijden is. Het is door Zijn lijden dat Hij “veel kinderen tot heerlijkheid zou brengen” (Hebreeën 2:10).
Het doel van Christus’ gehoorzaamheid
Reymond stelt dat Reformatorische theologen zich altijd hebben verdiept in het doel van Christus’ gehoorzaamheid, omdat zij zich ervan bewust zijn dat de verlossing van degenen die Hij redt afhangt van Zijn persoonlijke en doorlopende of altijddurende gehoorzaamheid aan Gods Wet. Reformatorische theologen maken eveneens onderscheid tussen de actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus. Reymond zelf vindt deze termen ongelukkig. Immers, zo stelt hij, niets van wat Christus heeft gedaan, heeft Hij passief of niet van harte of niet-gewillig gedaan. In plaats daarvan geeft hij de voorkeur aan de termen voorschrijvende en strafdragende gehoorzaamheid. Het eerste verwijst naar Christus’ gehoorzaamheid aan de voorschriften van de Wet, het laatste heeft betrekking Zijn gewillige gehoorzaamheid in het dragen van de gehele straf vanwege de ongerechtigheid van Zijn volk die door diezelfde Wet bepaald is. Door Zijn voorschrijvende gehoorzaamheid bezit Hij een volmaakte gerechtigheid die wordt toegerekend aan iedereen die op Hem vertrouwt. Door Zijn strafdragende gehoorzaamheid droeg Hij Zelf, door wettelijke toerekening, de straf voor Zijn volk vanwege de zonde. Het is in het bijzonder deze laatste vorm van gehoorzaamheid die tot uitdrukking komt in Zijn kruiswerk. Dit is de grond van Gods rechtvaardiging van zondaren, waardoor zij worden vrijgesproken en vergeven (omdat Christus in hun plaats de straf op de zonde heeft gedragen) én waardoor zij door God worden aanvaard als rechtvaardig (omdat Christus’ voorschrijvende gehoorzaamheid of volmaakte gerechtigheid hen is toegerekend door geloof).
Christus’ gehoorzaamheid: in leven en sterven
Reymond sluit de behandeling van Christus’ gehoorzaamheid af met de conclusie dat de christen met dankbare lofprijzing de Verlosser aanbidt vanwege Zijn gehoorzaamheid aan de wil en Wet van Zijn Vader. Zonder deze gehoorzaamheid zou er geen verlossing zijn!
Het is een proclamatie vanuit aanbidding die voortdurend onderstreept dient te worden. Zijn wij ons als christenen werkelijk bewust van het feit dat niet alleen de uren van Christus’ strafdragende gehoorzaamheid, maar ook de drieëndertig jaar van voorschrijvende gehoorzaamheid essentieel zijn voor onze verlossing? Vaak wordt de suggestie gewekt dat het lijden en sterven van Christus dé bepalende, cruciale factor en grond is voor onze verlossing. Maar dit is slechts de helft van het verhaal. En we beseffen het wellicht niet, maar als dit halve verhaal voor ons het totale verhaal is, hebben wij géén Evangelie. Een zondaar heeft namelijk niet alleen vergeving en vrijspraak nodig, maar ook volmaakte gerechtigheid. Daarom is de gehoorzaamheid van Jezus Christus gedurende Zijn hele aardse leven en bediening essentieel! De waarde van Christus’ sterven wordt gedragen en ondersteund door Zijn leven in volmaakte gehoorzaamheid.
Dit is een buitengewoon bemoedigend en vertroostend getuigenis van de Schrift. Dit is het goede nieuws van Gods Woord: niet alleen heeft Christus in mijn plaats de straf op de zonde gedragen, maar Hij heeft ook in mijn plaats volmaakt de Wet van God gehoorzaamd en vervuld. Op de oordeelsdag ben ik veilig en beschermd, omdat ik bekleed ben met het kleed van Christus’ volmaakte gerechtigheid en omdat Hij in mijn plaats Gods oordeel over de zonde gedragen heeft. Christus heeft voorzien in wat ik moest hebben maar niet heb, en Hij heeft de straf gedragen die ik had moeten ondergaan. Zouden wij dan niet in dankbaarheid Deze gehoorzame Zoon van God aanbidden?
Posts tonen met het label Zoon van God. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zoon van God. Alle posts tonen
zaterdag 3 juni 2023
Het kruiswerk van Christus (2) Gehoorzaamheid
zondag 26 april 2020
Overwinnende gehoorzaamheid
Christus’ Zoonschap betwist en bewezen
Wanneer predikers de mensen in de kerk willen onderwijzen en bemoedigen in de strijd tegen de verzoekingen van de duivel en zonde, is Mattheüs 4:1-11 misschien wel één van de meest bepreekte gedeelten. Daar lezen we over de verzoeking van Jezus door de satan. Deze geschiedenis wordt vaak behandeld om te laten zien hoe wij verzoekingen kunnen weerstaan. Hoewel het niet onterecht is om dit tekstgedeelte op deze manier te lezen, mist deze benadering wel de hoofdboodschap van het gedeelte.
Het moment van verzoeking is nooit willekeurig
Essentieel voor het begrijpen van de verzoeking waaraan Christus werd blootgesteld, is het getuigenis van God de Vader bij de doop van Jezus. In Mattheüs 3:17 lezen we:
Met deze woorden eindigt hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 begint met de beschrijving van Christus’ verzoeking door satan in de woestijn. Houd het getuigenis van de Vader over de Zoon in 3:17 gedachten bij het lezen van 4:1-11. Het is namelijk geen toeval dat de satan Christus na dit getuigenis verzoekt. En de wijze waarop satan zijn verzoeking vormgeeft zijn ook geen toeval. De Heere Jezus wordt verzocht op het moment dat Hij naar de voorgrond treedt. De Vader heeft van Christus getuigd: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!” Het is Gods publieke verklaring, bevestiging dat Jezus Zijn Zoon is. Het is een geweldig startsein voor Christus’ bediening op aarde.
De verzoeking door satan, die volgens de beschrijving van Mattheüs na deze indrukwekkende gebeurtenis plaatsvindt, is als het ware de bevestiging van Gods getuigenis. Veertig dagen en veertig nachten eet Jezus niets. Na die veertig dagen en nachten, als Hij fysiek kwetsbaar is, komt de verzoeker.
Het doel van de verzoeker: Vader en Zoon van elkaar scheiden
Wat opvalt aan de verzoeking, is dat satan onmiddellijk refereert aan het getuigenis van de Vader over de Zoon in Mattheüs 3:17:
Wat we hier lezen, is een poging om de onverbrekelijke band tussen God de Vader en God de Zoon te verbreken. Satan is erop uit om een wig te drijven tussen de Vader en Christus. Daar waar de Vader heeft getuigd dat Christus Zijn geliefde Zoon is, in Wie Hij Zijn welbehagen heeft, bestrijdt de duivel dit getuigenis juist: “Als U Gods Zoon bent…” Met andere woorden: “Bewijs het maar!” Dit is een hoogst opmerkelijk opdracht: Christus moet bewijzen Gods Zoon te zijn door de duivel te gehoorzamen. Dit is absurd! Iemand bewijst namelijk niet Gods Zoon te zijn door de duivel te gehoorzamen.
Satan betwist het getuigenis van God. Dat doet hij altijd. Christus weerstaat deze verzoeking echter:
Het lijkt hier alsof de Heere Jezus de Bijbel als magisch wapen gebruikt in deze geestelijke strijd, deze krachtmeting. In veel preken over dit gedeelte wordt dan ook vooral het accent gelegd op het middel waarmee Christus de satan weerstaat: Gods Woord. Dat is terecht, want Mattheüs wijst ons hier op. Maar vervolgens wordt direct de lijn naar gelovigen in Christus getrokken: Christus heeft de verzoeking weerstaan met behulp van Gods Woord en zo moet jij dat ook doen.
Om de verwarring weg te nemen: ik geloof dat Gods Woord één van de meest krachtige instrumenten is in onze strijd tegen de zonde. Ik ben echter van mening dat dit een te-kort-door-de-bocht-benadering is en dat we ook geen recht doen aan deze geschiedenis op het moment dat wij onzorgvuldig zijn in de hermeneutische stap. Blijf lezen, want ik kom hier op terug.
Mijn ontdekking door het lezen van deze geschiedenis is dat Gods Woord niet het enige middel is waardoor Christus de verzoekingen heeft kunnen weerstaan. Anders gezegd: Gods Woord was niet het enige geheim of de enige sleutel tot overwinning. Wel een zeer belangrijk middel, maar niet het enige. Er zijn nog twee andere zaken die een cruciale rol hebben gespeeld in Christus’ overwinnende gehoorzaamheid in Mattheüs 4:1-11: de onverbrekelijke band met Zijn Vader en van daaruit ook Zijn Godheid.
Wij kunnen elkaar, op grond van dit gedeelte, behoorlijk op het verkeerde been zetten, als wij slechts stimuleren tot Bijbellezen. Gods Woord lezen, zonder een relatie met Hem te hebben, levert geen vruchten op. Je kunt je afvragen waarom Christus de duivel is gaan voeren met Bijbelteksten. Ik geloof niet dat dit enkel en alleen was omdat Jezus wist dat Gods Woord de waarheid is en dus ook de waarheid communiceert. Ik geloof dat Christus de onverbrekelijke band met Zijn Vader zó sterk ervaart, dat Hij deze ook beschermt met het getuigenis van Zijn Vader. Satan betwist Gods getuigenis over de Zoon en Jezus dient hem onmiddellijk van repliek. Hij zegt als het ware: “Ik niet! Er staat geschreven!”
Eén van de meest heerlijke waarheden die deze geschiedenis aan ons wil communiceren, is dat de Vader en de Zoon zo’n ongekend intense eenheid met elkaar ervaren, dat deze door niets en niemand te verwoesten is. En dat is goed nieuws voor ons. Het laat zien dat Jezus werkelijk één met God de Vader is. Het laat zien dat Hij oppermachtig is, ook op momenten van kwetsbaarheid en zwakte.
Het feit dat Jezus Zelf God is, speelt in deze geschiedenis ook een cruciale rol. We moeten niet vergeten dat dit een essentieel verschil is tussen Hem en ons. Als ik wordt verzocht om ongehoorzaam te zijn aan Gods Woord, dan bestaat er een reële mogelijkheid dat ik ook daadwerkelijk zondig. Waarom? Omdat de zonde in mij woont. Als ik verzocht wordt, slaat de zondige begeerte in mij aan op die uitnodiging. Jezus kent dit niet; Hij heeft geen inwonende zonde. Wie dat beweert, lastert Zijn Naam. Jezus is volmaakt – in alles.
Wellicht vragen mensen zich nu af: hoe zie jij de rol van de Bijbel in de strijd tegen zonde en verzoeking? Door de essentie van de beschreven geschiedenis van Mattheüs 4:1-11 te verwoorden, hoop ik antwoord te geven op die vraag.
Laat mij eerst een tegenvraag stellen: geloof jij, als gelovige in Christus, dat Mattheüs 4:1-11 jou iets te zeggen heeft? Natuurlijk zeg je ja.
Dan wil ik de vraag stellen: wat wil Mattheüs 4:1-11 jou zeggen? Laat mij zeggen wat de boodschap in de kern is: Gods getuigenis over Christus door satan betwist, maar bewezen door Christus’ overwinnende gehoorzaamheid aan het getuigenis van God. Misschien frons jij je wenkbrauwen: “Wat heb ik hier als gelovige nu concreet aan?!”
Alles. Laat het mij uitleggen. Mattheüs 4:1-11 wil in beginsel helemaal niet verklaren hoe gelovigen in Christus overwinning over zonde en verzoeking kunnen behalen. Mattheüs 4:1-11 gaat in beginsel niet over christenen, maar over Christus.
Wij zijn als gelovigen in Christus tijdens het Bijbellezen misschien wel teveel gefocust op onszelf: “Wat betekent dit voor mij? Wat kan ik hiermee? Wat moet ik doen?” Die laatste vraag is trouwens herkenbaar eng, want er was één iemand in de Bijbel die de vraag der vragen aan Jezus stelde: “Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Menig Bijbelkenner weet hoe deze ontmoeting afliep: hij ging bedroefd weg, want het antwoord was te pijnlijk voor hem (zie Mattheüs 19:22).
Ik ga absoluut niet beweren dat we Bijbelgedeelten niet op ons eigen leven moeten betrekken en toepassen! Ik wil er echter wel voor waarschuwen dat we dit nogal eens te snel (willen en kunnen) doen. En ik denk dat dit bij een Bijbelgedeelte als Mattheüs 4:1-11 ook vaak gebeurt. Het is onbegonnen werk om vanuit een Bijbelgedeelte helder te krijgen wat jouw taak is of wat jij moet doen, als je niet eerst hebt gekeken naar wat het gedeelte over God Zelf communiceert.
De heerlijkheid van Christus’ overwinnende gehoorzaamheid
Het ik-gericht Bijbellezen, of misschien wel het egocentrisch Bijbellezen komt ook vaak tot uiting in de bekrompen of enge blik op Christus’ verlossingswerk: “Dat is voor mij!” zeggen we dan blijmoedig. Opnieuw: ik wil niets afdoen van de waarheid dat Christus Zijn leven gaf als een losprijs voor veel mensen.
Maar staan we er ook wel eens bij stil dat Christus stierf voor God? Er zit een dubbele focus in Christus’ verzoeningswerk aan het kruis: een Godgerichte focus en een mensgerichte focus. En die twee gaan hand in hand. Door Christus’ kruisoffer werd voldaan aan Gods rechtvaardige en heilige eis om de zonde te veroordelen en werd de mens verlost van de schuld en macht van de zonde.
Wanneer Christus door de duivel wordt verzocht in de woestijn, is deze dubbele focus niet anders. Christus’ overwinnende gehoorzaamheid over satan is met het oog op God en met het oog op ons. We hoeven er niet lang over na te denken wat de consequenties voor ons zouden zijn geweest als Christus had gebogen voor de duivel: onze hoop op verlossing zou voor eeuwig verloren zijn.
Maar stellen we ook wel eens de vraag wat de consequenties voor God zouden zijn geweest als Christus voor satan had gebogen? Het is niet gebeurd, en ik geloof ook niet dat het had kunnen gebeuren, maar stel jezelf eens de vraag wat er van God en Zijn getuigenis over zou zijn gebleven als het wél was gebeurd.
Ik geloof dat de focus van Mattheüs 4:1-11 voluit op Christus’ heerlijke triomf over de verzoekingen van satan moet liggen. Een triomf die essentieel is voor zowel God als voor ons. Christus boog niet voor de duivel en bewees daarmee dat het getuigenis van de Vader bij Zijn doop de waarheid en niets dan de waarheid is.
Deze geschiedenis leert ook dat Christus als Plaatsvervanger getriomfeerd heeft over de listen van de duivel en Zijn overwinning als de onze wordt toegerekend als wij door het geloof in Hem worden verbonden met Hem. Met andere woorden: Christus heeft de overwinning voor ons verdiend. En Mattheüs 4:1-11 is een gedeelte dat zo’n cruciaal overwinningsmoment beschrijft.
Een ander belangrijk aspect in deze geschiedenis is dat Christus als Mens fysieke kwetsbaarheid en zwakte heeft gekend, juist ook in verzoekingen. Christus kan werkelijk met ons meevoelen in onze zwakheden (Hebreeën 4:15).
De essentie van Mattheüs 4:1-11 kan worden teruggebracht tot Christus’ toewijding aan God en Gods volk.
Christus de Plaatsvervanger is de Christus de Held
Het lijkt nu net alsof er voor ons geen enkele toepassing uit dit gedeelte te halen valt. Niets is minder waar. Er zitten genoeg toepassingen in, maar misschien niet de toepassingen waarvan wij altijd hebben gedacht dat die eruit te halen zijn. De hierboven beschreven zaken geven genoeg stof tot nadenken. “Maar,” hoor ik iemand nu vragen, “hoe kan ik nu overwinning behalen over de zonde in tijden van verzoeking?”
Mijn belangrijkste advies zou zijn: Kijk naar Jezus. Bedenk dat Hij God is en jij niet. Hij is volmaakt. Jij niet. Hij heeft nooit gezondigd. Jij wel.
Vertrouw op Hem als volkomen Zaligmaker in alles. Als je verzoekingen overwinnend doorstaat, schrijf dit dan niet toe aan jouw eigen kracht en inspanningen; wanneer je in zonde valt, twijfel niet aan Zijn meevoelen in jouw zwakheden.
Ik denk dat we hier bij de kern uitkomen. Het is de kern die we ook kunnen zien in Christus’ overwinnende gehoorzaamheid: de onverbrekelijke verbondenheid met Zijn Vader. Hij is één met Zijn Vader. Tijdens Zijn aardse leven had Hij omgang met Zijn Vader. Daar ligt het geheim. Ons geheim bestaat niet primair uit een door de Heilige Geest geïnspireerd boek, waaruit we even zomaar wat beloften plukken in de strijd tegen de zonde. Ons geheim is dat wij Degene kennen, Die plaatsvervangend voor ons gehoorzaam is geworden aan Zijn Vader – gehoorzaam tot in de dood! Zie Filippenzen 2:8. En niet alleen dat; Hij heeft plaatsvervangend de straf voor onze ongerechtigheid gedragen. Wij geloven in Iemand, wij vertrouwen op Iemand, Die in woord en daad is toegewijd aan het getuigenis van Zijn Vader en aan het welzijn van Gods volk. God heeft Zijn Woord in Christus waargemaakt. Christus heeft vastgehouden aan het getuigenis van Zijn Vader vanuit de verbondenheid met Hem. Zo mogen ook wij, door dit geloof en in dit vertrouwen, met Hem leven – delend in de overwinning die Hij heeft behaald over zonde, dood, satan en hel.
Het kennen van het Woord van God zal ons niet veel voordeel brengen, als wij geen omgang hebben met de God van het Woord. Het één kan niet bestaan zonder het ander. We zullen onszelf moeten toevertrouwen aan de Heere Jezus, Die plaatsvervangend overwonnen heeft door gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Als dit vertrouwen ontbreekt, is onze strijd tegen de duivel en de zonde zinloos en zal het leiden tot wanhoop.
Strijden als erfgenamen van Christus’ overwinning
Tot slot wil ik nog een punt van zorg delen. Ik heb een aantal jaren onder vrijzinnige prediking gezeten. Wanneer in vrijzinnige kerken het sterven van Jezus aan het kruis aan bod komt, spreekt men niet vanuit de dubbele focus zoals ik die hierboven heb verwoordt. Men ziet het lijden en sterven van Christus niet als plaatsvervangend, maar als voorbeeld. In de regel kennen vrijzinnige kerkgangers geen verlossende kracht toe aan het verzoeningswerk van Christus. Zijn dood laat vooral zien waartoe liefde in staat is en hoe opofferingsgezind de liefde kan zijn.
Zonder te willen beweren dat orthodoxe, zelfverklaarde Bijbelgetrouwe kerken (in de breedste zin van het woord) tot vrijzinnigheid zijn vervallen, vraag ik mij oprecht af of ook niet daar een verkapte vorm van deze vrijzinnige variant verkondigd wordt. Prediking die Christus vooral wil neerzetten als ons voorbeeld en nauwelijks aandacht besteedt aan het plaatsvervangende verlossingswerk, dreigt wat mij betreft in dit vrijzinnige vaarwater terecht te komen.
Ons geloofsleven is niet gefundeerd op onze gebrekkige inspanning voor Christus, maar op Zijn overwinnende gehoorzaamheid tot in de dood aan het kruis. Ik hoef in mijn geestelijk leven niet te strijden om de overwinning te verdienen, ik mag door het geloof strijden omdat Christus de overwinning voor mij heeft verworven.
Het hart van het christelijk geloof bestaat uit de heerlijke boodschap dat Christus Gods beloften tot onze zaligheid heeft vervuld tot eer van God. Kortom: Christus heeft het waargemaakt. Als deze boodschap wordt verdrongen door de oproep dat wij het moeten waarmaken voor Christus, raken we de essentie van het geloof kwijt. De Heere Jezus is geen levenscoach die je aanmoedigt tot morele superioriteit; Hij is de Verlosser Die geestelijk dode mensen tot leven wekt! Daarom – hij die tot eer van Christus wil leven, dient niet zichzelf, maar Hem alle eer te geven.
Wanneer predikers de mensen in de kerk willen onderwijzen en bemoedigen in de strijd tegen de verzoekingen van de duivel en zonde, is Mattheüs 4:1-11 misschien wel één van de meest bepreekte gedeelten. Daar lezen we over de verzoeking van Jezus door de satan. Deze geschiedenis wordt vaak behandeld om te laten zien hoe wij verzoekingen kunnen weerstaan. Hoewel het niet onterecht is om dit tekstgedeelte op deze manier te lezen, mist deze benadering wel de hoofdboodschap van het gedeelte.
Het moment van verzoeking is nooit willekeurig
Essentieel voor het begrijpen van de verzoeking waaraan Christus werd blootgesteld, is het getuigenis van God de Vader bij de doop van Jezus. In Mattheüs 3:17 lezen we:
“En zie, een stem uit de hemelen zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!”
Met deze woorden eindigt hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 begint met de beschrijving van Christus’ verzoeking door satan in de woestijn. Houd het getuigenis van de Vader over de Zoon in 3:17 gedachten bij het lezen van 4:1-11. Het is namelijk geen toeval dat de satan Christus na dit getuigenis verzoekt. En de wijze waarop satan zijn verzoeking vormgeeft zijn ook geen toeval. De Heere Jezus wordt verzocht op het moment dat Hij naar de voorgrond treedt. De Vader heeft van Christus getuigd: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!” Het is Gods publieke verklaring, bevestiging dat Jezus Zijn Zoon is. Het is een geweldig startsein voor Christus’ bediening op aarde.
De verzoeking door satan, die volgens de beschrijving van Mattheüs na deze indrukwekkende gebeurtenis plaatsvindt, is als het ware de bevestiging van Gods getuigenis. Veertig dagen en veertig nachten eet Jezus niets. Na die veertig dagen en nachten, als Hij fysiek kwetsbaar is, komt de verzoeker.
Het doel van de verzoeker: Vader en Zoon van elkaar scheiden
Wat opvalt aan de verzoeking, is dat satan onmiddellijk refereert aan het getuigenis van de Vader over de Zoon in Mattheüs 3:17:
“Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden worden.”
(Mattheüs 4:3b)
Wat we hier lezen, is een poging om de onverbrekelijke band tussen God de Vader en God de Zoon te verbreken. Satan is erop uit om een wig te drijven tussen de Vader en Christus. Daar waar de Vader heeft getuigd dat Christus Zijn geliefde Zoon is, in Wie Hij Zijn welbehagen heeft, bestrijdt de duivel dit getuigenis juist: “Als U Gods Zoon bent…” Met andere woorden: “Bewijs het maar!” Dit is een hoogst opmerkelijk opdracht: Christus moet bewijzen Gods Zoon te zijn door de duivel te gehoorzamen. Dit is absurd! Iemand bewijst namelijk niet Gods Zoon te zijn door de duivel te gehoorzamen.
Satan betwist het getuigenis van God. Dat doet hij altijd. Christus weerstaat deze verzoeking echter:
“Maar Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven: De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.”
(Mattheüs 4:4)
Het lijkt hier alsof de Heere Jezus de Bijbel als magisch wapen gebruikt in deze geestelijke strijd, deze krachtmeting. In veel preken over dit gedeelte wordt dan ook vooral het accent gelegd op het middel waarmee Christus de satan weerstaat: Gods Woord. Dat is terecht, want Mattheüs wijst ons hier op. Maar vervolgens wordt direct de lijn naar gelovigen in Christus getrokken: Christus heeft de verzoeking weerstaan met behulp van Gods Woord en zo moet jij dat ook doen.
Om de verwarring weg te nemen: ik geloof dat Gods Woord één van de meest krachtige instrumenten is in onze strijd tegen de zonde. Ik ben echter van mening dat dit een te-kort-door-de-bocht-benadering is en dat we ook geen recht doen aan deze geschiedenis op het moment dat wij onzorgvuldig zijn in de hermeneutische stap. Blijf lezen, want ik kom hier op terug.
Mijn ontdekking door het lezen van deze geschiedenis is dat Gods Woord niet het enige middel is waardoor Christus de verzoekingen heeft kunnen weerstaan. Anders gezegd: Gods Woord was niet het enige geheim of de enige sleutel tot overwinning. Wel een zeer belangrijk middel, maar niet het enige. Er zijn nog twee andere zaken die een cruciale rol hebben gespeeld in Christus’ overwinnende gehoorzaamheid in Mattheüs 4:1-11: de onverbrekelijke band met Zijn Vader en van daaruit ook Zijn Godheid.
Wij kunnen elkaar, op grond van dit gedeelte, behoorlijk op het verkeerde been zetten, als wij slechts stimuleren tot Bijbellezen. Gods Woord lezen, zonder een relatie met Hem te hebben, levert geen vruchten op. Je kunt je afvragen waarom Christus de duivel is gaan voeren met Bijbelteksten. Ik geloof niet dat dit enkel en alleen was omdat Jezus wist dat Gods Woord de waarheid is en dus ook de waarheid communiceert. Ik geloof dat Christus de onverbrekelijke band met Zijn Vader zó sterk ervaart, dat Hij deze ook beschermt met het getuigenis van Zijn Vader. Satan betwist Gods getuigenis over de Zoon en Jezus dient hem onmiddellijk van repliek. Hij zegt als het ware: “Ik niet! Er staat geschreven!”
Eén van de meest heerlijke waarheden die deze geschiedenis aan ons wil communiceren, is dat de Vader en de Zoon zo’n ongekend intense eenheid met elkaar ervaren, dat deze door niets en niemand te verwoesten is. En dat is goed nieuws voor ons. Het laat zien dat Jezus werkelijk één met God de Vader is. Het laat zien dat Hij oppermachtig is, ook op momenten van kwetsbaarheid en zwakte.
Het feit dat Jezus Zelf God is, speelt in deze geschiedenis ook een cruciale rol. We moeten niet vergeten dat dit een essentieel verschil is tussen Hem en ons. Als ik wordt verzocht om ongehoorzaam te zijn aan Gods Woord, dan bestaat er een reële mogelijkheid dat ik ook daadwerkelijk zondig. Waarom? Omdat de zonde in mij woont. Als ik verzocht wordt, slaat de zondige begeerte in mij aan op die uitnodiging. Jezus kent dit niet; Hij heeft geen inwonende zonde. Wie dat beweert, lastert Zijn Naam. Jezus is volmaakt – in alles.
Wellicht vragen mensen zich nu af: hoe zie jij de rol van de Bijbel in de strijd tegen zonde en verzoeking? Door de essentie van de beschreven geschiedenis van Mattheüs 4:1-11 te verwoorden, hoop ik antwoord te geven op die vraag.
Laat mij eerst een tegenvraag stellen: geloof jij, als gelovige in Christus, dat Mattheüs 4:1-11 jou iets te zeggen heeft? Natuurlijk zeg je ja.
Dan wil ik de vraag stellen: wat wil Mattheüs 4:1-11 jou zeggen? Laat mij zeggen wat de boodschap in de kern is: Gods getuigenis over Christus door satan betwist, maar bewezen door Christus’ overwinnende gehoorzaamheid aan het getuigenis van God. Misschien frons jij je wenkbrauwen: “Wat heb ik hier als gelovige nu concreet aan?!”
Alles. Laat het mij uitleggen. Mattheüs 4:1-11 wil in beginsel helemaal niet verklaren hoe gelovigen in Christus overwinning over zonde en verzoeking kunnen behalen. Mattheüs 4:1-11 gaat in beginsel niet over christenen, maar over Christus.
Wij zijn als gelovigen in Christus tijdens het Bijbellezen misschien wel teveel gefocust op onszelf: “Wat betekent dit voor mij? Wat kan ik hiermee? Wat moet ik doen?” Die laatste vraag is trouwens herkenbaar eng, want er was één iemand in de Bijbel die de vraag der vragen aan Jezus stelde: “Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Menig Bijbelkenner weet hoe deze ontmoeting afliep: hij ging bedroefd weg, want het antwoord was te pijnlijk voor hem (zie Mattheüs 19:22).
Ik ga absoluut niet beweren dat we Bijbelgedeelten niet op ons eigen leven moeten betrekken en toepassen! Ik wil er echter wel voor waarschuwen dat we dit nogal eens te snel (willen en kunnen) doen. En ik denk dat dit bij een Bijbelgedeelte als Mattheüs 4:1-11 ook vaak gebeurt. Het is onbegonnen werk om vanuit een Bijbelgedeelte helder te krijgen wat jouw taak is of wat jij moet doen, als je niet eerst hebt gekeken naar wat het gedeelte over God Zelf communiceert.
De heerlijkheid van Christus’ overwinnende gehoorzaamheid
Het ik-gericht Bijbellezen, of misschien wel het egocentrisch Bijbellezen komt ook vaak tot uiting in de bekrompen of enge blik op Christus’ verlossingswerk: “Dat is voor mij!” zeggen we dan blijmoedig. Opnieuw: ik wil niets afdoen van de waarheid dat Christus Zijn leven gaf als een losprijs voor veel mensen.
Maar staan we er ook wel eens bij stil dat Christus stierf voor God? Er zit een dubbele focus in Christus’ verzoeningswerk aan het kruis: een Godgerichte focus en een mensgerichte focus. En die twee gaan hand in hand. Door Christus’ kruisoffer werd voldaan aan Gods rechtvaardige en heilige eis om de zonde te veroordelen en werd de mens verlost van de schuld en macht van de zonde.
Wanneer Christus door de duivel wordt verzocht in de woestijn, is deze dubbele focus niet anders. Christus’ overwinnende gehoorzaamheid over satan is met het oog op God en met het oog op ons. We hoeven er niet lang over na te denken wat de consequenties voor ons zouden zijn geweest als Christus had gebogen voor de duivel: onze hoop op verlossing zou voor eeuwig verloren zijn.
Maar stellen we ook wel eens de vraag wat de consequenties voor God zouden zijn geweest als Christus voor satan had gebogen? Het is niet gebeurd, en ik geloof ook niet dat het had kunnen gebeuren, maar stel jezelf eens de vraag wat er van God en Zijn getuigenis over zou zijn gebleven als het wél was gebeurd.
Ik geloof dat de focus van Mattheüs 4:1-11 voluit op Christus’ heerlijke triomf over de verzoekingen van satan moet liggen. Een triomf die essentieel is voor zowel God als voor ons. Christus boog niet voor de duivel en bewees daarmee dat het getuigenis van de Vader bij Zijn doop de waarheid en niets dan de waarheid is.
Deze geschiedenis leert ook dat Christus als Plaatsvervanger getriomfeerd heeft over de listen van de duivel en Zijn overwinning als de onze wordt toegerekend als wij door het geloof in Hem worden verbonden met Hem. Met andere woorden: Christus heeft de overwinning voor ons verdiend. En Mattheüs 4:1-11 is een gedeelte dat zo’n cruciaal overwinningsmoment beschrijft.
Een ander belangrijk aspect in deze geschiedenis is dat Christus als Mens fysieke kwetsbaarheid en zwakte heeft gekend, juist ook in verzoekingen. Christus kan werkelijk met ons meevoelen in onze zwakheden (Hebreeën 4:15).
De essentie van Mattheüs 4:1-11 kan worden teruggebracht tot Christus’ toewijding aan God en Gods volk.
Christus de Plaatsvervanger is de Christus de Held
Het lijkt nu net alsof er voor ons geen enkele toepassing uit dit gedeelte te halen valt. Niets is minder waar. Er zitten genoeg toepassingen in, maar misschien niet de toepassingen waarvan wij altijd hebben gedacht dat die eruit te halen zijn. De hierboven beschreven zaken geven genoeg stof tot nadenken. “Maar,” hoor ik iemand nu vragen, “hoe kan ik nu overwinning behalen over de zonde in tijden van verzoeking?”
Mijn belangrijkste advies zou zijn: Kijk naar Jezus. Bedenk dat Hij God is en jij niet. Hij is volmaakt. Jij niet. Hij heeft nooit gezondigd. Jij wel.
Vertrouw op Hem als volkomen Zaligmaker in alles. Als je verzoekingen overwinnend doorstaat, schrijf dit dan niet toe aan jouw eigen kracht en inspanningen; wanneer je in zonde valt, twijfel niet aan Zijn meevoelen in jouw zwakheden.
Ik denk dat we hier bij de kern uitkomen. Het is de kern die we ook kunnen zien in Christus’ overwinnende gehoorzaamheid: de onverbrekelijke verbondenheid met Zijn Vader. Hij is één met Zijn Vader. Tijdens Zijn aardse leven had Hij omgang met Zijn Vader. Daar ligt het geheim. Ons geheim bestaat niet primair uit een door de Heilige Geest geïnspireerd boek, waaruit we even zomaar wat beloften plukken in de strijd tegen de zonde. Ons geheim is dat wij Degene kennen, Die plaatsvervangend voor ons gehoorzaam is geworden aan Zijn Vader – gehoorzaam tot in de dood! Zie Filippenzen 2:8. En niet alleen dat; Hij heeft plaatsvervangend de straf voor onze ongerechtigheid gedragen. Wij geloven in Iemand, wij vertrouwen op Iemand, Die in woord en daad is toegewijd aan het getuigenis van Zijn Vader en aan het welzijn van Gods volk. God heeft Zijn Woord in Christus waargemaakt. Christus heeft vastgehouden aan het getuigenis van Zijn Vader vanuit de verbondenheid met Hem. Zo mogen ook wij, door dit geloof en in dit vertrouwen, met Hem leven – delend in de overwinning die Hij heeft behaald over zonde, dood, satan en hel.
Het kennen van het Woord van God zal ons niet veel voordeel brengen, als wij geen omgang hebben met de God van het Woord. Het één kan niet bestaan zonder het ander. We zullen onszelf moeten toevertrouwen aan de Heere Jezus, Die plaatsvervangend overwonnen heeft door gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Als dit vertrouwen ontbreekt, is onze strijd tegen de duivel en de zonde zinloos en zal het leiden tot wanhoop.
Strijden als erfgenamen van Christus’ overwinning
Tot slot wil ik nog een punt van zorg delen. Ik heb een aantal jaren onder vrijzinnige prediking gezeten. Wanneer in vrijzinnige kerken het sterven van Jezus aan het kruis aan bod komt, spreekt men niet vanuit de dubbele focus zoals ik die hierboven heb verwoordt. Men ziet het lijden en sterven van Christus niet als plaatsvervangend, maar als voorbeeld. In de regel kennen vrijzinnige kerkgangers geen verlossende kracht toe aan het verzoeningswerk van Christus. Zijn dood laat vooral zien waartoe liefde in staat is en hoe opofferingsgezind de liefde kan zijn.
Zonder te willen beweren dat orthodoxe, zelfverklaarde Bijbelgetrouwe kerken (in de breedste zin van het woord) tot vrijzinnigheid zijn vervallen, vraag ik mij oprecht af of ook niet daar een verkapte vorm van deze vrijzinnige variant verkondigd wordt. Prediking die Christus vooral wil neerzetten als ons voorbeeld en nauwelijks aandacht besteedt aan het plaatsvervangende verlossingswerk, dreigt wat mij betreft in dit vrijzinnige vaarwater terecht te komen.
Ons geloofsleven is niet gefundeerd op onze gebrekkige inspanning voor Christus, maar op Zijn overwinnende gehoorzaamheid tot in de dood aan het kruis. Ik hoef in mijn geestelijk leven niet te strijden om de overwinning te verdienen, ik mag door het geloof strijden omdat Christus de overwinning voor mij heeft verworven.
Het hart van het christelijk geloof bestaat uit de heerlijke boodschap dat Christus Gods beloften tot onze zaligheid heeft vervuld tot eer van God. Kortom: Christus heeft het waargemaakt. Als deze boodschap wordt verdrongen door de oproep dat wij het moeten waarmaken voor Christus, raken we de essentie van het geloof kwijt. De Heere Jezus is geen levenscoach die je aanmoedigt tot morele superioriteit; Hij is de Verlosser Die geestelijk dode mensen tot leven wekt! Daarom – hij die tot eer van Christus wil leven, dient niet zichzelf, maar Hem alle eer te geven.
Labels:
Bijbel,
Bijbelstudie,
duivel,
Jezus Christus,
verzoeking,
zonde,
Zoon van God
vrijdag 31 augustus 2018
“Wij weten dat…” (5)
De boodschap van 1 Johannes
In 1 Johannes 2:12-14 zien we opnieuw de bewogenheid en betrokkenheid van de apostel Johannes bij de mensen tot wie hij zich richt. Zijn “geestelijke vaderschap” komt in deze drie verzen sterk tot uiting en hij richt zich in dit gedeelte tot drie groepen mensen: jonge kinderen, jongeren en vaders. En de kern van zijn betoog is de verzoening met God, die zij allemaal hebben mogen ontvangen door Jezus Christus.
1. Verzoend omwille van Christus’ Naam (vers 12)
Johannes richt zich in vers 12 als eerste tot de jonge kinderen:
Opnieuw wordt Johannes’ liefde voor deze mensen zichtbaar. Het zijn niet zomaar kinderen voor hem, maar “lieve kinderen.” En zijn boodschap aan deze “lieve kinderen” is dat al hun zonden zijn vergeven omwille van Christus’ eigen Naam. De vraag is: waarom schrijft Johannes op dit moment deze woorden?
Denk even terug aan de inhoud van 1 Johannes 1:5-2:11. Johannes heeft een aantal tests opgeschreven. Denk aan de geestelijke wiskunde die hij toepast: als A waar is, dan ben je wedergeboren; als B waar is, ben je niet wedergeboren. Het is niet ondenkbaar dat een aantal geadresseerden toch met enige schrik deze woorden heeft aangehoord: “Stel je voor, dat ik tóch niet ben verzoend met God door Christus…”
In vers 12-14 lijken we iets van Johannes’ fijngevoeligheid te zien. Als het alleen maar bij tests zou blijven, dan zou de schrik je inderdaad om het hart slaan! Daarom schrijft hij tussendoor doelbewust en weloverwogen bemoedigingen. In vers 12 lezen we zo’n bemoediging: “Lieve kinderen, jullie zonden zijn vergeven omwille van Zijn Naam.”
Vergeving en de schoonheid van God
Deze woorden met betrekking tot vergeving, laten ons iets verbluffends zien: het feit dat onze zonden door het geloof in de Heere Jezus zijn vergeven heeft niet alleen betekenis voor ons, maar ook voor Hemzelf. “Omwille van Hem” betekent niet dat Hijzelf vergeving nodig heeft. Christus heeft helemaal niets nodig van een bron buiten Hem. “Omwille van Hem” betekent hier twee dingen. Allereerst zegt het ons dat vergeving enkel en alleen gevonden kan worden in Zijn Naam. Wie Christus niet heeft, ontvangt géén vergeving. Als je oprecht verlangt om rechtvaardig voor God te verschijnen, in de wetenschap dat je zelf totaal geen gerechtigheid bezit die aan Gods rechtvaardige eis beantwoord, dan mag je naar de Heere Jezus gaan om jouw leven aan Hem over te geven. Je mag je ongerechtigheid belijden en Hem vragen het eeuwige leven te schenken. Hierbij hoort de zekerheid dat al jouw zonden zijn vergeven door Zijn bloed.
Het tweede waar “omwille van Hem” op wijst, is de heerlijkheid van God. Het laat ons Zijn karakter zien. Het doet God plezier om boetvaardige zondaren te vergeven. Het is een vreugde voor God om allen, die de Naam van de Heere Jezus aanroepen, in Zijn Naam te vergeven.
Maar waar blijven wij in dit verhaal? Want God vergeeft ons toch ook “omwille van ons”? Hij wil toch dat wij behouden worden en niet verloren gaan? Absoluut. Maar in dit gedeelte wijst de apostel Johannes op de schittering van Gods karakter in de verzoening en in het schenken van vergeving. Johannes doet dit vaker in zijn brief (zie bijvoorbeeld 1 Johannes 1:5, 9).
Dit perspectief mogen we nooit uit het oog verliezen. Het Evangelie is geen gemakzuchtige boodschap, die we alleen moeten benaderen met een “lens van problematiek.” Deze lens wordt heel vaak gebruikt. Het is de lens die zegt: “Wij hebben een probleem. Wij hebben Gods Wet overtreden. Maar gelukkig is er een oplossing voor dit probleem: Jezus Christus heeft de straf gedragen die u en ik verdienen en daarom kunnen wij naar de hemel gaan; uw probleem is opgelost!”
Op zichzelf is wat hier wordt gesteld niet verkeerd. Maar het is een zeer eenzijdige blik op het Goede Nieuws. De woorden van Johannes, dat wij zijn vergeven “omwille van Hem”, is een gezond en belangrijk tegengeluid. Het is goed voor ons geloofsvertrouwen in de Heere Jezus als wij leren zien dat vergeving niet alleen van “belang” is voor ons, maar op een zekere manier ook voor Hemzelf. God heeft niet ons gemak op het oog, maar ook Zijn eer. Want een God Die graag vergeeft zal geprezen en geroemd worden door degenen die deze vergeving bij Hem hebben gezocht en gevonden.
2. Verzoend om te kennen (vers 13a, c-14a)
In delen van vers 13 en 14 lezen we vervolgens dat Johannes een ander aspect van het verzoeningswerk van Christus laat zien. Wie verzoend is met God, kent God:
Het is bijzonder om te lezen dat Johannes tegen vaders en kinderen zegt dat zij dé Vader kennen. Het is van belang te zien dat Johannes dit kennen als een tegenwoordige realiteit beschrijft. Je kent God wel of niet. Vers 12, waar Johannes schrijft over vergeving, is geschreven in de voltooid verleden tijd – maar dan op zo’n manier dat de realiteit van de vergeving ook op dit moment realiteit is. Vergeving is in het verleden geschonken, maar gelovigen bezitten ook in het heden deze vergeving.
God kennen is altijd een zaak van de tegenwoordige tijd. Je kunt niet zeggen dat je in het verleden ooit kennis kreeg van God en dat je deze zult houden zónder dat hier in de toekomst iets aan verandert. God kennen houdt in dat je voortdurend, door het verzoeningswerk van Jezus Christus, met God leert wandelen. Gaandeweg leer je steeds meer over Gods karakter en de gezindheid van Jezus Christus én – het uiteindelijke doel van het Evangelie – ga je Zijn gezindheid meer en meer uitstralen.
Opvallend is dat Johannes het kennen van God bij de vaders en kinderen op een andere wijze beschrijft. Het heeft er alle schijn van dat hij de rollen omdraait. Hij lijkt met zijn formuleringen te willen zeggen dat de vaders dé Zoon hebben leren kennen en dat de kinderen dé Vader hebben leren kennen. Let goed op de volgende formuleringen:
Gaat het hier om de Vader of de Zoon? Bijzonder is in ieder geval dat wanneer Johannes het heeft over de God de Vader, hij ook ronduit “de Vader” schrijft, terwijl hij in dit gedeelte onderscheid lijkt te maken tussen “de Vader” en “Hem Die er vanaf het begin is.” Als je deze bewoordingen vanaf hoofdstuk 1 volgt, lijkt deze laatste omschrijving te verwijzen naar God de Zoon, Jezus Christus. Heeft Johannes dit bewust zo geformuleerd? Het zou zomaar kunnen.
De slechte vader en afwezige zoon
Of Johannes de hierboven beschreven formulering bewust heeft gekozen of niet, het brengt ons bij een uiterst gevoelig onderwerp: het slecht zorgen voor kinderen of de verdrietige afwezigheid van kinderen in het leven van een echtpaar. Om met het eerste te beginnen: er zijn menselijke vaders in deze wereld die het op een verschrikkelijke manier laten afweten. Ze verwaarlozen hun kind(eren). Ze misbruiken hun kind(eren). Ze onderdrukken en manipuleren hun kind(eren). Ze maken het leven van hun kind(eren) kapot. Kinderen die dit hebben meegemaakt, zijn geestelijk en psychisch gebroken. De toegang tot een mooie toekomst lijkt grotendeels door het toedoen van een ander te worden ontzegd. Een leven van geestelijk en psychisch hangen en wurgen lijkt het levenslange lot voor deze kinderen. De vader, die hen zou moeten begeleiden in de weg van (geestelijke) volwassenheid, heeft zijn verantwoordelijkheid in geen enkel opzicht genomen. Wat moeten we tegen zulke kinderen zeggen?
En hoe moeten we omgaan met echtparen die al jaren een onvervulde kinderwens hebben? Mensen die keer op keer de teleurstelling moeten verwerken dat er nog steeds niet met blijde verwachting kan worden uitgekeken naar een kind? Het verlangen is er, de wil is er en de (romantische) gedachten aan een klein kind dat zijn eerste stapjes in de woonkamer zet en met een vertederende glimlach de liefde van de ouders direct heeft gewonnen kunnen maar niet uit het hoofd worden gezet. Wat kunnen we tegen deze echtparen zeggen?
In beginsel niet veel. Dat is niet handig en niet helpend. Meestal maakt iets zeggen meer kapot dan niets zeggen. Hoe goed bedoeld het misschien ook kan zijn. Maar ik wil – zonder te goedkoop of te gemakkelijk te schrijven – een hele voorzichtige kant op wijzen aan de hand van Johannes’ woorden in vers 12-14.
De hoop voor kinderen met slechte vaders ligt niet zozeer in de verandering en verbetering van die vader. De hoop ligt in dé Vader: God, dé Vader. Het feit dat je als kind verwaarloosd en mishandeld bent betekent absoluut niet dat jouw leven hopeloos verloren is. Je wordt in het Evangelie uitgenodigd te komen tot dé Vader. En als je door het geloof in Christus bent verzoend met de Vader, mag je hopen op een prachtige toekomst – een toekomst die ooit door toedoen van de aardse vader zó ver buiten bereik leek te liggen. Maar er is Goed Nieuws: dé Vader van onze Heere Jezus Christus heeft Zijn eigen Zoon gegeven, zodat Hij Zich als échte Vader over jou zou kunnen ontfermen.
Deze richting zou ik ook voorzichtig willen wijzen voor degenen die gepijnigd worden door het gemis van een aardse zoon of dochter. God heeft in het Evangelie Zijn eigen Zoon gegeven. En deze Zoon, dé Zoon, is onze Hoop op het eeuwige leven. Deze Zoon is het eeuwige leven (1 Johannes 1:1-4). De pijn is voelbaar, het gemis is reëel. De verlangens zijn echt en die zijn goed. Die mogen bestaan. Maar gelukkig – gelukkig! – heeft God onze eeuwige bestemming niet afhankelijk gemaakt van het hebben van een goede aardse vader of het hebben ontvangen van nageslacht. Nee, onze eeuwige bestemming hangt af van de vraag of wij op dé Vader en dé Zoon hopen – ook in onze moeiten, ook in onze pijn, ook in onze onvervulde verlangens.
3. Verzoend om te overwinnen (vers 13b, 14b)
Het derde aspect van de verzoening die de gelovigen in Christus hebben ontvangen, kunnen we lezen in vers 13b en 14b, waar Johannes als het ware de overwinningsbazuin blaast:
Jonge mannen (en vrouwen – jongeren in het algemeen) worden door Johannes neergezet als sterke overwinnaars. Het is wellicht niet de doorsnee taal die we in hedendaagse prediking gewend zijn. Zo’n zekerheid, zo’n vertrouwen in “onze kracht” en zo’n hoop dat gelovigen in deze kracht onoverwinnelijk zijn komen ons misschien wel vreemd voor. Overigens is het niet zo dat Johannes de gelovigen beschrijft als zouden zij sterk zijn in zichzelf. Hij noemt een cruciaal kenmerk: het Woord van God blijft in hen. Gelovigen zijn in zichzelf dus helemaal niet zo sterk, maar wél als Gods Woord in hen woont.
Balanceren tussen verzekerde kracht en realistische zwakheid
Ik heb eerder geschreven over “zwakheidstheologie.” Dat stuk was mede geïnspireerd door het bestuderen van dit gedeelte. Ik krijg er zelf de kriebels van als christenen consequent worden neergezet als “ellendige” en “zwakke figuren.” Altijd weer dat geklaag dat we in de hoek zitten waar de klappen vallen. Altijd maar weer dat gesteun en gekreun dat “onze geest wel gewillig is, maar het vlees zo zwak.” Ik krijg zomaar de indruk dat je niet met deze uiterst vrome smoesjes bij Johannes aan hoeft te komen: “Je hebt de boze overwonnen! Je bent sterk!”
Wellicht overdrijf ik, maar Johannes is hier wel erg stellig en zwart-wit. Wil het dan zeggen dat een christen onoverwinnelijk is? Uiteindelijk wel. Maar – en hier moeten we de nuance aanbrengen – het wil niet zeggen dat een christen leeft in een voortdurende toestand van overwinning. Iemand die dit beweert, kent zijn Bijbel niet. Sterker nog: zo iemand kent zichzelf niet goed. Het is de voortdurende worsteling om een zo evenwichtig mogelijke heiligingsvisie op papier te zetten. Er zijn verschillende visies op heiligmaking en allemaal worden ze geconfronteerd met de stelligheid van 1 Johannes 2:12-14 én met Paulus’ uitroep in Romeinen 7:24. Het probleem is dat wij maar al te zeer geneigd zijn de balans kwijt te raken. We kunnen de christen té sterk neerzetten, of juist té zwak.
Het gevaar van de visie die een christen als té sterk neerzet, is dat men niet goed kan omgaan met de momenten dat de zwakheid ervaren wordt. Er worden irreële verwachtingen gewekt en bovendien bestaat het risico dat de zwakheid van andere christenen genadeloos wordt omschreven als “ongeloof” of zelfs wordt gezien als teken dat de persoon helemaal niet wedergeboren is.
Wanneer we de christen echter té zwak afschilderen, ontstaan er andere problemen. Mensen kruipen sneller in de slachtofferrol (“Ik ben toch zwak? Ik kan er toch ook niets aan doen? We leven toch nog niet in het Nieuwe Jeruzalem?”), komen sneller in de verleiding zonde goed te praten en dus te gedogen. De verwachting en hoop op verandering wordt grotendeels de grond in geboord en er is geen goed zicht op de kracht die God door de Heilige Geest heeft geschonken in de wedergeboorte.
Er is in onze tijd dringend behoefte aan een nuchtere bezinning op deze onderwerpen, zeker voor wat betreft de geloofszekerheid. Er zou al veel winst behaald kunnen worden wanneer christenen het verlangen delen om vooral de Bijbelse balans tussen kracht en zwakheid te willen bewaren.
Want uiteindelijk is volgens Johannes de Bijbel de fundamentele bron die ons in staat stelt de overwinning in de praktijk te ervaren. En wat houdt deze overwinning in? Dat we niet langer “onze leden ter beschikking stellen aan de zondige begeerten van het vlees” (Romeinen 6:13). En de vorige keer hebben we gezien wat dit betekent: dat we God en elkaar liefhebben met de liefde die God voor Jezus Christus heeft én die Christus voor Zijn volk heeft. Belangrijk is om hier te vermelden dat het woord “kracht” hier niet in psychische zin moet worden verstaan, maar gekoppeld moet worden aan Gods morele wil. Iemand kan psychisch zwak zijn en in de knoop liggen en tóch sterk zijn in het doen van gerechtigheid. Ook op dit punt moeten we de Bijbelse balans goed bewaren.
Laten we de woorden van Johannes vooral meenemen als bemoediging om de goed strijd van het geloof met moed voort te zetten. Want wees nou eerlijk: worden wij effectief aangemoedigd wanneer wij te horen krijgen dat we nog steeds “ellendig” en “zwak” zijn? Of kunnen we de strijd effectief voeren wanneer wij beseffen dat wij door de wedergeboorte de beslissende overwinning over zonde, dood, hel en satan hebben behaald? Ongetwijfeld het laatste. En daarom schrijft Johannes deze prachtige en hoopvolle woorden. Het doet ons denken aan de woorden van de Heere Jezus in Johannes 16:33:
In 1 Johannes 2:12-14 zien we opnieuw de bewogenheid en betrokkenheid van de apostel Johannes bij de mensen tot wie hij zich richt. Zijn “geestelijke vaderschap” komt in deze drie verzen sterk tot uiting en hij richt zich in dit gedeelte tot drie groepen mensen: jonge kinderen, jongeren en vaders. En de kern van zijn betoog is de verzoening met God, die zij allemaal hebben mogen ontvangen door Jezus Christus.
1. Verzoend omwille van Christus’ Naam (vers 12)
Johannes richt zich in vers 12 als eerste tot de jonge kinderen:
“Ik schrijf u, lieve kinderen, want de zonden zijn u vergeven omwille van Zijn Naam.”
Opnieuw wordt Johannes’ liefde voor deze mensen zichtbaar. Het zijn niet zomaar kinderen voor hem, maar “lieve kinderen.” En zijn boodschap aan deze “lieve kinderen” is dat al hun zonden zijn vergeven omwille van Christus’ eigen Naam. De vraag is: waarom schrijft Johannes op dit moment deze woorden?
Denk even terug aan de inhoud van 1 Johannes 1:5-2:11. Johannes heeft een aantal tests opgeschreven. Denk aan de geestelijke wiskunde die hij toepast: als A waar is, dan ben je wedergeboren; als B waar is, ben je niet wedergeboren. Het is niet ondenkbaar dat een aantal geadresseerden toch met enige schrik deze woorden heeft aangehoord: “Stel je voor, dat ik tóch niet ben verzoend met God door Christus…”
In vers 12-14 lijken we iets van Johannes’ fijngevoeligheid te zien. Als het alleen maar bij tests zou blijven, dan zou de schrik je inderdaad om het hart slaan! Daarom schrijft hij tussendoor doelbewust en weloverwogen bemoedigingen. In vers 12 lezen we zo’n bemoediging: “Lieve kinderen, jullie zonden zijn vergeven omwille van Zijn Naam.”
Vergeving en de schoonheid van God
Deze woorden met betrekking tot vergeving, laten ons iets verbluffends zien: het feit dat onze zonden door het geloof in de Heere Jezus zijn vergeven heeft niet alleen betekenis voor ons, maar ook voor Hemzelf. “Omwille van Hem” betekent niet dat Hijzelf vergeving nodig heeft. Christus heeft helemaal niets nodig van een bron buiten Hem. “Omwille van Hem” betekent hier twee dingen. Allereerst zegt het ons dat vergeving enkel en alleen gevonden kan worden in Zijn Naam. Wie Christus niet heeft, ontvangt géén vergeving. Als je oprecht verlangt om rechtvaardig voor God te verschijnen, in de wetenschap dat je zelf totaal geen gerechtigheid bezit die aan Gods rechtvaardige eis beantwoord, dan mag je naar de Heere Jezus gaan om jouw leven aan Hem over te geven. Je mag je ongerechtigheid belijden en Hem vragen het eeuwige leven te schenken. Hierbij hoort de zekerheid dat al jouw zonden zijn vergeven door Zijn bloed.
Het tweede waar “omwille van Hem” op wijst, is de heerlijkheid van God. Het laat ons Zijn karakter zien. Het doet God plezier om boetvaardige zondaren te vergeven. Het is een vreugde voor God om allen, die de Naam van de Heere Jezus aanroepen, in Zijn Naam te vergeven.
Maar waar blijven wij in dit verhaal? Want God vergeeft ons toch ook “omwille van ons”? Hij wil toch dat wij behouden worden en niet verloren gaan? Absoluut. Maar in dit gedeelte wijst de apostel Johannes op de schittering van Gods karakter in de verzoening en in het schenken van vergeving. Johannes doet dit vaker in zijn brief (zie bijvoorbeeld 1 Johannes 1:5, 9).
Dit perspectief mogen we nooit uit het oog verliezen. Het Evangelie is geen gemakzuchtige boodschap, die we alleen moeten benaderen met een “lens van problematiek.” Deze lens wordt heel vaak gebruikt. Het is de lens die zegt: “Wij hebben een probleem. Wij hebben Gods Wet overtreden. Maar gelukkig is er een oplossing voor dit probleem: Jezus Christus heeft de straf gedragen die u en ik verdienen en daarom kunnen wij naar de hemel gaan; uw probleem is opgelost!”
Op zichzelf is wat hier wordt gesteld niet verkeerd. Maar het is een zeer eenzijdige blik op het Goede Nieuws. De woorden van Johannes, dat wij zijn vergeven “omwille van Hem”, is een gezond en belangrijk tegengeluid. Het is goed voor ons geloofsvertrouwen in de Heere Jezus als wij leren zien dat vergeving niet alleen van “belang” is voor ons, maar op een zekere manier ook voor Hemzelf. God heeft niet ons gemak op het oog, maar ook Zijn eer. Want een God Die graag vergeeft zal geprezen en geroemd worden door degenen die deze vergeving bij Hem hebben gezocht en gevonden.
2. Verzoend om te kennen (vers 13a, c-14a)
In delen van vers 13 en 14 lezen we vervolgens dat Johannes een ander aspect van het verzoeningswerk van Christus laat zien. Wie verzoend is met God, kent God:
“Ik schrijf u, vaders, omdat u Hem kent Die er vanaf het begin is … Ik schrijf u, kinderen, omdat u de Vader kent. Ik heb u geschreven, vaders, omdat u Hem kent Die er vanaf het begin is.”
(1 Johannes 2:13a, c-14a)
Het is bijzonder om te lezen dat Johannes tegen vaders en kinderen zegt dat zij dé Vader kennen. Het is van belang te zien dat Johannes dit kennen als een tegenwoordige realiteit beschrijft. Je kent God wel of niet. Vers 12, waar Johannes schrijft over vergeving, is geschreven in de voltooid verleden tijd – maar dan op zo’n manier dat de realiteit van de vergeving ook op dit moment realiteit is. Vergeving is in het verleden geschonken, maar gelovigen bezitten ook in het heden deze vergeving.
God kennen is altijd een zaak van de tegenwoordige tijd. Je kunt niet zeggen dat je in het verleden ooit kennis kreeg van God en dat je deze zult houden zónder dat hier in de toekomst iets aan verandert. God kennen houdt in dat je voortdurend, door het verzoeningswerk van Jezus Christus, met God leert wandelen. Gaandeweg leer je steeds meer over Gods karakter en de gezindheid van Jezus Christus én – het uiteindelijke doel van het Evangelie – ga je Zijn gezindheid meer en meer uitstralen.
Opvallend is dat Johannes het kennen van God bij de vaders en kinderen op een andere wijze beschrijft. Het heeft er alle schijn van dat hij de rollen omdraait. Hij lijkt met zijn formuleringen te willen zeggen dat de vaders dé Zoon hebben leren kennen en dat de kinderen dé Vader hebben leren kennen. Let goed op de volgende formuleringen:
“Ik schrijf u, vaders, omdat u Hem kent Die er vanaf het begin is…”
“Ik schrijf u, kinderen, omdat u de Vader kent.”
Gaat het hier om de Vader of de Zoon? Bijzonder is in ieder geval dat wanneer Johannes het heeft over de God de Vader, hij ook ronduit “de Vader” schrijft, terwijl hij in dit gedeelte onderscheid lijkt te maken tussen “de Vader” en “Hem Die er vanaf het begin is.” Als je deze bewoordingen vanaf hoofdstuk 1 volgt, lijkt deze laatste omschrijving te verwijzen naar God de Zoon, Jezus Christus. Heeft Johannes dit bewust zo geformuleerd? Het zou zomaar kunnen.
De slechte vader en afwezige zoon
Of Johannes de hierboven beschreven formulering bewust heeft gekozen of niet, het brengt ons bij een uiterst gevoelig onderwerp: het slecht zorgen voor kinderen of de verdrietige afwezigheid van kinderen in het leven van een echtpaar. Om met het eerste te beginnen: er zijn menselijke vaders in deze wereld die het op een verschrikkelijke manier laten afweten. Ze verwaarlozen hun kind(eren). Ze misbruiken hun kind(eren). Ze onderdrukken en manipuleren hun kind(eren). Ze maken het leven van hun kind(eren) kapot. Kinderen die dit hebben meegemaakt, zijn geestelijk en psychisch gebroken. De toegang tot een mooie toekomst lijkt grotendeels door het toedoen van een ander te worden ontzegd. Een leven van geestelijk en psychisch hangen en wurgen lijkt het levenslange lot voor deze kinderen. De vader, die hen zou moeten begeleiden in de weg van (geestelijke) volwassenheid, heeft zijn verantwoordelijkheid in geen enkel opzicht genomen. Wat moeten we tegen zulke kinderen zeggen?
En hoe moeten we omgaan met echtparen die al jaren een onvervulde kinderwens hebben? Mensen die keer op keer de teleurstelling moeten verwerken dat er nog steeds niet met blijde verwachting kan worden uitgekeken naar een kind? Het verlangen is er, de wil is er en de (romantische) gedachten aan een klein kind dat zijn eerste stapjes in de woonkamer zet en met een vertederende glimlach de liefde van de ouders direct heeft gewonnen kunnen maar niet uit het hoofd worden gezet. Wat kunnen we tegen deze echtparen zeggen?
In beginsel niet veel. Dat is niet handig en niet helpend. Meestal maakt iets zeggen meer kapot dan niets zeggen. Hoe goed bedoeld het misschien ook kan zijn. Maar ik wil – zonder te goedkoop of te gemakkelijk te schrijven – een hele voorzichtige kant op wijzen aan de hand van Johannes’ woorden in vers 12-14.
De hoop voor kinderen met slechte vaders ligt niet zozeer in de verandering en verbetering van die vader. De hoop ligt in dé Vader: God, dé Vader. Het feit dat je als kind verwaarloosd en mishandeld bent betekent absoluut niet dat jouw leven hopeloos verloren is. Je wordt in het Evangelie uitgenodigd te komen tot dé Vader. En als je door het geloof in Christus bent verzoend met de Vader, mag je hopen op een prachtige toekomst – een toekomst die ooit door toedoen van de aardse vader zó ver buiten bereik leek te liggen. Maar er is Goed Nieuws: dé Vader van onze Heere Jezus Christus heeft Zijn eigen Zoon gegeven, zodat Hij Zich als échte Vader over jou zou kunnen ontfermen.
Deze richting zou ik ook voorzichtig willen wijzen voor degenen die gepijnigd worden door het gemis van een aardse zoon of dochter. God heeft in het Evangelie Zijn eigen Zoon gegeven. En deze Zoon, dé Zoon, is onze Hoop op het eeuwige leven. Deze Zoon is het eeuwige leven (1 Johannes 1:1-4). De pijn is voelbaar, het gemis is reëel. De verlangens zijn echt en die zijn goed. Die mogen bestaan. Maar gelukkig – gelukkig! – heeft God onze eeuwige bestemming niet afhankelijk gemaakt van het hebben van een goede aardse vader of het hebben ontvangen van nageslacht. Nee, onze eeuwige bestemming hangt af van de vraag of wij op dé Vader en dé Zoon hopen – ook in onze moeiten, ook in onze pijn, ook in onze onvervulde verlangens.
3. Verzoend om te overwinnen (vers 13b, 14b)
Het derde aspect van de verzoening die de gelovigen in Christus hebben ontvangen, kunnen we lezen in vers 13b en 14b, waar Johannes als het ware de overwinningsbazuin blaast:
“Ik schrijf u, jonge mannen, omdat u de boze hebt overwonnen … Ik heb u geschreven, jonge mannen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft en u de boze hebt overwonnen.”
Jonge mannen (en vrouwen – jongeren in het algemeen) worden door Johannes neergezet als sterke overwinnaars. Het is wellicht niet de doorsnee taal die we in hedendaagse prediking gewend zijn. Zo’n zekerheid, zo’n vertrouwen in “onze kracht” en zo’n hoop dat gelovigen in deze kracht onoverwinnelijk zijn komen ons misschien wel vreemd voor. Overigens is het niet zo dat Johannes de gelovigen beschrijft als zouden zij sterk zijn in zichzelf. Hij noemt een cruciaal kenmerk: het Woord van God blijft in hen. Gelovigen zijn in zichzelf dus helemaal niet zo sterk, maar wél als Gods Woord in hen woont.
Balanceren tussen verzekerde kracht en realistische zwakheid
Ik heb eerder geschreven over “zwakheidstheologie.” Dat stuk was mede geïnspireerd door het bestuderen van dit gedeelte. Ik krijg er zelf de kriebels van als christenen consequent worden neergezet als “ellendige” en “zwakke figuren.” Altijd weer dat geklaag dat we in de hoek zitten waar de klappen vallen. Altijd maar weer dat gesteun en gekreun dat “onze geest wel gewillig is, maar het vlees zo zwak.” Ik krijg zomaar de indruk dat je niet met deze uiterst vrome smoesjes bij Johannes aan hoeft te komen: “Je hebt de boze overwonnen! Je bent sterk!”
Wellicht overdrijf ik, maar Johannes is hier wel erg stellig en zwart-wit. Wil het dan zeggen dat een christen onoverwinnelijk is? Uiteindelijk wel. Maar – en hier moeten we de nuance aanbrengen – het wil niet zeggen dat een christen leeft in een voortdurende toestand van overwinning. Iemand die dit beweert, kent zijn Bijbel niet. Sterker nog: zo iemand kent zichzelf niet goed. Het is de voortdurende worsteling om een zo evenwichtig mogelijke heiligingsvisie op papier te zetten. Er zijn verschillende visies op heiligmaking en allemaal worden ze geconfronteerd met de stelligheid van 1 Johannes 2:12-14 én met Paulus’ uitroep in Romeinen 7:24. Het probleem is dat wij maar al te zeer geneigd zijn de balans kwijt te raken. We kunnen de christen té sterk neerzetten, of juist té zwak.
Het gevaar van de visie die een christen als té sterk neerzet, is dat men niet goed kan omgaan met de momenten dat de zwakheid ervaren wordt. Er worden irreële verwachtingen gewekt en bovendien bestaat het risico dat de zwakheid van andere christenen genadeloos wordt omschreven als “ongeloof” of zelfs wordt gezien als teken dat de persoon helemaal niet wedergeboren is.
Wanneer we de christen echter té zwak afschilderen, ontstaan er andere problemen. Mensen kruipen sneller in de slachtofferrol (“Ik ben toch zwak? Ik kan er toch ook niets aan doen? We leven toch nog niet in het Nieuwe Jeruzalem?”), komen sneller in de verleiding zonde goed te praten en dus te gedogen. De verwachting en hoop op verandering wordt grotendeels de grond in geboord en er is geen goed zicht op de kracht die God door de Heilige Geest heeft geschonken in de wedergeboorte.
Er is in onze tijd dringend behoefte aan een nuchtere bezinning op deze onderwerpen, zeker voor wat betreft de geloofszekerheid. Er zou al veel winst behaald kunnen worden wanneer christenen het verlangen delen om vooral de Bijbelse balans tussen kracht en zwakheid te willen bewaren.
Want uiteindelijk is volgens Johannes de Bijbel de fundamentele bron die ons in staat stelt de overwinning in de praktijk te ervaren. En wat houdt deze overwinning in? Dat we niet langer “onze leden ter beschikking stellen aan de zondige begeerten van het vlees” (Romeinen 6:13). En de vorige keer hebben we gezien wat dit betekent: dat we God en elkaar liefhebben met de liefde die God voor Jezus Christus heeft én die Christus voor Zijn volk heeft. Belangrijk is om hier te vermelden dat het woord “kracht” hier niet in psychische zin moet worden verstaan, maar gekoppeld moet worden aan Gods morele wil. Iemand kan psychisch zwak zijn en in de knoop liggen en tóch sterk zijn in het doen van gerechtigheid. Ook op dit punt moeten we de Bijbelse balans goed bewaren.
Laten we de woorden van Johannes vooral meenemen als bemoediging om de goed strijd van het geloof met moed voort te zetten. Want wees nou eerlijk: worden wij effectief aangemoedigd wanneer wij te horen krijgen dat we nog steeds “ellendig” en “zwak” zijn? Of kunnen we de strijd effectief voeren wanneer wij beseffen dat wij door de wedergeboorte de beslissende overwinning over zonde, dood, hel en satan hebben behaald? Ongetwijfeld het laatste. En daarom schrijft Johannes deze prachtige en hoopvolle woorden. Het doet ons denken aan de woorden van de Heere Jezus in Johannes 16:33:
“Deze dingen heb Ik tot u gesproken opdat u in Mij vrede zult hebben. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar heb goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.”
Labels:
God,
heiliging,
Jezus Christus,
Vader,
Zoon van God
zondag 4 maart 2018
“Vader, Ik bid voor hen…” (2)
De boodschap van Johannes 17
De vorige keer hebben we gezien dat het Hogepriesterlijk gebed in Johannes 17 begint met een duidelijke focus van Christus op de heerlijkheid van Hemzelf en de Vader. We hebben ook gezien dat Christus de uitverkorenen van Zijn Vader ontvangen heeft, om hen het eeuwige leven te geven (vers 2). In de verzen 6-11 lezen we hoe Christus deze speciale zorg voor Zijn uitverkoren volk gedetailleerder verwoordt tegen Zijn hemelse Vader.
1. Christus’ werk op aarde (vers 6a)
Wat is het primaire doel van Christus’ komst naar de aarde? Er zijn nogal wat christenen die menen dat Christus enkel en alleen is gekomen om te lijden, sterven en uiteindelijk opgewekt te worden uit de dood. Dit is echter niet het hele Bijbelse plaatje, en het is ook niet wat Hijzelf noemt in het Hogepriesterlijk gebed. We lezen in vers 6a:
Het belangrijkste doel van Christus’ komst naar deze wereld is het bekendmaken van God de Vader. Christus toont ons de Vader (Johannes 14:9-11). Christus openbaart de Vader. Het komt wellicht voor sommigen als een schok wanneer ik stel dat Christus niet alleen is gekomen om het verzoenende offer te brengen voor de zonde, maar als ik het hierbij zou laten, verkondig ik een incomplete boodschap. Christus is gekomen om in Zijn leven God de Vader te openbaren en om met Zijn leven de verlossing te verzegelen voor allen die door de Vader aan Hem gegeven zijn. Met andere woorden: de komst van Jezus Christus naar deze wereld kent zowel een openbaringskarakter als een verzoeningskarakter. Dit mag niet van elkaar losgekoppeld worden; het hoort bij elkaar. Door Zijn verzoenend lijden, sterven en de opstanding kunnen wij weer in de tegenwoordigheid van God ontvangen worden, en wanneer wij in deze tegenwoordigheid ontvangen worden, hebben wij een relatie met Iemand van Wie wij door de Heere Jezus Zelf weten Wie Hij is. Het is dus van groot belang om beide aspecten van Christus’ komst naar deze wereld te benoemen. Wie alleen het openbaringskarakter ziet, negeert het noodzakelijke verzoeningswerk; degene die alleen het verzoeningswerk ziet, negeert de noodzakelijke omgangskennis die Christus aan ons heeft bekendgemaakt.
2. Christus’ gezag over Zijn volk (vers 6b-8a)
Het is opvallend dat Christus in Zijn Hogepriesterlijk gebed meer ingaat op het openbaringskarakter van Zijn werk op aarde. Zo lezen we in vers 6b-8a:
Christus blikt hier terug op Zijn drie bedieningsjaren, die nu door een diep lijden, sterven en opstanding zijn hoogtepunt bereikt. Hij erkent opnieuw dat Zijn discipelen – en als gevolgtrekking allen die in Hem geloven – door God de Vader aan Hem gegeven zijn. En terugkijkend op Zijn bediening – met onderwijs, wonderen en tekenen – kan Hij met blijdschap aan Zijn Vader vertellen dat Zijn discipelen dit alles in acht hebben genomen. Zij hebben in Jezus Christus God de Vader gezien en hebben Hem ook als zodanig erkend. Zij hebben geloofd dat Christus geen zelfverklaarde profeet is, maar dat Zijn Vader Hem het verlossingswerk heeft toevertrouwd. Geen woord uit Christus’ mond is een eigen bedenksel (zie Johannes 5:19, 30; 8:38; 14:10). Alles wat Hij heeft gezegd, heeft Hij van Zijn Vader gehoord.
3. Christus’ getuigenis door het geloof ontvangen (vers 8b)
En hier komen we bij het cruciale punt als het gaat om het Bijbelse en verlossende geloof. We moeten consequenties gaan verbinden aan Christus’ woorden. Óf wij geloven werkelijk dat Hij de Zoon van God is, dat Hij Zijn Vader heeft geopenbaard, óf wij wijzen Hem af als Gods Zoon en wijzen hiermee Gods getuigenis af. Als we dit laatste doen, beweren wij dat God een leugenaar is (zie 1 Johannes 5:10). Lees wat Christus in vers 8b zegt over het Bijbelse en verlossende geloof:
Christus gebruikt hier drie verschillende synoniemen voor geloof:
• Aannemen
• Erkennen
• Geloven
De cruciale vraag is nu: wat hebben de discipelen aangenomen, erkend en geloofd? Het antwoord luidt: dat Jezus Christus door God de Vader naar deze wereld gezonden is, om de Vader te openbaren. In de directe context van het Hogepriesterlijk gebed is dit de definitie van het Bijbelse geloof. Jezus Christus is Gods breekpunt. Wijs Christus af, en je wijst de Vader af. Hoe goed je ook probeert te leven, het zal aan het einde niets uithalen; Christus afwijzen betekent schuldig zijn aan een zonde die nooit vergeven zal worden.
Het failliet van de “vrijblijvende gelovigen”
We leven in een tijd waarin iedereen zijn eigen leven vormgeeft en zijn eigen overtuigingen in een eigen vat giet. Eén van die overtuigingen luidt als volgt: “Ik ben een spiritueel mens; ik geloof in God, alleen met Jezus en de Bijbel heb ik niets.”
De Bijbel helpt ons op dit punt onmiddellijk uit de droom: iemand die beweert te geloven in God, zonder ook maar enige waardering en hoogachting van Christus en Zijn Woord te tonen, gelooft in een eigen gefabriceerde god. Talloze mensen die zijn afgehaakt en niet meer naar de kerk gaan, hebben een eigen religieus leven in elkaar getimmerd. Ze beweren te geloven in God, maar brengen vervolgens scheidingen aan en zetten zaken overboord die volgens de Bijbel ongeoorloofd zijn. Mensen die wel “geloven”, maar “niet bij de kerk willen horen. Of mensen die wel “geloven”, maar Christus als Verlosser en Heere afwijzen. Of mensen die wel “geloven”, maar niets met Gods Woord hebben. Bijbels gezien is dit de grootst mogelijke onzin die je maar kunt verkopen. Wie gelooft in de God van de Bijbel, heeft de Bijbel lief en heeft Christus lief. Er is totaal geen ruimte voor dergelijke vrijblijvendheid. Teveel mensen die niet meer willen geloven in het getuigenis van de Schrift hebben uitwegen gezocht om tóch als gelovige door het leven te gaan en tegelijkertijd door christenen geaccepteerd te worden. Juist in deze tijd is het noodzakelijk dat tegen dit soort bewegingen wordt opgestaan en de grens wordt getrokken. Er bestaat geen vrijblijvend christendom. Er bestaat geen Christianity-light. Alleen degenen die het getuigenis van God de Vader in Zijn geschreven Woord (de Bijbel) en in Zijn vleesgeworden Woord (Jezus Christus) aannemen, erkennen en geloven, worden verloste gelovigen genoemd. Zij zijn de “allen” in vers 2.
4. Christus’ gebed voor degenen die Hem door het geloof ontvangen hebben (vers 9-10)
En alleen voor deze groep mensen bidt Christus Zijn Hogepriesterlijk gebed, zo lezen we in vers 9 en 10:
Het Hogepriesterlijk gebed is alleen van toepassing op degenen die het getuigenis van de Vader in de Zoon hebben aangenomen, erkend en geloofd. Christus bidt Zijn Hogepriesterlijk gebed niet voor de wereld. En vanuit de context is dit niet moeilijk te verklaren: de mensen “in de wereld” zijn niet door de Vader aan de Zoon gegeven om het eeuwige leven te ontvangen.
Gods liefde voor Zijn volk is een onderscheidende liefde
Het is haast vloeken in de evangelische kerken – waar iedereen te horen krijgt dat God onvoorwaardelijk van je houdt – als je stelt dat er verschillende soorten van Gods liefde zichtbaar zijn. Toch is Gods liefde voor Zijn uitverkoren volk wel degelijk anders dan de liefde die Hij voor de wereld heeft. En dat zien we hier zichtbaar worden. Christus zorgt op een manier voor de uitverkorenen die we niet terugzien in Zijn handelen met de wereld. Hij bidt specifiek om de bewaring van Zijn kinderen; dit bidt Hij niet voor de wereld. Dat is ook logisch, want wat niet behouden wordt, kan ook onmogelijk worden bewaard.
Ook op dit punt moeten we de moed hebben uit te komen voor Gods waarheid. Ja, Hij heeft de wereld zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.
Maar nee, God heeft de wereld niet op dezelfde wijze lief als Zijn eigen volk. De zorg voor Zijn uitverkoren volk gaat dieper. Het is een liefde die er met zorg en bescherming alles aan zal doen om de verlossing van Gods kinderen tot in eeuwigheid te verzekeren. Het is een glorieuze waarheid en geweldige vertroosting te weten dat wanneer jij in Jezus Christus gelooft, jij valt onder de bijzondere zorg en verlossingsliefde van God. Er is wel degelijk onderscheid tussen gelovigen en niet-gelovigen op dit punt. Laten we ophouden met uithollen van Gods liefde, alsof ieder mens voor dezelfde soort liefde in aanmerking komt; het is gewoon niet waar! Laten we stoppen met rondstrooien van clichés en het wekken van de suggestie dat God alles toch wel best vind, wat je ook doet – omdat Hij zogenaamd toch wel van je houdt. Vertroost elkaar als gelovigen met de waarheid dat God op een bijzondere manier met een bijzondere liefde is betrokken op het leven van Zijn volk. Hij koestert Zijn volk. Hij beschermt Zijn volk. Hij zegent Zijn volk. Hij doet er alles aan om Zijn volk veilig in Zijn heerlijkheid te brengen.
Mogen christenen bidden voor de wereld?
Het besef dat Gods liefde voor Zijn volk onderscheidend is ten opzichte van Zijn liefde voor de wereld, roept wel de vraag op of christenen voor de wereld mogen bidden. Christus Zelf zegt immers in vers 9 dat Hij niet voor de wereld bidt.
Als we het bredere Bijbelse kader onderzoeken, komen we erachter dat de apostel Paulus zijn kind in het geloof, Timotheüs, opdraagt te bidden voor alle mensen (1 Timotheüs 2:1-4). We moeten echter goed letten op de achtergrond van een dergelijke oproep. Paulus wil dat christenen bidden voor alle mensen – en hij noemt daar specifiek machtshebbers, regeringsleiders en koningen – zodat christenen een rustig leven kunnen leiden. Maar waar is dit dan voor nodig? Uiteindelijk om andere mensen te winnen voor Christus (zie 1 Timotheüs 2:3-4). Dus zelfs in het bidden voor alle mensen – of, als je het zo noemen wilt: de wereld – zit een heilig, Evangelisch motief.
We hebben net al gezien dat Christus Zijn Hogepriesterlijk gebed niet bidt voor de wereld, omdat dit gebed alleen van toepassing is op degenen die door de Vader aan Hem gegeven zijn en die in Christus Gods getuigenis hebben ontvangen. Kortom: het Hogepriesterlijk gebed is niet te vergelijken met Paulus’ oproep om te bidden voor alle mensen. Er zit geen tegenstelling tussen deze twee gebeden; er zitten andere motieven en doelen achter. Christus bidt voor de bewaring van Zijn volk, Paulus wil gebed voor alle mensen, zodat ongelovigen de verlossing in Christus zullen ontvangen.
De verheerlijking van Christus in gelovigen
Aan het einde van vers 10 lezen we dat Christus zegt dat Hij in Zijn discipelen is verheerlijkt. Dit gebeurt wanneer iemand Gods getuigenis in Christus aanneemt, erkent en gelooft. Er kan geen sprake zijn van verheerlijking wanneer het getuigenis verworpen wordt. De prediking en het Bijbelse onderwijs zijn daarom ontzettend belangrijk. Het dient tot de verheerlijking van Christus in mensen. Christus wordt op dit moment verheerlijkt in hen die Hem belijden als de Zoon van God en Gods doel is dat Zijn Zoon verheerlijkt zal worden in degenen die door de verkondiging van het Evangelie in Hem zullen gaan geloven. Wil je weten of jij Jezus Christus op dit moment verheerlijkt? Kijk dan naar jouw houding ten opzichte van het getuigenis dat de Bijbel van Hem geeft. Hier begint alles mee. Christus verheerlijken begint met het geloven dat Hij is Wie Hij zegt te zijn; het is geloven wat God over Hem heeft gezegd.
5. Christus’ verzoek om de bewaring en eenheid van Zijn volk (vers 11)
De eenheid tussen de Vader en de Zoon is zó sterk, dat Hij deze in vers 11 als model voor christelijke eenheid beschrijft:
De Vader en de Zoon Zijn één. En de Zoon zegt hier tegen de Vader: “Ik kom nu naar U toe. Ik laat Mijn discipelen, Mijn volgelingen achter in deze wereld.” Daarom verzoekt Hij Zijn Vader dat Hij hen bewaart, opdat zij één zullen zijn zoals Zij.
Gods liefde voor Zijn volk is een bijzondere, onderscheidende liefde. En die liefde hebben de gelovigen nodig, omdat Christus sinds Zijn hemelvaart niet meer fysiek bij hen is. Er komt een moment waarop Zijn fysieke afwezigheid verleden tijd zal zijn, maar tot die tijd hebben gelovigen de opdracht om vast te houden aan het Bijbelse getuigenis aangaande Christus. En de Heere Jezus heeft Zelf – met name in de hoofdstukken vóór het Hogepriesterlijk gebed, in Johannes 13-16 – voorzegd dat dit beslist geen gemakkelijke tijd zal zijn. Gelovigen worden geconfronteerd met vervolging, haat en worden uitgesloten van het maatschappelijke leven. Christen worden betekent in sommige landen letterlijk de Heere Jezus navolgen in Zijn lijden en sterven. En Christus was Zich hier goed van bewust. Hij wist dat dit alles zou gaan gebeuren met Zijn kinderen. Is het dan niet geweldig te weten dat juist deze Verlosser zo’n onderscheidende liefde voor Zijn vervolgde kinderen heeft? Dat er werkelijk een diepere, intensere en zorgzame liefde van Hem uitgaat naar hen die trouw zijn aan Zijn Persoon en boodschap?
Wat moeten we met de oecumenische beweging?
Vers 11 is zo ongeveer het meest misbruikte vers als het gaat om het “bevorderen van de eenheid van de kerk.” De hele oecumenische beweging vind hoofdzakelijk haar inspiratie in dit vers. Maar wat moeten we hiervan denken?
Allereerst wil ik erop wijzen dat het doel van de oecumenische kerk lijnrecht ingaat tegen het verzoek van Christus. Let goed op wat Christus hier zegt! Zijn verzoek is niet de eenheid, Zijn verzoek is de bewaring van Zijn uitverkoren volk. En die bewaring resulteert uiteindelijk in de eenheid.
In Amerika hanteren mensen zo nu en dan de slogan “Doctrine divides!” Hiermee bedoelen zij dat discussies over de leer alleen maar verdeeldheid brengt. Als je echter naar de context van het Hogepriesterlijk gebed kijkt, zie je dat dit een absurde en ongegronde stelling is. Het is niet de leer die verdeeldheid brengt; het is de ongezonde leer die verdeeldheid brengt! Het is niet “Doctrine divides!” maar “Bad doctrine divides!” Het is nogal ironisch dat de oecumenische beweging het belang van de gezonde leer van tafel wil vegen, daar waar uitgerekend Christus Zelf het vasthouden aan die gezonde leer tot een breekpunt maakt in Zijn Hogepriesterlijk gebed.
Mijn conclusie is dat gelovigen in Christus niet allereerst voor de eenheid moeten gaan, maar voor de bewaring van Gods getuigenis in Jezus Christus. Wie dat doet, zal merken dat de eenheid dan vanzelf ontstaat en werkelijkheid wordt. Dit is ook wat Christus zegt: “Bewaar hen, opdat zij allen één zijn.” Hij zegt niet: “Maak hen één, opdat zij bewaard blijven.” Het begint met bewaring en het resultaat is eenheid. Hoewel het streven van de oecumenische beweging naar de eenheid van de kerk een begrijpelijke is, geloof ik op grond van Johannes 17:11 dat zij door de eenzijdige focus op eenheid het paard achter de wagen spannen. Hierdoor zijn zij bereid compromissen te sluiten over de leer. En op punten van de verlossing, de Persoon en het werk van Jezus Christus, het karakter van God en het praktische leven van wedergeboren christenen kan dit beslist niet. Het is tragisch dat juist mensen, die zo hebben gestreden voor de eenheid, essentiële elementen van het Bijbelse getuigenis hebben losgelaten en verworpen. Daarom mijn aansporing en waarschuwing: zoek eerst de bewaring van het Bijbelse getuigenis en de eenheid zal automatisch volgen. Pas op dat je niet allereerst voor de eenheid gaat, want het risico dat je belangrijke leringen overboord zet, wordt hiermee een stuk groter.
De vorige keer hebben we gezien dat het Hogepriesterlijk gebed in Johannes 17 begint met een duidelijke focus van Christus op de heerlijkheid van Hemzelf en de Vader. We hebben ook gezien dat Christus de uitverkorenen van Zijn Vader ontvangen heeft, om hen het eeuwige leven te geven (vers 2). In de verzen 6-11 lezen we hoe Christus deze speciale zorg voor Zijn uitverkoren volk gedetailleerder verwoordt tegen Zijn hemelse Vader.
1. Christus’ werk op aarde (vers 6a)
Wat is het primaire doel van Christus’ komst naar de aarde? Er zijn nogal wat christenen die menen dat Christus enkel en alleen is gekomen om te lijden, sterven en uiteindelijk opgewekt te worden uit de dood. Dit is echter niet het hele Bijbelse plaatje, en het is ook niet wat Hijzelf noemt in het Hogepriesterlijk gebed. We lezen in vers 6a:
“Ik heb hen Uw Naam geopenbaard aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt.”
Het belangrijkste doel van Christus’ komst naar deze wereld is het bekendmaken van God de Vader. Christus toont ons de Vader (Johannes 14:9-11). Christus openbaart de Vader. Het komt wellicht voor sommigen als een schok wanneer ik stel dat Christus niet alleen is gekomen om het verzoenende offer te brengen voor de zonde, maar als ik het hierbij zou laten, verkondig ik een incomplete boodschap. Christus is gekomen om in Zijn leven God de Vader te openbaren en om met Zijn leven de verlossing te verzegelen voor allen die door de Vader aan Hem gegeven zijn. Met andere woorden: de komst van Jezus Christus naar deze wereld kent zowel een openbaringskarakter als een verzoeningskarakter. Dit mag niet van elkaar losgekoppeld worden; het hoort bij elkaar. Door Zijn verzoenend lijden, sterven en de opstanding kunnen wij weer in de tegenwoordigheid van God ontvangen worden, en wanneer wij in deze tegenwoordigheid ontvangen worden, hebben wij een relatie met Iemand van Wie wij door de Heere Jezus Zelf weten Wie Hij is. Het is dus van groot belang om beide aspecten van Christus’ komst naar deze wereld te benoemen. Wie alleen het openbaringskarakter ziet, negeert het noodzakelijke verzoeningswerk; degene die alleen het verzoeningswerk ziet, negeert de noodzakelijke omgangskennis die Christus aan ons heeft bekendgemaakt.
2. Christus’ gezag over Zijn volk (vers 6b-8a)
Het is opvallend dat Christus in Zijn Hogepriesterlijk gebed meer ingaat op het openbaringskarakter van Zijn werk op aarde. Zo lezen we in vers 6b-8a:
“Zij waren van U en U hebt hen Mij gegeven, en zij hebben Uw woord in acht genomen. Nu hebben zij erkend dat alles wat U Mij gegeven hebt, bij U vandaan komt. Want de woorden die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven…”
Christus blikt hier terug op Zijn drie bedieningsjaren, die nu door een diep lijden, sterven en opstanding zijn hoogtepunt bereikt. Hij erkent opnieuw dat Zijn discipelen – en als gevolgtrekking allen die in Hem geloven – door God de Vader aan Hem gegeven zijn. En terugkijkend op Zijn bediening – met onderwijs, wonderen en tekenen – kan Hij met blijdschap aan Zijn Vader vertellen dat Zijn discipelen dit alles in acht hebben genomen. Zij hebben in Jezus Christus God de Vader gezien en hebben Hem ook als zodanig erkend. Zij hebben geloofd dat Christus geen zelfverklaarde profeet is, maar dat Zijn Vader Hem het verlossingswerk heeft toevertrouwd. Geen woord uit Christus’ mond is een eigen bedenksel (zie Johannes 5:19, 30; 8:38; 14:10). Alles wat Hij heeft gezegd, heeft Hij van Zijn Vader gehoord.
3. Christus’ getuigenis door het geloof ontvangen (vers 8b)
En hier komen we bij het cruciale punt als het gaat om het Bijbelse en verlossende geloof. We moeten consequenties gaan verbinden aan Christus’ woorden. Óf wij geloven werkelijk dat Hij de Zoon van God is, dat Hij Zijn Vader heeft geopenbaard, óf wij wijzen Hem af als Gods Zoon en wijzen hiermee Gods getuigenis af. Als we dit laatste doen, beweren wij dat God een leugenaar is (zie 1 Johannes 5:10). Lees wat Christus in vers 8b zegt over het Bijbelse en verlossende geloof:
“…en zij hebben ze aangenomen, en zij hebben daadwerkelijk erkend dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd dat U Mij gezonden hebt.”
Christus gebruikt hier drie verschillende synoniemen voor geloof:
• Aannemen
• Erkennen
• Geloven
De cruciale vraag is nu: wat hebben de discipelen aangenomen, erkend en geloofd? Het antwoord luidt: dat Jezus Christus door God de Vader naar deze wereld gezonden is, om de Vader te openbaren. In de directe context van het Hogepriesterlijk gebed is dit de definitie van het Bijbelse geloof. Jezus Christus is Gods breekpunt. Wijs Christus af, en je wijst de Vader af. Hoe goed je ook probeert te leven, het zal aan het einde niets uithalen; Christus afwijzen betekent schuldig zijn aan een zonde die nooit vergeven zal worden.
Het failliet van de “vrijblijvende gelovigen”
We leven in een tijd waarin iedereen zijn eigen leven vormgeeft en zijn eigen overtuigingen in een eigen vat giet. Eén van die overtuigingen luidt als volgt: “Ik ben een spiritueel mens; ik geloof in God, alleen met Jezus en de Bijbel heb ik niets.”
De Bijbel helpt ons op dit punt onmiddellijk uit de droom: iemand die beweert te geloven in God, zonder ook maar enige waardering en hoogachting van Christus en Zijn Woord te tonen, gelooft in een eigen gefabriceerde god. Talloze mensen die zijn afgehaakt en niet meer naar de kerk gaan, hebben een eigen religieus leven in elkaar getimmerd. Ze beweren te geloven in God, maar brengen vervolgens scheidingen aan en zetten zaken overboord die volgens de Bijbel ongeoorloofd zijn. Mensen die wel “geloven”, maar “niet bij de kerk willen horen. Of mensen die wel “geloven”, maar Christus als Verlosser en Heere afwijzen. Of mensen die wel “geloven”, maar niets met Gods Woord hebben. Bijbels gezien is dit de grootst mogelijke onzin die je maar kunt verkopen. Wie gelooft in de God van de Bijbel, heeft de Bijbel lief en heeft Christus lief. Er is totaal geen ruimte voor dergelijke vrijblijvendheid. Teveel mensen die niet meer willen geloven in het getuigenis van de Schrift hebben uitwegen gezocht om tóch als gelovige door het leven te gaan en tegelijkertijd door christenen geaccepteerd te worden. Juist in deze tijd is het noodzakelijk dat tegen dit soort bewegingen wordt opgestaan en de grens wordt getrokken. Er bestaat geen vrijblijvend christendom. Er bestaat geen Christianity-light. Alleen degenen die het getuigenis van God de Vader in Zijn geschreven Woord (de Bijbel) en in Zijn vleesgeworden Woord (Jezus Christus) aannemen, erkennen en geloven, worden verloste gelovigen genoemd. Zij zijn de “allen” in vers 2.
4. Christus’ gebed voor degenen die Hem door het geloof ontvangen hebben (vers 9-10)
En alleen voor deze groep mensen bidt Christus Zijn Hogepriesterlijk gebed, zo lezen we in vers 9 en 10:
“Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor hen die U Mij gegeven hebt, want zij zijn van U. En al wat van Mij is, is van U, en wat van U is, is van Mij; en Ik ben in hen verheerlijkt."
Het Hogepriesterlijk gebed is alleen van toepassing op degenen die het getuigenis van de Vader in de Zoon hebben aangenomen, erkend en geloofd. Christus bidt Zijn Hogepriesterlijk gebed niet voor de wereld. En vanuit de context is dit niet moeilijk te verklaren: de mensen “in de wereld” zijn niet door de Vader aan de Zoon gegeven om het eeuwige leven te ontvangen.
Gods liefde voor Zijn volk is een onderscheidende liefde
Het is haast vloeken in de evangelische kerken – waar iedereen te horen krijgt dat God onvoorwaardelijk van je houdt – als je stelt dat er verschillende soorten van Gods liefde zichtbaar zijn. Toch is Gods liefde voor Zijn uitverkoren volk wel degelijk anders dan de liefde die Hij voor de wereld heeft. En dat zien we hier zichtbaar worden. Christus zorgt op een manier voor de uitverkorenen die we niet terugzien in Zijn handelen met de wereld. Hij bidt specifiek om de bewaring van Zijn kinderen; dit bidt Hij niet voor de wereld. Dat is ook logisch, want wat niet behouden wordt, kan ook onmogelijk worden bewaard.
Ook op dit punt moeten we de moed hebben uit te komen voor Gods waarheid. Ja, Hij heeft de wereld zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.
Maar nee, God heeft de wereld niet op dezelfde wijze lief als Zijn eigen volk. De zorg voor Zijn uitverkoren volk gaat dieper. Het is een liefde die er met zorg en bescherming alles aan zal doen om de verlossing van Gods kinderen tot in eeuwigheid te verzekeren. Het is een glorieuze waarheid en geweldige vertroosting te weten dat wanneer jij in Jezus Christus gelooft, jij valt onder de bijzondere zorg en verlossingsliefde van God. Er is wel degelijk onderscheid tussen gelovigen en niet-gelovigen op dit punt. Laten we ophouden met uithollen van Gods liefde, alsof ieder mens voor dezelfde soort liefde in aanmerking komt; het is gewoon niet waar! Laten we stoppen met rondstrooien van clichés en het wekken van de suggestie dat God alles toch wel best vind, wat je ook doet – omdat Hij zogenaamd toch wel van je houdt. Vertroost elkaar als gelovigen met de waarheid dat God op een bijzondere manier met een bijzondere liefde is betrokken op het leven van Zijn volk. Hij koestert Zijn volk. Hij beschermt Zijn volk. Hij zegent Zijn volk. Hij doet er alles aan om Zijn volk veilig in Zijn heerlijkheid te brengen.
Mogen christenen bidden voor de wereld?
Het besef dat Gods liefde voor Zijn volk onderscheidend is ten opzichte van Zijn liefde voor de wereld, roept wel de vraag op of christenen voor de wereld mogen bidden. Christus Zelf zegt immers in vers 9 dat Hij niet voor de wereld bidt.
Als we het bredere Bijbelse kader onderzoeken, komen we erachter dat de apostel Paulus zijn kind in het geloof, Timotheüs, opdraagt te bidden voor alle mensen (1 Timotheüs 2:1-4). We moeten echter goed letten op de achtergrond van een dergelijke oproep. Paulus wil dat christenen bidden voor alle mensen – en hij noemt daar specifiek machtshebbers, regeringsleiders en koningen – zodat christenen een rustig leven kunnen leiden. Maar waar is dit dan voor nodig? Uiteindelijk om andere mensen te winnen voor Christus (zie 1 Timotheüs 2:3-4). Dus zelfs in het bidden voor alle mensen – of, als je het zo noemen wilt: de wereld – zit een heilig, Evangelisch motief.
We hebben net al gezien dat Christus Zijn Hogepriesterlijk gebed niet bidt voor de wereld, omdat dit gebed alleen van toepassing is op degenen die door de Vader aan Hem gegeven zijn en die in Christus Gods getuigenis hebben ontvangen. Kortom: het Hogepriesterlijk gebed is niet te vergelijken met Paulus’ oproep om te bidden voor alle mensen. Er zit geen tegenstelling tussen deze twee gebeden; er zitten andere motieven en doelen achter. Christus bidt voor de bewaring van Zijn volk, Paulus wil gebed voor alle mensen, zodat ongelovigen de verlossing in Christus zullen ontvangen.
De verheerlijking van Christus in gelovigen
Aan het einde van vers 10 lezen we dat Christus zegt dat Hij in Zijn discipelen is verheerlijkt. Dit gebeurt wanneer iemand Gods getuigenis in Christus aanneemt, erkent en gelooft. Er kan geen sprake zijn van verheerlijking wanneer het getuigenis verworpen wordt. De prediking en het Bijbelse onderwijs zijn daarom ontzettend belangrijk. Het dient tot de verheerlijking van Christus in mensen. Christus wordt op dit moment verheerlijkt in hen die Hem belijden als de Zoon van God en Gods doel is dat Zijn Zoon verheerlijkt zal worden in degenen die door de verkondiging van het Evangelie in Hem zullen gaan geloven. Wil je weten of jij Jezus Christus op dit moment verheerlijkt? Kijk dan naar jouw houding ten opzichte van het getuigenis dat de Bijbel van Hem geeft. Hier begint alles mee. Christus verheerlijken begint met het geloven dat Hij is Wie Hij zegt te zijn; het is geloven wat God over Hem heeft gezegd.
5. Christus’ verzoek om de bewaring en eenheid van Zijn volk (vers 11)
De eenheid tussen de Vader en de Zoon is zó sterk, dat Hij deze in vers 11 als model voor christelijke eenheid beschrijft:
“En Ik ben niet meer in de wereld, maar dezen zijn in de wereld, en Ik kom naar U toe. Heilige Vader, bewaar hen die U Mij gegeven hebt in Uw Naam, opdat zij één zullen zijn zoals Wij.”
De Vader en de Zoon Zijn één. En de Zoon zegt hier tegen de Vader: “Ik kom nu naar U toe. Ik laat Mijn discipelen, Mijn volgelingen achter in deze wereld.” Daarom verzoekt Hij Zijn Vader dat Hij hen bewaart, opdat zij één zullen zijn zoals Zij.
Gods liefde voor Zijn volk is een bijzondere, onderscheidende liefde. En die liefde hebben de gelovigen nodig, omdat Christus sinds Zijn hemelvaart niet meer fysiek bij hen is. Er komt een moment waarop Zijn fysieke afwezigheid verleden tijd zal zijn, maar tot die tijd hebben gelovigen de opdracht om vast te houden aan het Bijbelse getuigenis aangaande Christus. En de Heere Jezus heeft Zelf – met name in de hoofdstukken vóór het Hogepriesterlijk gebed, in Johannes 13-16 – voorzegd dat dit beslist geen gemakkelijke tijd zal zijn. Gelovigen worden geconfronteerd met vervolging, haat en worden uitgesloten van het maatschappelijke leven. Christen worden betekent in sommige landen letterlijk de Heere Jezus navolgen in Zijn lijden en sterven. En Christus was Zich hier goed van bewust. Hij wist dat dit alles zou gaan gebeuren met Zijn kinderen. Is het dan niet geweldig te weten dat juist deze Verlosser zo’n onderscheidende liefde voor Zijn vervolgde kinderen heeft? Dat er werkelijk een diepere, intensere en zorgzame liefde van Hem uitgaat naar hen die trouw zijn aan Zijn Persoon en boodschap?
Wat moeten we met de oecumenische beweging?
Vers 11 is zo ongeveer het meest misbruikte vers als het gaat om het “bevorderen van de eenheid van de kerk.” De hele oecumenische beweging vind hoofdzakelijk haar inspiratie in dit vers. Maar wat moeten we hiervan denken?
Allereerst wil ik erop wijzen dat het doel van de oecumenische kerk lijnrecht ingaat tegen het verzoek van Christus. Let goed op wat Christus hier zegt! Zijn verzoek is niet de eenheid, Zijn verzoek is de bewaring van Zijn uitverkoren volk. En die bewaring resulteert uiteindelijk in de eenheid.
In Amerika hanteren mensen zo nu en dan de slogan “Doctrine divides!” Hiermee bedoelen zij dat discussies over de leer alleen maar verdeeldheid brengt. Als je echter naar de context van het Hogepriesterlijk gebed kijkt, zie je dat dit een absurde en ongegronde stelling is. Het is niet de leer die verdeeldheid brengt; het is de ongezonde leer die verdeeldheid brengt! Het is niet “Doctrine divides!” maar “Bad doctrine divides!” Het is nogal ironisch dat de oecumenische beweging het belang van de gezonde leer van tafel wil vegen, daar waar uitgerekend Christus Zelf het vasthouden aan die gezonde leer tot een breekpunt maakt in Zijn Hogepriesterlijk gebed.
Mijn conclusie is dat gelovigen in Christus niet allereerst voor de eenheid moeten gaan, maar voor de bewaring van Gods getuigenis in Jezus Christus. Wie dat doet, zal merken dat de eenheid dan vanzelf ontstaat en werkelijkheid wordt. Dit is ook wat Christus zegt: “Bewaar hen, opdat zij allen één zijn.” Hij zegt niet: “Maak hen één, opdat zij bewaard blijven.” Het begint met bewaring en het resultaat is eenheid. Hoewel het streven van de oecumenische beweging naar de eenheid van de kerk een begrijpelijke is, geloof ik op grond van Johannes 17:11 dat zij door de eenzijdige focus op eenheid het paard achter de wagen spannen. Hierdoor zijn zij bereid compromissen te sluiten over de leer. En op punten van de verlossing, de Persoon en het werk van Jezus Christus, het karakter van God en het praktische leven van wedergeboren christenen kan dit beslist niet. Het is tragisch dat juist mensen, die zo hebben gestreden voor de eenheid, essentiële elementen van het Bijbelse getuigenis hebben losgelaten en verworpen. Daarom mijn aansporing en waarschuwing: zoek eerst de bewaring van het Bijbelse getuigenis en de eenheid zal automatisch volgen. Pas op dat je niet allereerst voor de eenheid gaat, want het risico dat je belangrijke leringen overboord zet, wordt hiermee een stuk groter.
zondag 25 februari 2018
“Vader, Ik bid voor hen…” (1)
De boodschap van Johannes 17
Zijn lijden is aanstaande. Zijn gruwelijke marteldood staat voor de deur. Enkele momenten voordat Zijn lijdenweg begint, spreekt Jezus Christus met Zijn Vader in de hemel. Hij bidt. Voor… ja, voor wie eigenlijk?
We lezen het in Johannes 17 – het Hogepriesterlijk gebed. Christus bidt voor Zijn volk, maar ook voor Hemzelf! Eigenlijk is het gebed van Christus in Johannes 17 te omschrijven als het verzoek om bewaring van Gods volk tot eer en glorie van Gods Naam. Hoe dit alles precies zit, zullen we gaan ontdekken. In dit eerste deel staan we stil bij de eerste vijf verzen.
1. Christus’ blik naar de hemel (vers 1a)
We lezen als eerste dat Christus Zijn ogen opslaat naar de hemel:
Christus is Zich bewust van Zijn lijdensweg. Hij weet wat Hem te wachten staat. Dit is hét moment waarvan al werd geprofeteerd door Jesaja. Christus is straks letterlijk de “lijdende Knecht van de Heere” (zie Jesaja 53).
Drie jaar lang heeft Hij opgetrokken met twaalf discipelen. Twaalf mannen, die de uitnodiging hebben aanvaard om Hem te volgen. Twaalf mannen, die met vallen en opstaan hebben geleerd Wie Christus is – al is het vanuit de directe context te betwijfelen of zij toen al werkelijk zo’n heerlijk zicht op Hem hadden als na Zijn opstanding. Zo vraagt Filippus bijvoorbeeld aan de Heere Jezus in Johannes 14:8 om de Vader te laten zien. Christus reageert daarop in vers 9 met een wedervraag:
Het moment van tijdelijk afscheid en lijden is gekomen. Wellicht snappen de discipelen ook op dit moment niet wat er allemaal gaande is. Maar Christus weet dat wel. En in die wetenschap, op de drempel van Zijn lijden en sterven richt Hij Zich tot Zijn Vader. Hij spreekt met Hem.
2. Christus’ verzoek om de verheerlijking van Hemzelf (vers 1b-2)
Zijn eerste verzoek is hoogst opmerkelijk:
Het eerste verzoek van Christus is… de verheerlijking van Christus! Vanwaar dit verzoek? Is Christus zo op Zichzelf gericht? Waarom is dit het eerste dat Hij zegt? Let op dat Hij dit niet lukraak zegt. Hij geeft er ook een motivatie bij: “opdat ook Uw Zoon U verheerlijkt…”Kortom: de verheerlijking van de Zoon betekent automatisch de verheerlijking van de Vader. God de Vader heeft er volgens Christus alle belang bij dat de Zoon wordt verheerlijkt. God is een Zichzelf verheerlijkend God. En dan haken wij af. We staan met onze oren te klapperen: “Ik dacht dat God er voor MIJ was! En Hij is er dus voor Zichzelf?!”
Veel mensen, ook veel binnen de kerk, hebben de gedachte dat God er primair is om het de mens naar zijn zin te maken. Ik wil gelukkig worden, en God moet mij daarbij helpen. Ik wil mijn dromen najagen, en God moet deze laten uitkomen. Ik voel mij minderwaardig, en God moet mij laten ervaren dat ik waardevol en kostbaar ben.
Het eerste verzoek van Christus aan Zijn Vader in Johannes 17 sluit niet bepaald aan op deze wensen. Het gaat recht tegen ons natuurlijke verlangen in – en ook ons natuurlijke Godsbeeld. God is er niet primair voor jou (let op dat woordje primair, dat is belangrijk), maar voor Hemzelf. Hij geeft om Zijn schepping, Hij neemt Zijn schepping serieus en zorgt daar met liefde voor. Maar Zijn drijvende motivatie, Zijn verlangen is de verheerlijking van Zijn Naam. Dit kan echter een cliché worden, waarbij het mantra van Gods verlangen naar de verheerlijking van Zijn Naam blijft klinken, zonder te weten hoe dit precies werkt. We zullen moeten weten waarin Gods Naam verheerlijkt wordt – en in de context van het Hogepriesterlijk gebed zullen we ook moeten ontdekken wat de rol van Christus als Gods Zoon in dit geheel is. Vers 2 geeft ons concreet inzicht:
We krijgen hier een unieke inkijk in de samenwerking tussen God de Vader en God de Zoon. God de Vader heeft macht, autoriteit gegeven aan Zijn Zoon.
Waarover?
Over een groep mensen.
Waarom?
Om hen het eeuwige leven te geven.
God heeft een specifieke groep mensen in Zijn macht gegeven, om aan hen het eeuwige leven te geven. Let op hoe alomvattend dit klinkt: Christus zegt niet “zoals U Hem macht hebt gegeven over alle vlees, opdat Hij eeuwig leven geeft aan sommigen, die tot geloof zullen komen.” Christus spreekt hier anders. Hij spreekt hier over uitverkiezing. En Hij spreekt hier over een volledige groep mensen. Deze woorden impliceren dat de groep verlosten volledig is.
Hoe een gezonde calvinist kan zwemmen tussen de oevers van het Arminianisme en hyper-calvinisme
Ik ontkom er niet aan om hier de woorden Calvinisme en Arminianisme te benoemen. Want hoe kan een “gezonde” calvinist gezond blijven en niet vervallen tot hyper-calvinisme? De reden dat ik op het punt van uitverkiezing een calvinist ben, is onder andere gegrond op dit vers. Het Arminiaanse standpunt kán mijns inziens niet in stand gehouden worden. De Arminiaanse theologie stelt dat Christus is gestorven voor alle mensen en dat het uiteindelijk aan de mens zelf is om door het geloof verlossing te ontvangen. Niet voor niets verdedigt het Arminianisme de leer van de vrije wil en het kunnen tegenstaan van Gods genade in Christus. Ik moet als mens zelf de “keuze maken” om in Christus te geloven. Die macht, die wil ligt in mij. Het uiteindelijke aantal verlosten ligt dus niet zozeer in Gods hand, maar in de mens die moet gaan geloven. Christus stierf om iedereen te kunnen verlossen. Tegelijkertijd leert de Bijbel ons – en Arminianen stemmen hiermee in – dat niet iedereen verlost zal worden. De vraag is nu: is het verlossingswerk van Christus hiermee mislukt? Heeft het gefaald? Want als Hij komt om iedereen te verlossen, dan is elke ziel die verloren gaat een smet op dat verlossingswerk. Het is – hoe je het ook wend of keert – een soort mislukking. Hoe moeten we dit zien?
Het antwoord op deze vraag maakt mij tot een calvinist. Ik weiger te geloven dat het verlossingswerk van Christus onvolmaakt en (deels) mislukt is. Maar ja – dan kom je bij die moeilijke vraag: heeft God dan ook mensen voorbestemd om verloren te gaan? Het antwoord luidt: daar zwijgt de Bijbel over. We weten alleen – en laten we het daarbij houden – dat God mensen heeft uitverkoren tot het eeuwige leven. Hyper-calvinisten gaan zover dat zij stellen: “Wij weten niet wie er uitverkoren is en daarom mogen wij niet iedereen oproepen tot geloof in en bekering tot Jezus Christus.” Zie hier maar eens als een “gezonde calvinist” tussendoor te zwemmen! Hoe kan ik ervoor zorgen dat ik Bijbels spreek over de uitverkiezing, zonder te suggereren dat Christus’ verlossingswerk deels mislukt is? En hoe kan ik ervoor zorgen dat ik geen hyper-calvinist word, die geen uitnodiging tot Christus doet? Het enige antwoord ligt volgens mij exact in vers 2.
Christus zegt daar dat God Hem macht heeft gegeven over alle vlees, om aan hen het eeuwige leven te geven. Dit kan nooit betrekking hebben op alle mensen, maar alleen op de uitverkorenen, omdat de Heere Jezus in vers 2b stelt dat Hij al deze mensen het eeuwige leven geeft. Dit is mijn antwoord op de Arminiaanse theologie: Christus’ verlossingswerk faalt niet! Ook al gaan er mensen verloren, Zijn verlossingswerk faalt niet. Waarom niet? Omdat Hij van Zijn Vader die macht en autoriteit heeft gekregen om hen te verzoenen met God, hen te kopen met Zijn eigen bloed én om hen tot in eeuwigheid te bewaren. Hij heeft Gods macht en autoriteit ontvangen om dit te doen voor deze specifieke groep mensen. En hierin faalt Christus niet.
Moeten we dan hyper-calvinisten worden? Absoluut niet! Want het is juist door de oproep van het Evangelie dat mensen tot geloof komen en verlost worden. En hoe kunnen mensen tot geloof komen als zij geen uitnodiging krijgen? De uitverkiezing moet vooral als pastorale troost worden benaderd, en niet als star theologisch dogma. Dat klinkt lichtelijk ironisch na een uitgebreide uitzetting over verschillende standpunten, dat geef ik toe. Het is belangrijk om te weten waarom je denkt wat je denkt en soms is het ook goed om verschillende standpunten te evalueren. Maar houd ook altijd in alles de pastorale uitwerking in de gaten. En vergeet niet dat Christus in het Hogepriesterlijk gebed ontzettend pastoraal is! Hij geeft bemoediging, troost en uitzicht aan Zijn kinderen!
Wat is de verheerlijking van de Vader en de Zoon?
Nu moeten we de vraag beantwoorden wat dit alles bijdraagt aan de verheerlijking van God de Vader en de Zoon. Christus legt immers Zijn volbrachte verlossingswerk – wat dat is, gaan we later zien – als grond onder Zijn verzoek van vers 1. Dit is ook meteen het antwoord. De verheerlijking van God vindt zijn hoogtepunt, wordt het meest zichtbaar in het verlossingswerk van Jezus Christus. Waarom kan Christus dit als grond onder Zijn verzoek leggen? Omdat Hij de wil van de Vader volmaakt heeft gedaan! Hij heeft allen, die door de Vader aan Hem gegeven zijn, het eeuwige leven gegeven en hen bewaard. Zijn missie is volmaakt vervuld. Dit is de reden dat God dit gebed van Zijn Zoon kan verhoren. Daarom kan de Vader de Zoon verheerlijken. Christus wijst hier als het ware naar het verlossingsplan en verlossingswerk. Hij zegt: “Vader, Ik heb alles gedaan wat U Mij opgedragen hebt. Maak dit werk niet beschaamd – maak het verlossingswerk effectief voor allen die u aan Mij gegeven hebt.” Hierin worden zowel de Vader als de Zoon verheerlijkt. In feite bidt Christus hier dus voor zowel de verheerlijking van God als de verlossing van Zijn kinderen.
3. Christus’ definitie van het eeuwige leven (vers 3)
In vers 3 gaat Christus verder over het eeuwige leven. We lezen daar de definitie die Hij eraan geeft:
Een definitie die nóg meer is gericht op God en Christus, is er niet. Het eeuwige leven betekent dat wij God en Christus kennen. En dan niet in de zin van: “Ik heb ooit over Hem gehoord en weet vaag wie het is.” Het gaat hier over omgangskennis. Vriendschappelijke omgang. Degenen die door Christus verlost zijn, kennen Gods karakter. En dat niet uit een theorieboek, maar ook in de ervaring, in de praktijk. Gelovigen kunnen getuigen van Gods trouw, goedheid, zorg, bescherming, bewaring, genade en barmhartigheid.
Merk ook op hoezeer God en Christus met elkaar verbonden zijn. Sommige mensen zeggen: “Ik geloof wel in God, maar met Jezus heb ik niets.” Dit kan Bijbels gezien niet. Het is onmogelijk om in God te geloven zonder de lens die Christus heet, te willen hanteren voor het zicht op Hem. In welke god je dan ook zegt te geloven, het is niet de God van de Bijbel! Zeggen te geloven in Christus is één ding, Hem werkelijk in de ervaring kennen – gegrond op Zijn Woord en het getuigende werk van de Heilige Geest – is heel wat anders!
4. Christus’ volbrachte werk op aarde (vers 4)
Vers 4 lijkt op het eerste gezicht een vreemd vers. Wat bedoelt Christus daar precies? Hij zegt:
Het kan voor enige verwarring zorgen dat de Heere Jezus hier spreekt in de voltooid verleden tijd: “Ik heb het werk volbracht…” Maar Hij moet nog lijden, sterven en uiteindelijk opgewekt worden. Zijn werk zit er nog niet op. Hoe kan Hij dit hier dan zeggen?
Op grond van de context geloof ik dat Christus hier niet zozeer Zijn verzoenend lijden en sterven bedoelt, maar het openbaren van God de Vader.
De eerste reden is het vervolg van Christus’ gebed. Als we doorlezen in de verzen 6-8, ontdekken we dat Christus daar spreekt over het “openbaren van Gods Naam” door Zijn onderwijs. Ook lezen we over het geloof van de discipelen als reactie op deze openbaring.
De tweede reden sluit hier naadloos op aan, want door de woorden van vers 6-8 als sleutel te zien, kunnen we ook de plek van vers 4 ná vers 3 beter begrijpen. In vers 3 hebben we gelezen dat het eeuwige leven inhoudt dat gelovigen “U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.” En het openbaren van de Vader is nu gebeurd. Dát werk zit erop. Christus heeft Zijn taak om de Vader te openbaren, vervuld. En in het bekendmaken van de Vader wordt de Vader ook verheerlijkt. Want iedereen die in Christus God ziet en Hem in Christus door het geloof leert kennen, gaat met God leven en Hem verheerlijken. Christus is het Beeld van de Vader. Gods karakter is zichtbaar in Christus.
5. Christus’ heerlijkheid bij de Vader (vers 5)
Het openbaren, bekendmaken van de Vader is gebeurd. Christus heeft dit werk volbracht. En nu is het tijd dat God Zijn Zoon zal verheerlijken (vers 5):
We worden hier als het ware buiten de tijd geplaatst. Nog voordat God ook maar iets gemaakt had, bezat Zijn Zoon al de heerlijkheid bij Zijn Vader. We kunnen het ons maar moeilijk voorstellen. Het gaat ons besef van tijd vér te boven. Christus is tot ons gekomen, heeft de Vader geopenbaard en is uiteindelijk als glorieuze Koning van het heelal teruggekeerd naar de heerlijkheid waaruit Hij is gekomen. Dit gebed is verhoord. Toen Jezus Christus op de Olijfberg stond met Zijn discipelen, aan het zicht onttrokken werd, en Hij werd opgenomen in de hemel, is dit gebed vervuld. Hij is de heerlijkheid binnengegaan bij Zijn hemelse Vader. Hij is bij Zijn Vader, heerst daar als Heere der heren en Koning der koningen en heeft volledige macht om te verlossen “wie door Hem tot God gaan” (Hebreeën 7:25). Onze verheerlijkte Heere pleit voor Zijn volk. Hij heeft degenen verlost die God aan Hem toevertrouwd heeft. Hij zal hen volkomen, helemaal, perfect, volmaakt verlossen. Niet voor de helft, niet voor driekwart en ook niet voor negenennegentig procent – he-le-maal. Hoe weten wij dit zo zeker?
Omdat Christus Zijn taak op aarde volmaakt vervuld heeft. Hij heeft de Vader geopenbaard en Hij heeft met Zijn bloed allen gekocht, die door de Vader aan Hem gegeven zijn. Mocht je nog buiten staan en het eeuwige leven willen ontvangen, dan is hier de uitnodiging: deze volmaakte Verlosser en Koning is bereid je te ontvangen en om jou het leven met God en Hemzelf te schenken.
Als je twijfelt over de vraag of je wel mag komen, dan klinkt ook hier de oproep: ga tot Christus en laat je niet weerhouden door de leer van de uitverkiezing. De uitverkiezing is niet bedoeld als ontmoediging om tot Christus te gaan, maar juist als uitnodiging! Als je er zeker van wilt zijn dat jij uitverkoren bent, ga dan in het geloof tot de Heere Jezus!
Als je twijfelt over jouw volharding in het geloof, dan klinkt ook hier de uitnodiging: blijf tot Christus gaan, iedere dag opnieuw! Hij heeft Zijn volk – ieder individu – in Zijn hand. En Zijn handen lekken niet. De verlossing is verzegeld. Hij raakt nooit iemand kwijt die door de Vader aan Hem is toevertrouwd. En die verzegeling ligt niet in jou, die ligt in Hem. Want Hij, en Hij alleen, heeft volmaakt vervuld, wat de Vader van Hem heeft gevraagd. En daarom is Hij nu met eer en heerlijkheid gekroond!
Zijn lijden is aanstaande. Zijn gruwelijke marteldood staat voor de deur. Enkele momenten voordat Zijn lijdenweg begint, spreekt Jezus Christus met Zijn Vader in de hemel. Hij bidt. Voor… ja, voor wie eigenlijk?
We lezen het in Johannes 17 – het Hogepriesterlijk gebed. Christus bidt voor Zijn volk, maar ook voor Hemzelf! Eigenlijk is het gebed van Christus in Johannes 17 te omschrijven als het verzoek om bewaring van Gods volk tot eer en glorie van Gods Naam. Hoe dit alles precies zit, zullen we gaan ontdekken. In dit eerste deel staan we stil bij de eerste vijf verzen.
1. Christus’ blik naar de hemel (vers 1a)
We lezen als eerste dat Christus Zijn ogen opslaat naar de hemel:
“Dit sprak Jezus, en Hij sloeg Zijn ogen op naar de hemel en zei: Vader, het uur is gekomen…”
Christus is Zich bewust van Zijn lijdensweg. Hij weet wat Hem te wachten staat. Dit is hét moment waarvan al werd geprofeteerd door Jesaja. Christus is straks letterlijk de “lijdende Knecht van de Heere” (zie Jesaja 53).
Drie jaar lang heeft Hij opgetrokken met twaalf discipelen. Twaalf mannen, die de uitnodiging hebben aanvaard om Hem te volgen. Twaalf mannen, die met vallen en opstaan hebben geleerd Wie Christus is – al is het vanuit de directe context te betwijfelen of zij toen al werkelijk zo’n heerlijk zicht op Hem hadden als na Zijn opstanding. Zo vraagt Filippus bijvoorbeeld aan de Heere Jezus in Johannes 14:8 om de Vader te laten zien. Christus reageert daarop in vers 9 met een wedervraag:
“Ben ik zo’n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?”
Het moment van tijdelijk afscheid en lijden is gekomen. Wellicht snappen de discipelen ook op dit moment niet wat er allemaal gaande is. Maar Christus weet dat wel. En in die wetenschap, op de drempel van Zijn lijden en sterven richt Hij Zich tot Zijn Vader. Hij spreekt met Hem.
2. Christus’ verzoek om de verheerlijking van Hemzelf (vers 1b-2)
Zijn eerste verzoek is hoogst opmerkelijk:
“…verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijkt…”
Het eerste verzoek van Christus is… de verheerlijking van Christus! Vanwaar dit verzoek? Is Christus zo op Zichzelf gericht? Waarom is dit het eerste dat Hij zegt? Let op dat Hij dit niet lukraak zegt. Hij geeft er ook een motivatie bij: “opdat ook Uw Zoon U verheerlijkt…”Kortom: de verheerlijking van de Zoon betekent automatisch de verheerlijking van de Vader. God de Vader heeft er volgens Christus alle belang bij dat de Zoon wordt verheerlijkt. God is een Zichzelf verheerlijkend God. En dan haken wij af. We staan met onze oren te klapperen: “Ik dacht dat God er voor MIJ was! En Hij is er dus voor Zichzelf?!”
Veel mensen, ook veel binnen de kerk, hebben de gedachte dat God er primair is om het de mens naar zijn zin te maken. Ik wil gelukkig worden, en God moet mij daarbij helpen. Ik wil mijn dromen najagen, en God moet deze laten uitkomen. Ik voel mij minderwaardig, en God moet mij laten ervaren dat ik waardevol en kostbaar ben.
Het eerste verzoek van Christus aan Zijn Vader in Johannes 17 sluit niet bepaald aan op deze wensen. Het gaat recht tegen ons natuurlijke verlangen in – en ook ons natuurlijke Godsbeeld. God is er niet primair voor jou (let op dat woordje primair, dat is belangrijk), maar voor Hemzelf. Hij geeft om Zijn schepping, Hij neemt Zijn schepping serieus en zorgt daar met liefde voor. Maar Zijn drijvende motivatie, Zijn verlangen is de verheerlijking van Zijn Naam. Dit kan echter een cliché worden, waarbij het mantra van Gods verlangen naar de verheerlijking van Zijn Naam blijft klinken, zonder te weten hoe dit precies werkt. We zullen moeten weten waarin Gods Naam verheerlijkt wordt – en in de context van het Hogepriesterlijk gebed zullen we ook moeten ontdekken wat de rol van Christus als Gods Zoon in dit geheel is. Vers 2 geeft ons concreet inzicht:
“…zoals U Hem macht hebt gegeven over alle vlees, opdat Hij eeuwig leven geeft aan allen die U Hem gegeven hebt.”
We krijgen hier een unieke inkijk in de samenwerking tussen God de Vader en God de Zoon. God de Vader heeft macht, autoriteit gegeven aan Zijn Zoon.
Waarover?
Over een groep mensen.
Waarom?
Om hen het eeuwige leven te geven.
God heeft een specifieke groep mensen in Zijn macht gegeven, om aan hen het eeuwige leven te geven. Let op hoe alomvattend dit klinkt: Christus zegt niet “zoals U Hem macht hebt gegeven over alle vlees, opdat Hij eeuwig leven geeft aan sommigen, die tot geloof zullen komen.” Christus spreekt hier anders. Hij spreekt hier over uitverkiezing. En Hij spreekt hier over een volledige groep mensen. Deze woorden impliceren dat de groep verlosten volledig is.
Hoe een gezonde calvinist kan zwemmen tussen de oevers van het Arminianisme en hyper-calvinisme
Ik ontkom er niet aan om hier de woorden Calvinisme en Arminianisme te benoemen. Want hoe kan een “gezonde” calvinist gezond blijven en niet vervallen tot hyper-calvinisme? De reden dat ik op het punt van uitverkiezing een calvinist ben, is onder andere gegrond op dit vers. Het Arminiaanse standpunt kán mijns inziens niet in stand gehouden worden. De Arminiaanse theologie stelt dat Christus is gestorven voor alle mensen en dat het uiteindelijk aan de mens zelf is om door het geloof verlossing te ontvangen. Niet voor niets verdedigt het Arminianisme de leer van de vrije wil en het kunnen tegenstaan van Gods genade in Christus. Ik moet als mens zelf de “keuze maken” om in Christus te geloven. Die macht, die wil ligt in mij. Het uiteindelijke aantal verlosten ligt dus niet zozeer in Gods hand, maar in de mens die moet gaan geloven. Christus stierf om iedereen te kunnen verlossen. Tegelijkertijd leert de Bijbel ons – en Arminianen stemmen hiermee in – dat niet iedereen verlost zal worden. De vraag is nu: is het verlossingswerk van Christus hiermee mislukt? Heeft het gefaald? Want als Hij komt om iedereen te verlossen, dan is elke ziel die verloren gaat een smet op dat verlossingswerk. Het is – hoe je het ook wend of keert – een soort mislukking. Hoe moeten we dit zien?
Het antwoord op deze vraag maakt mij tot een calvinist. Ik weiger te geloven dat het verlossingswerk van Christus onvolmaakt en (deels) mislukt is. Maar ja – dan kom je bij die moeilijke vraag: heeft God dan ook mensen voorbestemd om verloren te gaan? Het antwoord luidt: daar zwijgt de Bijbel over. We weten alleen – en laten we het daarbij houden – dat God mensen heeft uitverkoren tot het eeuwige leven. Hyper-calvinisten gaan zover dat zij stellen: “Wij weten niet wie er uitverkoren is en daarom mogen wij niet iedereen oproepen tot geloof in en bekering tot Jezus Christus.” Zie hier maar eens als een “gezonde calvinist” tussendoor te zwemmen! Hoe kan ik ervoor zorgen dat ik Bijbels spreek over de uitverkiezing, zonder te suggereren dat Christus’ verlossingswerk deels mislukt is? En hoe kan ik ervoor zorgen dat ik geen hyper-calvinist word, die geen uitnodiging tot Christus doet? Het enige antwoord ligt volgens mij exact in vers 2.
Christus zegt daar dat God Hem macht heeft gegeven over alle vlees, om aan hen het eeuwige leven te geven. Dit kan nooit betrekking hebben op alle mensen, maar alleen op de uitverkorenen, omdat de Heere Jezus in vers 2b stelt dat Hij al deze mensen het eeuwige leven geeft. Dit is mijn antwoord op de Arminiaanse theologie: Christus’ verlossingswerk faalt niet! Ook al gaan er mensen verloren, Zijn verlossingswerk faalt niet. Waarom niet? Omdat Hij van Zijn Vader die macht en autoriteit heeft gekregen om hen te verzoenen met God, hen te kopen met Zijn eigen bloed én om hen tot in eeuwigheid te bewaren. Hij heeft Gods macht en autoriteit ontvangen om dit te doen voor deze specifieke groep mensen. En hierin faalt Christus niet.
Moeten we dan hyper-calvinisten worden? Absoluut niet! Want het is juist door de oproep van het Evangelie dat mensen tot geloof komen en verlost worden. En hoe kunnen mensen tot geloof komen als zij geen uitnodiging krijgen? De uitverkiezing moet vooral als pastorale troost worden benaderd, en niet als star theologisch dogma. Dat klinkt lichtelijk ironisch na een uitgebreide uitzetting over verschillende standpunten, dat geef ik toe. Het is belangrijk om te weten waarom je denkt wat je denkt en soms is het ook goed om verschillende standpunten te evalueren. Maar houd ook altijd in alles de pastorale uitwerking in de gaten. En vergeet niet dat Christus in het Hogepriesterlijk gebed ontzettend pastoraal is! Hij geeft bemoediging, troost en uitzicht aan Zijn kinderen!
Wat is de verheerlijking van de Vader en de Zoon?
Nu moeten we de vraag beantwoorden wat dit alles bijdraagt aan de verheerlijking van God de Vader en de Zoon. Christus legt immers Zijn volbrachte verlossingswerk – wat dat is, gaan we later zien – als grond onder Zijn verzoek van vers 1. Dit is ook meteen het antwoord. De verheerlijking van God vindt zijn hoogtepunt, wordt het meest zichtbaar in het verlossingswerk van Jezus Christus. Waarom kan Christus dit als grond onder Zijn verzoek leggen? Omdat Hij de wil van de Vader volmaakt heeft gedaan! Hij heeft allen, die door de Vader aan Hem gegeven zijn, het eeuwige leven gegeven en hen bewaard. Zijn missie is volmaakt vervuld. Dit is de reden dat God dit gebed van Zijn Zoon kan verhoren. Daarom kan de Vader de Zoon verheerlijken. Christus wijst hier als het ware naar het verlossingsplan en verlossingswerk. Hij zegt: “Vader, Ik heb alles gedaan wat U Mij opgedragen hebt. Maak dit werk niet beschaamd – maak het verlossingswerk effectief voor allen die u aan Mij gegeven hebt.” Hierin worden zowel de Vader als de Zoon verheerlijkt. In feite bidt Christus hier dus voor zowel de verheerlijking van God als de verlossing van Zijn kinderen.
3. Christus’ definitie van het eeuwige leven (vers 3)
In vers 3 gaat Christus verder over het eeuwige leven. We lezen daar de definitie die Hij eraan geeft:
“En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.”
Een definitie die nóg meer is gericht op God en Christus, is er niet. Het eeuwige leven betekent dat wij God en Christus kennen. En dan niet in de zin van: “Ik heb ooit over Hem gehoord en weet vaag wie het is.” Het gaat hier over omgangskennis. Vriendschappelijke omgang. Degenen die door Christus verlost zijn, kennen Gods karakter. En dat niet uit een theorieboek, maar ook in de ervaring, in de praktijk. Gelovigen kunnen getuigen van Gods trouw, goedheid, zorg, bescherming, bewaring, genade en barmhartigheid.
Merk ook op hoezeer God en Christus met elkaar verbonden zijn. Sommige mensen zeggen: “Ik geloof wel in God, maar met Jezus heb ik niets.” Dit kan Bijbels gezien niet. Het is onmogelijk om in God te geloven zonder de lens die Christus heet, te willen hanteren voor het zicht op Hem. In welke god je dan ook zegt te geloven, het is niet de God van de Bijbel! Zeggen te geloven in Christus is één ding, Hem werkelijk in de ervaring kennen – gegrond op Zijn Woord en het getuigende werk van de Heilige Geest – is heel wat anders!
4. Christus’ volbrachte werk op aarde (vers 4)
Vers 4 lijkt op het eerste gezicht een vreemd vers. Wat bedoelt Christus daar precies? Hij zegt:
“Ik heb U verheerlijkt op de aarde. Ik heb het werk volbracht dat U Mij gegeven hebt om te doen.”
Het kan voor enige verwarring zorgen dat de Heere Jezus hier spreekt in de voltooid verleden tijd: “Ik heb het werk volbracht…” Maar Hij moet nog lijden, sterven en uiteindelijk opgewekt worden. Zijn werk zit er nog niet op. Hoe kan Hij dit hier dan zeggen?
Op grond van de context geloof ik dat Christus hier niet zozeer Zijn verzoenend lijden en sterven bedoelt, maar het openbaren van God de Vader.
De eerste reden is het vervolg van Christus’ gebed. Als we doorlezen in de verzen 6-8, ontdekken we dat Christus daar spreekt over het “openbaren van Gods Naam” door Zijn onderwijs. Ook lezen we over het geloof van de discipelen als reactie op deze openbaring.
De tweede reden sluit hier naadloos op aan, want door de woorden van vers 6-8 als sleutel te zien, kunnen we ook de plek van vers 4 ná vers 3 beter begrijpen. In vers 3 hebben we gelezen dat het eeuwige leven inhoudt dat gelovigen “U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.” En het openbaren van de Vader is nu gebeurd. Dát werk zit erop. Christus heeft Zijn taak om de Vader te openbaren, vervuld. En in het bekendmaken van de Vader wordt de Vader ook verheerlijkt. Want iedereen die in Christus God ziet en Hem in Christus door het geloof leert kennen, gaat met God leven en Hem verheerlijken. Christus is het Beeld van de Vader. Gods karakter is zichtbaar in Christus.
5. Christus’ heerlijkheid bij de Vader (vers 5)
Het openbaren, bekendmaken van de Vader is gebeurd. Christus heeft dit werk volbracht. En nu is het tijd dat God Zijn Zoon zal verheerlijken (vers 5):
“En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat de wereld er was.”
We worden hier als het ware buiten de tijd geplaatst. Nog voordat God ook maar iets gemaakt had, bezat Zijn Zoon al de heerlijkheid bij Zijn Vader. We kunnen het ons maar moeilijk voorstellen. Het gaat ons besef van tijd vér te boven. Christus is tot ons gekomen, heeft de Vader geopenbaard en is uiteindelijk als glorieuze Koning van het heelal teruggekeerd naar de heerlijkheid waaruit Hij is gekomen. Dit gebed is verhoord. Toen Jezus Christus op de Olijfberg stond met Zijn discipelen, aan het zicht onttrokken werd, en Hij werd opgenomen in de hemel, is dit gebed vervuld. Hij is de heerlijkheid binnengegaan bij Zijn hemelse Vader. Hij is bij Zijn Vader, heerst daar als Heere der heren en Koning der koningen en heeft volledige macht om te verlossen “wie door Hem tot God gaan” (Hebreeën 7:25). Onze verheerlijkte Heere pleit voor Zijn volk. Hij heeft degenen verlost die God aan Hem toevertrouwd heeft. Hij zal hen volkomen, helemaal, perfect, volmaakt verlossen. Niet voor de helft, niet voor driekwart en ook niet voor negenennegentig procent – he-le-maal. Hoe weten wij dit zo zeker?
Omdat Christus Zijn taak op aarde volmaakt vervuld heeft. Hij heeft de Vader geopenbaard en Hij heeft met Zijn bloed allen gekocht, die door de Vader aan Hem gegeven zijn. Mocht je nog buiten staan en het eeuwige leven willen ontvangen, dan is hier de uitnodiging: deze volmaakte Verlosser en Koning is bereid je te ontvangen en om jou het leven met God en Hemzelf te schenken.
Als je twijfelt over de vraag of je wel mag komen, dan klinkt ook hier de oproep: ga tot Christus en laat je niet weerhouden door de leer van de uitverkiezing. De uitverkiezing is niet bedoeld als ontmoediging om tot Christus te gaan, maar juist als uitnodiging! Als je er zeker van wilt zijn dat jij uitverkoren bent, ga dan in het geloof tot de Heere Jezus!
Als je twijfelt over jouw volharding in het geloof, dan klinkt ook hier de uitnodiging: blijf tot Christus gaan, iedere dag opnieuw! Hij heeft Zijn volk – ieder individu – in Zijn hand. En Zijn handen lekken niet. De verlossing is verzegeld. Hij raakt nooit iemand kwijt die door de Vader aan Hem is toevertrouwd. En die verzegeling ligt niet in jou, die ligt in Hem. Want Hij, en Hij alleen, heeft volmaakt vervuld, wat de Vader van Hem heeft gevraagd. En daarom is Hij nu met eer en heerlijkheid gekroond!
dinsdag 21 februari 2017
Ontmoeting met de Levende Christus
In Johannes 1:35-42 lezen we de ontmoeting die Andreas, met nog een andere persoon, met de Heere Jezus heeft. Ze zijn achter Christus aangegaan op grond van het getuigenis van Johannes de Doper (vers 36). De ontmoeting die vervolgens plaatsvindt, herinnert mij aan mijn eigen bekering in 2012, maar doet bij mij ook alarmbellen rinkelen.
De Messias zoeken
Je ziet aan het begin van het Johannesevangelie een prachtige ontwikkeling in het getuigenis van Johannes de Doper. In eerste instantie is hij nogal vaag over zijn identiteit (vers 19-28), maar gaandeweg wordt duidelijker dat hij wijst op de Heere Jezus, “het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt” (vers 29-34). Als hij dit getuigenis heeft laten klinken, zien we de lens van Johannes’ pen van Johannes de Doper naar Jezus gaan. Hiermee verdwijnt Johannes de Doper als het ware weer naar de achtergrond, in de anonimiteit – precies zoals hij later zou zeggen (Johannes 3:30).
Andreas en zijn metgezel zijn getroffen door Johannes’ getuigenis en gaan achter Jezus aan. Die stelt vervolgens deze vraag (Johannes 1: 39): “Wat zoekt u?”
Heerlijk, die open vragen! Hij zegt niet: “Jullie komen zeker voor Mij?” Hij zegt ook niet: “Ah! Eindelijk volgelingen!” In plaats daarvan legt Hij deze vraag op tafel:
Wat zoek je? Waarom zou je achter de Heere Jezus aangaan? Het antwoord van de twee “achtervolgers” draait uiteindelijk om de Heere Jezus Zelf. Ze willen Hem ontmoeten. Jezus neemt hen mee naar de plek waar Hij verblijft.
De Messias vinden
Er staat in vers 40 dat de twee mannen die dag bij Christus bleven. Wat zullen ze gezien hebben? Wat zullen ze gehoord hebben? Het is een behoorlijke tijd om een aantal uren te verblijven bij de Messias! En toch lijkt het mij ook dat de tijd veel te kort is geweest. De uitkomst van de ontmoeting lezen we in ieder geval wel (vers 42), als Andreas tegen zijn broer Petrus zegt: “Wij hebben de Messias gevonden.” Wat mij betreft mag achter deze zin wel een uitroepteken worden gezet. Andreas gaat naar zijn broer Simon en zegt (na een urenlange ontmoeting): “Wij hebben de Messias gevonden!”
De efficiëntiesamenleving versus de kerk
Ik vind dit een prachtige geschiedenis. Ik moet terugdenken aan het moment dat God mij op een diepte bracht, waarin ik uiteindelijk om Hem alleen kon vragen. Niet iets van Hem, maar Hijzelf. Ik herinner mij de zoete momenten van lezen en overdenken, worstelen, zelfonderzoek en heb daarin de zegen van ontmoetingen met de Levende Christus mogen ervaren. Ik heb geleerd dat “tot geloof komen” niet zomaar een kwestie van een paar minuten is. En hier kom ik op een gevoelig punt vandaag de dag. Laat ik er direct bij zeggen dat ik niet verwacht dat iedereen tot geloof komt zoals ik. Maar één opvallende parallel tussen dit gedeelte en mijn eigen geschiedenis zie ik heel duidelijk: de Messias vinden kan alleen wanneer je Hem oprecht zoekt en Hem echt ontmoet.
En over dat laatste maak ik mij zorgen. We leven in een efficiëntiesamenleving waarin alles zo snel en goed mogelijk moet. Zo snel mogelijk een goed resultaat. Maar in al die gejaagdheid hebben we nauwelijks nog oog voor anderen. En het lijkt erop alsof dit efficiëntievirus de kerk in zijn greep lijkt te hebben. Er wordt nog maar weinig geïnvesteerd in mensen, of in het geloofsleven van mensen en toch nemen we zonder meer aan dat zij geloven in de Heere Jezus. Waarom? Nou, gewoon, omdat zij trouw in de kerk zitten en altijd instemmen met de prediking en omdat ze ook wel gelovige taal hanteren. We hopen met zijn allen dat iedereen, die in het kerkgebouw aanwezig is, een kind van God is, en daarbij lijkt het wel alsof het een kleine stap is die je neemt om daar uiteindelijk op uit te komen. Wij lijken te denken dat mensen tot geloof komen als zij zo efficiënt en kort mogelijk het Evangelie horen en met een bepaalde handeling hun geloof kunnen uitdrukken. Maar de ontmoeting lijkt steeds meer te worden verdrongen voor die efficiëntie. En dan zien we tot onze grote schrik dat bepaalde mensen afvallen van het geloof – mensen waarvan we altijd hadden gedacht dat ze de Messias hebben ontmoet. We schrikken. We weten niet goed hoe wij hierop moeten reageren. Hoe is dit mogelijk? We proberen het efficiëntiedenken vol te houden en bedenken dat diegene ooit een keer zijn geloof in Jezus heeft uitgesproken. Maar ondertussen steken er wel een paar vragen. Hele grote vragen…
Simon de tovenaar
In Handelingen 8 lezen we van een soortgelijke situatie. We lezen van een magiër, Simon. Simon is echt zo’n “efficiëntiedenker”. We lezen van hem dat hij toverij bedreef (vers 9) en dat hij op een bepaald moment zelfs gelooft en zich laat dopen (vers 13). Alles goed en wel zou je denken. Maar in vers 18 en 19 komt de aap uit de mouw:
Hier is sprake van een gevalletje omkoping binnen de Vroege Kerk! Wat moet hier van gezegd worden? We laten Petrus aan het woord, die in vers 20-23 als volgt reageert:
We lezen hier helemaal geen sussende woorden van Petrus aan het adres van Simon. Geen woord over zijn geloof. Geen woord over zijn doop. Geen woord over zijn zogenaamde geloof in Jezus Christus. Helemaal niets. Er is totaal geen sussende terugblik naar de gebeurtenissen in vers 13. Dat alles lijkt wel vergeten. Het is niet vergeten door Petrus, maar hij realiseert zich dat dat geloof en die doop in het licht van Simons laatste handeling niet veel zegt. Een ernstige oproep tot bekering is dan ook helemaal op zijn plaats.
Efficiëntie versus ontmoeting
We zien in de geschiedenis van Handelingen 8 dat we mensen veel te snel kunnen beschouwen als gelovigen en hen zodoende ook al snel dopen. Het is – gezien het feit dat dit in Handelingen opgetekend staat – niet altijd mogelijk om dit soort situaties te voorkomen, maar ik zie wel een grote waarschuwing voor de kerk: zweer al het efficiëntiedenken af! Wij hebben de druk van de maatschappij binnen laten komen; kerkdiensten mogen niet al te lang duren (laat staan de preek) en wegens gebrek aan tijd behandelen we alleen de echte noodgevallen. En wanneer iemand iets belijdt, rekenen we diegene al snel tot een gelovige.
Laten we als kerk terugkeren naar de werkelijke ontmoeting, zoals Andreas en zijn kompaan die hadden. Laten we Christus Zelf zoeken en gevoed worden door wat Hij ons te zeggen heeft. Het kan niet anders, of we zullen – net als Andreas – vol enthousiasme getuigen van de Messias. We hebben een kostbare Schat gevonden, van eeuwigheidswaarde. Een Schat die niet te overtreffen is. Laten we Die Schat ontmoeten, erdoor veranderd worden en getuigen van de schoonheid die Hij bezit. En als we dit gaan doen, dan mag de ontmoeting wat ons betreft wel uren, dagen, weken, maanden, jaren, ja de eeuwigheid duren!
De Messias zoeken
Je ziet aan het begin van het Johannesevangelie een prachtige ontwikkeling in het getuigenis van Johannes de Doper. In eerste instantie is hij nogal vaag over zijn identiteit (vers 19-28), maar gaandeweg wordt duidelijker dat hij wijst op de Heere Jezus, “het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt” (vers 29-34). Als hij dit getuigenis heeft laten klinken, zien we de lens van Johannes’ pen van Johannes de Doper naar Jezus gaan. Hiermee verdwijnt Johannes de Doper als het ware weer naar de achtergrond, in de anonimiteit – precies zoals hij later zou zeggen (Johannes 3:30).
Andreas en zijn metgezel zijn getroffen door Johannes’ getuigenis en gaan achter Jezus aan. Die stelt vervolgens deze vraag (Johannes 1: 39): “Wat zoekt u?”
Heerlijk, die open vragen! Hij zegt niet: “Jullie komen zeker voor Mij?” Hij zegt ook niet: “Ah! Eindelijk volgelingen!” In plaats daarvan legt Hij deze vraag op tafel:
“Wat zoek je?”
Wat zoek je? Waarom zou je achter de Heere Jezus aangaan? Het antwoord van de twee “achtervolgers” draait uiteindelijk om de Heere Jezus Zelf. Ze willen Hem ontmoeten. Jezus neemt hen mee naar de plek waar Hij verblijft.
De Messias vinden
Er staat in vers 40 dat de twee mannen die dag bij Christus bleven. Wat zullen ze gezien hebben? Wat zullen ze gehoord hebben? Het is een behoorlijke tijd om een aantal uren te verblijven bij de Messias! En toch lijkt het mij ook dat de tijd veel te kort is geweest. De uitkomst van de ontmoeting lezen we in ieder geval wel (vers 42), als Andreas tegen zijn broer Petrus zegt: “Wij hebben de Messias gevonden.” Wat mij betreft mag achter deze zin wel een uitroepteken worden gezet. Andreas gaat naar zijn broer Simon en zegt (na een urenlange ontmoeting): “Wij hebben de Messias gevonden!”
De efficiëntiesamenleving versus de kerk
Ik vind dit een prachtige geschiedenis. Ik moet terugdenken aan het moment dat God mij op een diepte bracht, waarin ik uiteindelijk om Hem alleen kon vragen. Niet iets van Hem, maar Hijzelf. Ik herinner mij de zoete momenten van lezen en overdenken, worstelen, zelfonderzoek en heb daarin de zegen van ontmoetingen met de Levende Christus mogen ervaren. Ik heb geleerd dat “tot geloof komen” niet zomaar een kwestie van een paar minuten is. En hier kom ik op een gevoelig punt vandaag de dag. Laat ik er direct bij zeggen dat ik niet verwacht dat iedereen tot geloof komt zoals ik. Maar één opvallende parallel tussen dit gedeelte en mijn eigen geschiedenis zie ik heel duidelijk: de Messias vinden kan alleen wanneer je Hem oprecht zoekt en Hem echt ontmoet.
En over dat laatste maak ik mij zorgen. We leven in een efficiëntiesamenleving waarin alles zo snel en goed mogelijk moet. Zo snel mogelijk een goed resultaat. Maar in al die gejaagdheid hebben we nauwelijks nog oog voor anderen. En het lijkt erop alsof dit efficiëntievirus de kerk in zijn greep lijkt te hebben. Er wordt nog maar weinig geïnvesteerd in mensen, of in het geloofsleven van mensen en toch nemen we zonder meer aan dat zij geloven in de Heere Jezus. Waarom? Nou, gewoon, omdat zij trouw in de kerk zitten en altijd instemmen met de prediking en omdat ze ook wel gelovige taal hanteren. We hopen met zijn allen dat iedereen, die in het kerkgebouw aanwezig is, een kind van God is, en daarbij lijkt het wel alsof het een kleine stap is die je neemt om daar uiteindelijk op uit te komen. Wij lijken te denken dat mensen tot geloof komen als zij zo efficiënt en kort mogelijk het Evangelie horen en met een bepaalde handeling hun geloof kunnen uitdrukken. Maar de ontmoeting lijkt steeds meer te worden verdrongen voor die efficiëntie. En dan zien we tot onze grote schrik dat bepaalde mensen afvallen van het geloof – mensen waarvan we altijd hadden gedacht dat ze de Messias hebben ontmoet. We schrikken. We weten niet goed hoe wij hierop moeten reageren. Hoe is dit mogelijk? We proberen het efficiëntiedenken vol te houden en bedenken dat diegene ooit een keer zijn geloof in Jezus heeft uitgesproken. Maar ondertussen steken er wel een paar vragen. Hele grote vragen…
Simon de tovenaar
In Handelingen 8 lezen we van een soortgelijke situatie. We lezen van een magiër, Simon. Simon is echt zo’n “efficiëntiedenker”. We lezen van hem dat hij toverij bedreef (vers 9) en dat hij op een bepaald moment zelfs gelooft en zich laat dopen (vers 13). Alles goed en wel zou je denken. Maar in vers 18 en 19 komt de aap uit de mouw:
“En toen Simon zag dat de Heilige Geest gegeven werd door middel van de handoplegging van de apostelen, bood hij hun geld aan, en zei: Geef mij ook deze macht, opdat eenieder wie ik de handen opleg, de Heilige Geest ontvangt.”
Hier is sprake van een gevalletje omkoping binnen de Vroege Kerk! Wat moet hier van gezegd worden? We laten Petrus aan het woord, die in vers 20-23 als volgt reageert:
“Maar Petrus zei tegen hem: Laat uw geld met u naar het verderf gaan, omdat u dacht dat Gods gave door geld verkregen wordt! U hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet oprecht voor God. Bekeer u dan van deze slechtheid van u en bid God of deze gedachte van uw hart misschien vergeven wordt. Want ik zie dat u zo bitter als gal bent en een kluwen ongerechtigheid.”
We lezen hier helemaal geen sussende woorden van Petrus aan het adres van Simon. Geen woord over zijn geloof. Geen woord over zijn doop. Geen woord over zijn zogenaamde geloof in Jezus Christus. Helemaal niets. Er is totaal geen sussende terugblik naar de gebeurtenissen in vers 13. Dat alles lijkt wel vergeten. Het is niet vergeten door Petrus, maar hij realiseert zich dat dat geloof en die doop in het licht van Simons laatste handeling niet veel zegt. Een ernstige oproep tot bekering is dan ook helemaal op zijn plaats.
Efficiëntie versus ontmoeting
We zien in de geschiedenis van Handelingen 8 dat we mensen veel te snel kunnen beschouwen als gelovigen en hen zodoende ook al snel dopen. Het is – gezien het feit dat dit in Handelingen opgetekend staat – niet altijd mogelijk om dit soort situaties te voorkomen, maar ik zie wel een grote waarschuwing voor de kerk: zweer al het efficiëntiedenken af! Wij hebben de druk van de maatschappij binnen laten komen; kerkdiensten mogen niet al te lang duren (laat staan de preek) en wegens gebrek aan tijd behandelen we alleen de echte noodgevallen. En wanneer iemand iets belijdt, rekenen we diegene al snel tot een gelovige.
Laten we als kerk terugkeren naar de werkelijke ontmoeting, zoals Andreas en zijn kompaan die hadden. Laten we Christus Zelf zoeken en gevoed worden door wat Hij ons te zeggen heeft. Het kan niet anders, of we zullen – net als Andreas – vol enthousiasme getuigen van de Messias. We hebben een kostbare Schat gevonden, van eeuwigheidswaarde. Een Schat die niet te overtreffen is. Laten we Die Schat ontmoeten, erdoor veranderd worden en getuigen van de schoonheid die Hij bezit. En als we dit gaan doen, dan mag de ontmoeting wat ons betreft wel uren, dagen, weken, maanden, jaren, ja de eeuwigheid duren!
Labels:
discipelschap,
eeuwigheid,
Jezus Christus,
Kerk,
Oproep,
zonde,
Zoon van God
woensdag 1 februari 2017
Geestvervulde toewijding
“Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde terug van de Jordaan en werd door de Geest naar de woestijn geleid, waar Hij veertig dagen verzocht werd door de duivel. En Hij at niets in die dagen en ten slotte, toen die voorbij waren, kreeg Hij honger. En de duivel zei tegen Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan tegen deze steen dat hij brood wordt. Maar Jezus antwoordde hem: Er staat geschreven dat de mens van brood alleen niet zal leven, maar van elk woord van God. En daarna bracht de duivel Hem op een hoge berg en liet Hem in een ogenblik tijd al de koninkrijken van de wereld zien. En de duivel zei tegen Hem: Ik zal U al deze macht en de heerlijkheid van deze koninkrijken geven, want die is aan mij overgegeven en ik geef die aan wie ik maar wil; dus, als U mij zult aanbidden, zal het allemaal van U zijn. Maar Jezus antwoordde en zei tegen hem: Ga weg van Mij, satan, want er staat geschreven: U zult de Heere, uw God, aanbidden en Hem alleen dienen. En hij bracht Hem naar Jeruzalem en zette Hem op het hoogste gedeelte van de tempel, en hij zei tegen Hem: Als U de Zoon van God bent, werp U dan vanhier naar beneden, want er staat er staat geschreven dat Hij Zijn engelen voor U bevel zal geven om U te bewaren, en dat zij U op de handen dragen zullen, opdat U Uw voet niet misschien aan een steen stoot. Maar Jezus antwoordde en zei tegen hem: Er is gezegd: U zult de Heere, uw God, niet verzoeken. En toen de duivel elke verzoeking beëindigd had, verliet hij Hem tot een bepaalde tijd.
(Lucas 4:1-13)
Wat is verzoeking? En hoe kunnen wij de verzoeking weerstaan? Die vraag wordt vaak gesteld. Hoe kun je nu als christen actief weerstand bieden aan de zonde en de listen van de duivel?
Veelal wordt de verzoeking van de Heere Jezus erbij gehaald, zoals hierboven beschreven is. We gaan onmiddellijk kijken naar Zijn manier van spreken en handelen en denken dan dat wij dit één op één moeten overnemen. En één van de dingen die je steeds hoort is het volgende: “Weersta de duivel met het Woord! Jezus deed het ook!”
Toch is dit té gemakkelijk. En dat wil ik uitleggen aan de hand van de bredere context.
Christus, vol van de Heilige Geest
We lezen in Lucas 2 over de twaalfjarige Jezus in de tempel. Deze twaalfjarige Jongen doet de Schriftgeleerden versteld staan. Wat een vragen stelt Hij! En wat een wijsheid straalt Hij uit! En bovendien: wat een toewijding! Een twaalfjarige Jongen Die het waagt om in Jeruzalem te blijven, terwijl Zijn ouders alweer op de weg terug naar huis waren. Lucas eindigt dit verslag met de woorden dat “Jezus toenam in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen.” Met andere woorden, Zijn wijsheid werd alleen maar sterker en meer zichtbaar. En dit resulteerde in sympathie van Zijn omgeving.
Na een tussenstuk, hoofdstuk 3:1-20, waar Lucas de bediening van Johannes de Doper beschrijft, volgt het verslag van Jezus’ doop. En daar gebeurt iets bijzonders. Want we lezen in vers 22 dat de hemel geopend werd “en dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante als een duif. En er kwam een stem uit de hemel die zei: U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!”
Vervolgens lezen we ná het verslag van Jezus’ doop Zijn geslachtsregister, Zijn afkomst. Lucas wil de lezer laten zien dat Jezus werkelijk de Zoon van God is. Waarschijnlijk plaatst hij daarom het geslachtsregister niet helemaal aan het begin van zijn Evangelie, maar na Gods bevestiging bij de doop. Zo bezien is het een logische overgang. En dan moet je eens letten op het gedeelte erna. Hoe begint dat? Hoofdstuk 3 eindigt met de woorden: “de zoon van God.” En wat lezen we in hoofdstuk 4:3?
“En de duivel zei tegen Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan tegen deze steen dat hij brood wordt.”
Lucas is nadrukkelijk bezig om Jezus als Zoon van God te portretteren. Jezus is net publiekelijk door God voorgesteld als Zijn geliefde Zoon en daar komt satan om de hoek.
Het bijzondere aan dit verhaal is dat Jezus door de Geest geleid wordt om naar de woestijn te gaan voor deze verzoeking.
Christus, Gods toegewijde Zoon
Wat is nu de gedachte achter deze verzoeking? In totaal lezen we van drie verschillende verzoekingen. Ik zou ze willen onderverdelen in de volgende categorieën:
1. Ten koste van alles willen voorzien in dagelijkse behoeften (vers 3)
2. Leven voor de macht en eer van deze wereld (vers 6 en 7)
3. Foutief Bijbelgebruik of geestelijke manipulatie (vers 9-11)
Wij hebben vaak de neiging te denken dat we naar onze Bijbel moeten grijpen op het moment dat wij verzocht worden. Maar dat is niet waar. Als je het op deze manier aanpakt, ben je te laat. Laten we vooral de voorgaande gedeelten niet vergeten. Jezus bezat al vroeg buitengewone wijsheid en was al op jonge leeftijd toegewijd aan de zaak van Zijn Vader. Hypothetisch gezien was de verzoeking anders afgelopen wanneer het Christus aan deze toewijding ontbrak. En nog een belangrijk element mag niet over het hoofd worden gezien: Hij is vol van de Heilige Geest. Kortweg: satan had geen schijn van kans tegen Gods eigen geliefde en toegewijde Zoon. Dat zie je ook terug in alle antwoorden die de Heere Jezus geeft. In vers 4 zegt Hij: “Er staat geschreven dat de mens van brood alleen niet zal leven, maar van elk woord van God.”
In vers 8 zegt Hij: “Ga weg van Mij, satan, want er staat geschreven: U zult de Heere, uw God, aanbidden en Hem alleen dienen.” En tenslotte, in vers 12, luidt Zijn antwoord: “Er is gezegd: U zult de Heere, uw God, niet verzoeken.”
Wij moeten ons op dit punt niet vergissen: Christus is al ver voor deze verzoeking toegewijd aan God! Het is veel te goedkoop om te beweren dat we gewoon even wat Bijbelteksten moeten proclameren om verzoekingen te weerstaan. “Worstel je met hebzucht? Vind je het moeilijk om de waarheid te vertellen? Ik heb hier nog wel een tekst voor je.” Zo werkt het niet. Er komt iets anders essentieels bij: Geestvervulde toewijding. Jezus is hier het volmaakte Voorbeeld van.
Christus, het Evangelie
Leuk, zal iemand nu zeggen, maar wat betekent dit alles voor ons? Wat moeten christenen met deze geschiedenis? Als Gods Woord proclameren alleen niet genoeg is, wat dan?
Allereerst is het belangrijk om als christen goed te beseffen wie je bent. Wat is jouw positie? En hier wordt de Heere Jezus als Evangelie prachtig zichtbaar! Hij is ons voorgegaan, óók in de verzoekingen. Hij heeft exact hetzelfde ondervonden als wij. Met een cruciaal verschil: Hij heeft nooit gezondigd. Hij is volmaakt, perfect en heilig. Hij gaf Zijn leven vrijwillig als offer voor onze zonde. Gods toorn over onze zonde is op Christus gelegd en als wij in geloof tot Jezus gaan, worden wij op dat moment bekleed met Zijn gerechtigheid. God ziet ons dan niet meer, maar Christus in ons. We zijn rechtvaardig verklaard. Als jij in de Heere Jezus gelooft, is dit jouw positie. Dit is het Evangelie! Je mag de Heere Jezus danken dat Hij deze verzoekingen heeft weerstaan en de satan heeft overwonnen. Nu mag jij delen in Zijn overwinning. Al deze geweldige Bijbelse waarheden vallen jou ten deel, enkel en alleen op grond van Christus’ verdiensten aan het kruis!
Praktisch geeft dit gedeelte minimaal drie aanwijzingen om mee aan de slag te gaan:
1. Wees je bewust van jouw door God gegeven, hemelse positie
Allereerst is het belangrijk nogmaals te benadrukken dat je weet wat Jezus wist: wie je bent. God heeft jou als christen een positie in de hemel gegeven. Door het geloof in Christus ben jij rechtvaardig voor God en bekleed met Christus’ gerechtigheid. Je hoeft dus niet meer verzoekingen te overwinnen om volmaakte gerechtigheid te ontvangen. Met het overwinnen van verzoekingen verdien je niets bij God. Toch is het wel noodzakelijk om verzoeking te weerstaan, omdat je door God nieuw leven in Christus ontvangen hebt. Het is dus van groot belang om bevestiging te krijgen over jouw status voor God. Christus is bij Zijn doop bevestigd als Gods geliefde Zoon. Weet jij uit de Bijbel dat je gerechtvaardigd bent voor God? Dat je Zijn kind bent?
2. Zie verzoekingen als aanslagen op jouw positie in Christus en het Geestvervulde leven
Als je duidelijkheid hebt verkregen over jouw verlossing door het verzoeningswerk van Jezus Christus, en je mag weten door Hem een kind van God te zijn, is het belangrijk te onderkennen dat de verzoeking zijn pijlen richt op deze status. Niet voor niets daagt satan Jezus uit na Zijn doop en alles wat daarbij gebeurde! God maakt jou tot Zijn kind door het geloof in Jezus Christus, schenkt jou Zijn Heilige Geest en wil jou op die manier vormen tot een toegewijd persoon. God zoekt toegewijde mensen!
Wat we in alle verzoekingen zien gebeuren, is het afleiden van deze heilige roeping. Jezus krijgt van satan maar zwakke aanbiedingen. Hij is de Zoon van God, alles behoort Hem toe! En wat krijgt hij aangeboden? Twee stenen, de koninkrijken van de aarde en engelendienst. Maar Christus weet: “Ik bezit iets veel mooiers dan dit alles: Ik ben Gods eigen, geliefde Zoon. Niets, nee niets kan dit overtreffen. Ik ben geroepen door Mijn Hemelse Vader om Zijn wil te volbrengen, vol toewijding. Dat laat Ik mij niet afnemen!” Wat satan in feite doet, is een aantal “belemmeringsfactoren” inbrengen. Dagelijkse behoeften, eer en macht in deze wereld en geestelijke manipulatie proberen onze hemelse positie in Christus te ondermijnen. We worden er voortdurend op aangevallen. Een christen die niet of nauwelijks ervaart dat hij gedwongen wordt keuzes te maken door alles wat op hem af komt, is geestelijk niet gezond. Iedere christen merkt in zijn leven de aantrekkingskracht van macht, eer, succes of hebzucht. Niet altijd even sterk, maar het is er wel. Satan probeert met deze middelen twijfel te zaaien over onze positie als christen.
3. Onderzoek de manier waarop verzoeking werkt
Het is goed om je te realiseren dat tijdens verzoekingen twee zaken tegen elkaar worden uitgespeeld: jouw positie in Christus en de zogenaamde “belemmeringsfactoren” – en daarmee bedoel ik de zaken die satan opwerpt. Voedsel, eer en macht of fout Bijbelgebruik wordt uitgespeeld tegen jouw hemelse positie. Alsof het één zou moeten leiden tot het ander. “Je bent christen, dus… je moet minstens uitzonderlijke geloofsdaden verrichten…” Of je moet het zogenaamd laten zien in spectaculaire dingen. Of je moet in alles met een Bijbeltekst aankomen. En of je die tekst nu verdraait of niet, dat maakt niet uit – als je maar met een tekst aankomt. Onderzoek je eigen leven op welke gebieden jij dit ervaart en wanneer dit het sterkst is.
De diepte van toewijding: in de kracht van Gods Geest en gegrond op Gods Woord
Zoals al eerder gesteld, kunnen we verzoekingen niet slechts overwinnen door op het moment suprême aan te komen met een paar Bijbelteksten. Je bent dan echt te laat. Je probeert dan een gat te vullen op een oppervlakkige manier. Lucas beschrijving van Jezus’ verzoekingen laat een fascinerend beeld zien van een uiterst toegewijd Mens, Iemand Die niet incidenteel bezig is met God en met geluk de ene keer het hoofd boven water weet te houden en de andere keer kopje onder gaat. Wie zonde en verzoeking wil overwinnen, zal al ver van tevoren een plan van toewijding klaar moeten hebben liggen – en dat alles vervuld met de Heilige Geest. Daarbij moet het accent niet liggen op het overwinnen van verzoekingen – alsof je alleen maar bezig bent met toewijding, omdat je niet wilt zondigen – maar op jouw omgang met God. Hoe meer je van Zijn liefde, genade, trouw en gerechtigheid gaat zien in de Heere Jezus Christus, des te dieper zal de toewijding gaan. Zoals John Owen ooit schreef:
“There is no death of sin without the death of Christ.”
Labels:
duivel,
Evangelie,
God,
Jezus Christus,
verzoeking,
zonde,
Zoon van God
Abonneren op:
Reacties (Atom)















