SalvationInGod

Posts tonen met het label uitverkiezing. Alle posts tonen
Posts tonen met het label uitverkiezing. Alle posts tonen

zondag 3 december 2017

Verbondstrouw (1)

De boodschap van Maleachi

Maleachi is het laatste Bijbelboek in het Oude Testament zoals wij dat kennen. Het boek is rond halverwege de vijfde eeuw voor Christus geschreven. Deze datering wordt onderbouwd door het gegeven dat de tempel in Jeruzalem is hersteld. Het boek beschrijft dus een situatie na de Babylonische ballingschap. Een ander kenmerk dat deze datering ondersteunt is het gebruik van het woord “landvoogd” in bijvoorbeeld 1:8, dat in de tijd van de zogenaamde “Perzische periode” (539-332 voor Christus) veelal verwees naar regionale officieren.
Het belangrijkste argument is wellicht het gegeven dat het boek Maleachi problematiek aan de kaak stelt, die wij ook kunnen terugvinden in de boeken Ezra en Nehemia. We moeten dus in gedachten houden dat wanneer Maleachi zijn bediening van God ontvangt, Israël is teruggekeerd uit ballingschap.

Maleachi doet wat alle profeten doen: niet de wereldproblematiek benoemen, niet andere volken de schuld geven, maar Gods eigen volk terugfluiten en oproepen tot bekering. Zoals ik ook al in de introductie schreef, moeten we niet uitsluitend apocalyptische taal verwachten. Denk niet dat Maleachi uitsluitend profeteert over het laatste oordeel, het machtig ingrijpen van God bij Zijn komst naar deze wereld of spreekt over schokkende gebeurtenissen in de eindtijd. Maleachi beschrijft schokkende dingen, maar die hebben in de kern stuk voor stuk te maken met de verwaarlozing van de aanbidding van God door Zijn eigen volk. Dit maakt de profeten tot ongewenste boodschappers, die men liever zag gaan dan komen. In dit opzicht is ook de behandeling van Christus door de religieuze leiders in Zijn dagen geen verrassing. Christus’ profetische woorden wekten ergernis en de vraag tijdens Zijn bediening was niet zozeer of de bom zou barsten, maar wanneer. Schriftgeleerden en Farizeeën hebben overduidelijk niets geleerd van de waarschuwingen van Oud Testamentische profeten. Laten we daarom als gelovigen en volgelingen van de gekruisigde en verworpen Messias goed beseffen dat wij door het bestuderen van een profeet als Maleachi een risicovol pad opgaan. We maken het onszelf niet gemakkelijk. Maar dit is de enige manier om te ontsnappen aan het slappe, slaperige geestelijke klimaat waarin de Westerse kerk zich momenteel bevindt. Ik wil daarom de lezer niet alleen aanmoedigen de profetische boodschap individueel te bestuderen, maar om erover in gesprek te gaan met een goede vertrouweling. Als het om de toepassing van deze literatuur aankomt, heb je anderen nodig die met je meekijken en je aanmoedigen. Blijf niet op jezelf.

We staan in dit eerste deel stil bij Maleachi 1:1-5. Het is het begin van het Bijbelboek, waarin kort Gods boodschapper wordt benoemd en de profetische boodschap wordt ingeleid. We zullen stilstaan bij vijf eigenschappen van deze boodschap.

1. Gods boodschapper voor Zijn verbondsvolk (vers 1)
We lezen in vers 1 een zeer beknopte beschrijving van Maleachi:

“Een last, het woord van de HEERE tot Israël, door de dienst van Maleachi.”

Hij is Gods boodschapper die Zijn volk moet informeren en confronteren met Gods heilige ongenoegen over de huidige gang van zaken. En zoals ik in de introductie geschreven heb, geloof ik niet dat deze boodschap uitsluitend voor het Joodse verbondsvolk is. Als jij na het lezen van Maleachi 1:1-5 totaal niet het idee hebt dat jij je ook schuldig kunt maken aan dezelfde fouten als Israël, dan mag je eens goed achter je oren krabben.
Profeten zijn altijd mannen die optraden met het gezag dat God hen heeft gegeven; zij staan niet op uit eigen beweging, omdat ze het nu eenmaal een leuke taak vinden. Sterker nog, het is helemaal geen leuke taak. Een groot deel van het volk zit niet op je te wachten en de boodschap wordt verworpen. Niet door iedereen, maar wel door een groot deel.
Het feit dat de profeten van het Oude Testament veelal met een moeilijk en confronterende boodschap kwamen, moet ons ook aan het denken zetten als het gaat om hedendaagse profeten in charismatische –en pinksterkringen. Daar lijkt het – in zijn algemeenheid genomen – andersom te zijn: profeten zijn boodschappers die juist niet confronterend zijn. Het zijn mensen met prachtige beloften en succesverhalen, die vooral beweren dat God grootse en geweldige plannen van zegen en voorspoed heeft. Ze weten je te vertellen dat God herstel en genezing wil geven, dat je nu de hemel op aarde moet verwachten en dat er hier eigenlijk maar twee vijanden van zijn: satan en jouw ongeloof. Zo’n boodschap is te goed, zeker wanneer je dit naast het Bijbelse getuigenis legt. Het element van gebrokenheid en bekering ontbreekt.

2. Gods onbeantwoorde liefde voor Zijn verbondsvolk (vers 2a)
Maleachi komt meteen ter zake. Israël heeft God aangeklaagd:

“Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE, maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?”

Om het maar heel direct te noteren: Israël twijfelt aan de liefde die God voor Zijn volk heeft: “Wij zien het niet! We merken er niets van!” Dit mag voor ons wellicht als een verrassing komen, maar vergeet niet dat het volk uit ballingschap is teruggekeerd. En ballingschap betekende voor Israël oordeel.
Ze zijn nu weer teruggekeerd naar het land dat God heeft beloofd, ze hebben hun intrek in Jeruzalem weer genomen en hebben ook de ceremoniële diensten volgens de Mozaïsche Wet hervat. Toch is er onder het volk een diepe en belangrijke twijfel in de geest opgekomen: “Waar is God nu mee bezig? Als wij Zijn volk zijn, waaruit blijkt Zijn liefde dan voor ons? Kijk eens naar de weg die we afgelegd hebben!”
Vandaag de dag is het niet anders. Gelovigen worden bevangen door twijfel en vrees met betrekking tot Gods liefde, omdat zij er niets van menen te zien. Ze ervaren het niet. Anderen wel – uiteraard – maar zij niet. Er is werkelijk niets nieuws onder de zon. Israël klaagt God aan, en hedendaagse gelovigen ook. Stel jij die vraag ook wel eens: “Heere, als U mij liefhebt, waarom dan…?” Als dat zo is, dan wil de Heere je leren hiermee om te gaan.

3. Gods bewezen liefde voor Zijn verbondsvolk (vers 2b-3)
Zijn antwoord volgt direct. God verantwoordt Zich. Niet helemaal, zoals we zullen zien. Hij verklaart in ieder geval wél hoe Hij Israël Zijn liefde heeft bewezen. En de manier waarop Hij dit doet, is even indrukwekkend als opvallend:

“Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE. Toch heb Ik Jakob liefgehad en Ezau heb Ik gehaat. Ik heb zijn bergen gemaakt tot een woestenij, en zijn erfelijk bezit prijsgegeven aan de jakhalzen van de woestijn.”

We moeten goed opletten wat God hier doet. Hij beschrijft Zijn liefde voor Israël (de nakomelingen van Jakob) door uitgebreid in te gaan op Zijn handelen met Edom (de nakomelingen van Ezau). Dit vers is cruciaal voor het begrijpen van Gods antwoord aan én Zijn liefde voor Israël.
Hij zegt hier, dat Hij Jakob heeft liefgehad en Ezau heeft gehaat, terwijl het broers van elkaar zijn. Hoe kan dat? Allereerst moeten we begrijpen dat de woorden “liefhebben” en “haten” hier niet letterlijk slaan op “liefde koesteren voor” en “een gruwelijke afkeer hebben van”. Deze woorden moeten worden verstaan in het licht van Zijn uitverkiezende genade. Jakob en Ezau: broers. En toch besluit God de één wel te verkiezen als volk voor Hemzelf, en de ander niet (zie Genesis 25:23; 27:1-40). Waarom? Juist hierover verantwoordt God Zich niet. En dat hoeft ook niet. Dat vinden wij wel eens moeilijk. God kan dingen in ons leven doen die wij niet begrijpen en die wij niet eerlijk vinden, maar Hij is soeverein en vrij om te handelen zoals Hij wil. Hij hoeft niet bij alles tekst en uitleg te geven.
Maar God verantwoordt hier wel het betonen van Zijn liefde voor Israël. Het geheim zit hem juist in die woorden die het cruciale verschil tussen Jakob en Ezau duidelijk maken. Het gaat hier over Gods uitverkiezende liefde. En wanneer we de geschiedenissen van Jakob en Ezau bestuderen, komen we erachter dat Israël in de tijd van Maleachi een wel hele brutale mond heeft tegen God. Ezau was een keurige en oprechte jongen; zijn broer Jakob daarentegen was een geslepen hielenlichter. Zodra hij ook maar iets kon bemachtigen, zocht hij naar manieren om het in zijn bezit te krijgen. Met of zonder bedrog, dat maakte hem niet uit. Zo heeft hij Ezau het eerstgeboorterecht afgenomen. Jakob was – op zijn zachtst gezegd – voor niemand bang. Hij was de brutaalste jongen van de klas. En toch zegt God over deze man: “Ik heb hem liefgehad en Ezau gehaat.” Wie snapt dit? Wie begrijpt Gods handelen hier? Degenen die wij zouden kiezen, verwerpt God en degene die wij zouden verwerpen, kiest Hij! Wat is hier logisch aan? Ogenschijnlijk niets. Maar hier zit juist het antwoord dat God aan Israël geeft. Want Hij zegt hier dat Hij Zijn liefde heeft bewezen door Israël te verlossen, voor haar te zorgen, haar te beschermen en voor haar op te komen. Hebben zij dat verdiend? Niet bepaald. Toch doet Hij dit alles. God wil Israël laten zien dat zij totaal geen recht heeft op welke vorm en welke hoeveelheid genade en barmhartigheid dan ook. Het was veel logischer geweest als God Jakob – en dus Israël – zou hebben verworpen. Maar dat deed Hij niet en dit is juist het bewijs van Zijn liefde. Jakob uitverkoren, Ezau verworpen. God bemoeit Zich nadrukkelijk met Israël, maar laat Edom aan zijn eigen lot over.
Wat God hier tegen Zijn verbondsvolk zegt, is heel belangrijk voor de gezondheid van ons geloofsleven. Hij doet hier iets heel wezenlijks. Israël wordt op haar voorgeschiedenis gewezen. Ze krijgt opnieuw te horen waar ze vandaan komt. En met dat zij dit hoort, moet ook het besef gaan landen dat dit niet vanzelfsprekend is. Gods liefde komt tot uiting in de uitverkiezing. Geen christen kan zeggen: “God heeft toch maar heel verstandig gehandeld door mij op te nemen in Zijn verbondsvolk!” Het is juist andersom: God heeft onbegrijpelijk gehandeld door mij te verlossen en op te nemen in Zijn volk. Begrijp jij waarom God jou wel verlost heeft en andere mensen niet? Waarom Hij jou heeft gegrepen, jou aan Zijn Zoon heeft gegeven en voorbijgaat aan zoveel anderen? Er is vanuit ons bezien geen verklaring voor. De enige verklaring die God geeft is liefde.

4. Gods aankondiging van het oordeel over Edom (vers 4)
Daartegen over staat de verwerping van Ezau en zijn nakomelingen, Edom:

“Hoewel Edom zegt: Als wij verwoest worden, bouwen wij de puinhopen weer op, zegt de HEERE van de legermachten dit: Zullen zíj bouwen, dan zal Ík afbreken, en men zal hen noemen: Goddeloos gebied, en: Het volk waarop de HEERE tot in eeuwigheid toornig is.”

Gods antwoord op de aanklacht van Zijn eigen verbondsvolk wordt in vers 4 vervolgd door de aankondiging van het oordeel over Edom. Dit volk wordt omschreven als rebellerend, opstandig, onverbeterlijk, trots en arrogant – niet bepaald eigenschappen om blij van te worden. Ze verzetten zich actief tegen God, zelfs wanneer Hij hen berooid achterlaat (zie vers 3). Ze blijven proberen Gods oordeel te trotseren. Ze blijven gewoon doen waar ze mee bezig waren. In vers 4 kun je drie stadia van Gods oordeel ontdekken:

1. Onverwoestbare arrogantie
2. Hernieuwde vernedering
3. Totale overlevering


Deze drie stadia kunnen we ook vandaag de dag nog goed zien in de levens van mensen. Het begint met koppigheid, halsstarrigheid. Mensen verharden zich en gaan bewust tegen Gods Woord in. Zij weigeren te geloven in de Heere Jezus en zij weigeren om te buigen voor Zijn Koninklijke heerschappij. Hoe sterker dit verzet wordt, hoe ernstiger de oproep tot bekering luidt. Dit kan gebeuren door radicale, dramatische omstandigheden in iemand leven. God breekt af wat de mens opgebouwd heeft, om hem stil te zetten en na te denken over dit leven en de eeuwigheid. Wanneer iemand echter zó verhard is en zich dusdanig tegen God verzet dat deze oproep tot bekering wederom wordt genegeerd, wordt de grens van genade overschreden. Wanneer deze lijn gepasseerd is, is iemand zó verhardt dat – al zou hij het met ernst willen, zoals Ezau volgens Hebreeën 12: 12-17 – hij zich niet meer kan bekeren. God heeft hem aan zichzelf overgegeven. Dit is de dure, eeuwige rekening die mensen moeten betalen wanneer zij hun hele leven bezig zijn met het trotseren van God en Zijn genade. Edom is hiervan een tragisch voorbeeld.

5. Gods eer als verkondiging onder Zijn verbondsvolk (vers 5)
En juist dit tragische voorbeeld gebruikt God om Zijn liefde voor Israël mee te onderstrepen. Want hoezeer Israël ook van God is afgedwaald, ze is niet uitgeroeid. God heeft haar niet vernietigd. God heeft haar niet aan het oordeel overgegeven. Had Hij redenen om Israël te veroordelen? Zeker weten! Heeft Hij het gedaan? Nee. Dat is nu Zijn uitverkiezende genade. Ook hier moet Israël maar eens goed over nadenken, luidt de boodschap van Maleachi. Israël zal de ondergang van Edom meemaken:

“Uw eigen ogen zullen het zien, en u zult zelf zeggen: Groot is de HEERE, tot over de grenzen van Israël!”

Dit is naar alle waarschijnlijkheid stap voor stap gebeurd tussen 550-400 voor Christus, toen de Edomieten door een groep Arabieren zijn verdreven en zich hebben gevestigd in een regio die later Idumea is gaan heten. Hier zien we het verschil tussen Israël en Edom: Israël getuchtigd en hersteld na ongehoorzaamheid, Edom verdreven zonder herstel.
Soms kun je Gods liefde, genade en barmhartigheid zien in de verwerping van anderen. Israël kan Gods liefde aflezen aan Zijn manier van handelen met Edom. Ook deze waarheid – zoals velen in de Bijbel – is niet goedkoop. Als wij ons niet bewust zijn van het voorrecht om tot de Kerk van Jezus Christus te behoren, zijn we verwaand geworden. We zijn begonnen met klagen – net als Israël – omdat wij niet meer begrijpen hoe God Zijn liefde laat zien. Alleen al de eerste vijf verzen vormen een hoop stof tot nadenken en verwondering. En dat is precies waar God ons wil hebben: op het punt dat wij weer met verwondering en ontzag uitroepen dat Hij groot is, omdat Hij in Zijn liefde ons heeft uitverkoren tot verlossing in Jezus Christus. Onverdiend. Onverklaarbaar. Onlogisch. Deze drie woorden zijn cruciaal in ons christenleven. Wanneer wij deze woorden niet meer in onze gedachten hebben, worden wij als Israël. Iemand die zich bewust is van onverdiende genade zal God nooit ter verantwoording roepen vanwege Zijn handelen. Nooit. Omdat hij weet dat het onverantwoord onverdiend en onverklaarbaar en onlogisch is dat juist hij door God verlost is, door het bloed en de voorspraak van Jezus Christus. En niet alleen hij, maar allen die de Naam van de Heere aanroepen (Romeinen 10:9-10). Zo mag er een dankbare lof in het hart gevormd worden, die met recht luidt:

Groot is de HEERE, tot over de grenzen van Israël!

donderdag 15 september 2016

Read & Apply #18 Eigendom van Christus

Johannes 6:35-40


In Johannes 6 is Jezus verwikkeld in een discussie met Zijn Joodse volksgenoten. In de verzen 35-40 lezen we iets van het mysterie van Gods uitverkiezing. We lezen over Gods wil met betrekking tot de verlossing van zondaren. We lezen over Christus, Die Zijn kinderen niet in de steek laat en hen bewaart. Wat kunnen we leren over de manier waarop Christus in dit gedeelte over Gods wil en uitverkiezing spreekt?

1. Het leven is in Christus alleen te vinden
We beginnen met vers 35, waar we Christus Zichzelf zien geven als de Bron van het geestelijke leven:

“En Jezus zei tegen hen: Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.”

Er is geen geestelijk leven mogelijk zonder de kennis van Christus. Heb je geestelijk honger? Dan zal je nergens voedsel kunnen vinden dan in Jezus. Alle andere bronnen zijn ontoereikend. Als je écht God wilt kennen, zal je gevoed moeten worden in Christus. Jezelf voeden met Christus betekent allereerst dat je Zijn gerechtigheid ontvangt door te geloven in Zijn sterven en opstanding. Je leert Hem beter kennen en leert te vertrouwen op de beloften die Hij doet, je leert te gehoorzamen aan de geboden die Hij geeft. Het beeld dat Jezus hier gebruikt – het Brood des Levens – komt uit Exodus 16:11-15, waar God het Israëlitische volk dagelijks manna gaf in de woestijn. Jezus verwijst hier in vers 32-33 naar. Typerend voor deze gave was dat het volk moest leven van het manna dat uitsluitend op dezelfde dag geschonken werd; er mocht niets worden achtergehouden of bewaard voor de volgende dag of volgende week. De vraag is: hebben wij genoeg aan Christus als het Brood des Levens? Hebben wij genoeg aan Zijn werk in sterven en opstanding? Of willen we stiekem nog iets voor onszelf bewaren en weigeren we vandaag te leven met de Gave Die God ons deze dag schenkt, namelijk Zijn Zoon?

2. “Geloven” kent in de Bijbel meerdere synoniemen
We lezen ook in vers 35 dat Christus iedereen uitnodigt om tot Hem te komen, onvoorwaardelijk:

“…wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.”

Jezus nodigt iedereen hier uit. Hij zegt: “Wie tot Mij komt” en “Wie in Mij gelooft” – het is een uitnodiging waarbij niemand zich hoeft af te vragen of dit ook voor hem of haar geldt. Christus nodigt iedereen uit tot Hem te komen. En zo zien we dat het woord “geloven” in de Bijbel op meerdere manieren kan worden omschreven. We lezen over “komen tot Christus” en “geloven in Christus”. Wat is het verschil? Niets. Je komt naar Christus betekent dat jij je met Hem voedt. Je gelooft in Christus en dat betekent dat jij je met Hem voedt. Er is geen verschil tussen geloven in Jezus en komen tot Jezus. Allebei geven ze de essentie van het geloof weer, namelijk dat wij actief naar Jezus Christus gaan om in Hem alleen het ware geestelijke voedsel te nuttigen.

3. Het is mogelijk kennis te hebben over Christus en toch niet in Hem te geloven
In vers 36 komen we een waarschuwing tegen:

“Maar Ik heb u gezegd dat u Mij wel gezien hebt, en toch gelooft u niet.”

Tegen wie zegt Jezus dit? Tegen Zijn Joodse volksgenoten, die Hem zijn gaan zoeken na de wonderbare spijziging (zie 6:1-15). De reden dat zij Hem moesten zoeken is dat Christus de avond na dit wonder de zee overstak, naar Kapernaüm. Maar waarom zijn zij Hem gaan zoeken? Dat lezen we in vers 26:

“Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: U zoekt Mij, niet omdat u tekenen gezien hebt, maar omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent.”

In het licht van deze woorden is vers 36 tragisch. De menigte zoekt Jezus, de menigte vindt Jezus, de menigte ziet Jezus en toch… geen geloof! We kunnen duidelijk een verwijt horen. Na alles wat ze gezien en gehoord hebben, toch geen geloof.
Dit verwijt geldt vandaag de dag nog steeds. Wij kunnen horen over Christus; wij weten welke woorden Hij sprak en welke werken Hij heeft gedaan; wij weten van Zijn sterven en opstanding; wij weten dat Hij als Heere troont aan de rechterhand van de Vader en wij weten dat Hij zal terugkomen. De vraag is: halen we onze schouders op wanneer we dit weten? Of gaan we werkelijk naar Hem om verlossing, geestelijk en eeuwig leven te ontvangen?

4. Twee garanties vanuit Gods uitverkiezing
Na deze waarschuwende woorden lezen we in vers 37 ook waarschuwende woorden, maar wanneer we ze goed begrijpen, zijn ze tot een geweldige bron van troost. Deze troost wordt op twee manieren zichtbaar; God geeft ons twee garanties en beiden hebben betrekking op de uitverkiezing.
De eerste garantie is dat alle gelovigen Zijn uitverkoren in Jezus Christus. Christus Zelf verwoordt het zo:

“Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.”

Beeld je eens in: God is er, nog vóór Hij ook maar iets geschapen heeft. Hij weet dat Hij een wereld zal maken met mensen en Hij weet dat Hij een deel van die mensen voor Zichzelf zal verzamelen; dat zijn de uitverkorenen. Hij wéét niet alleen dat Hij mensen zal verzamelen – dit is nu het bijzondere van dit vers – maar Hij bezit ook al de uitverkorenen. De eerste garantie die Gods uitverkiezing dus biedt, is dat vóór de grondlegging van de wereld elke uitverkoren persoon het eigendom van God is!
Waar Christus hier echter over spreekt, is dat deze uitverkiezing zichtbaar wordt door het geloof in Hem. Daarom zegt Hij: “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Als jij oprecht gelooft in Jezus Christus, dan mag je de zekerheid hebben dat je nooit uit de handen van Hem zult vallen, omdat je nog vóór de schepping in Gods verkiezende liefde bent opgenomen in de gemeenschap der heiligen.
De tweede garantie die Gods uitverkiezing geeft, is dat elke uitverkoren persoon niet door Christus afgewezen zal worden. Zoals we bij punt 2 hebben gezien, wordt iedereen onvoorwaardelijk tot Christus uitgenodigd. Hier geeft Christus de garantie dat als je daadwerkelijk en oprecht tot Hem komt, Hij jou nooit zal afwijzen. Hij zal je ontvangen en Hij zal Zichzelf aan jou geven als het ware, geestelijke voedsel.
Wanneer we vers 37 op deze manier lezen, kunnen we het als geweldige bemoediging leren zien. Tegelijkertijd zijn deze woorden in het licht van vers 36 ook een waarschuwing aan de Joden waarmee Christus in gesprek is: “Jullie geloven nu niet in Mij, jullie hebben nu totaal geen garantie dat je van Mijn Vader bent.”

5. Christus handelt in overeenstemming met de Vader
In vers 38 komen we een merkwaardige zin tegen:

“Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem Die Mij gezonden heeft.”

Jezus zegt hier, dat Zijn komst naar deze wereld – en daarmee ook Zijn verlossingswerk – niet iets van Zijn eigen wil is, maar van God de Vader. Zegt Hij hier nu dat Hij met tegenzin naar deze wereld is gekomen en mensen verlost? Zo zou je het kunnen interpreteren. Een dienstknecht kan zeggen dat hij werk doet, terwijl hij het helemaal niet leuk vindt. En als je dan vraagt waarom hij het doet, kan hij net zo goed antwoorden: “Ik werk in opdracht en doe niet wat ik zelf wil, maar wat mijn meester van mij vraagt.” Moeten we deze woorden van Christus zó opvatten? Stel je voor, dat de Verlosser met tegenzin Zijn werk uitvoert!
Gelukkig hoeven we hier niet voor te vrezen. Dat Jezus hier zegt dat Hij niet Zijn eigen wil doet, betekent nog niet dat hetgeen Hij doet met grote tegenzin of niet van harte doet. Wat Hij hier duidelijk wil maken, is dat Hij Zich volledig laat leiden door Gods wil. En God wil de verlossing van Zijn uitverkoren volk!
Er is dus geen enkel verschil tussen het verlangen en de intentie van de Vader en de Zoon. Jezus erkent alleen dat Zijn komst in deze wereld het initiatief is van God de Vader. Maar allebei verlangen ze vurig naar de verlossing van Gods volk!

6. Troost door de geborgenheid in Christus
In vers 39 lezen we theologisch gezien hetzelfde als in vers 37, maar dan anders omschreven:

“En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag.”

Opnieuw zien we hier die troostende en verzekerende woorden: iemand die uitverkoren is, kan nooit buiten de verlossingshanden van Christus vallen.
En ook hier valt iets op aan de manier waarop Christus spreekt. Hij heeft het hier over verlossen in negatieve zin: Hij zegt gekomen te zijn om niets verloren te laten gaan. Hij zegt niet dat Hij is gekomen is om te verlossen. Wanneer je de onvoorwaardelijke verkiezing ziet, kun je verlossing ook op deze manier verwoorden: de uitverkorenen Zijn van eeuwigheid al zeker van de verlossing in Christus, en de komst van Jezus in deze wereld is om daadwerkelijk te verzekeren dat zij nooit verloren kunnen gaan. En het is exact op deze wijze dat Christus over verlossing spreekt. Hoe bijzonder!
Hier moeten we de troostende waarde van deze woorden begrijpen: een christen wordt niet pas van de Vader wanneer Hij tot geloof in Christus komt. Dit is de voorwaardelijke uitverkiezingsleer, maar Jezus spreekt dit hier tegen. De verkiezing van de christen is geborgen in het besluit van God en niet in het geloof. Je bent niet uitverkoren omdat God al wist dat je tot geloof zou komen, maar omdat Hij Zijn verkiezende liefde in jouw leven wil verheerlijken! Wat een zekerheid te weten dat jouw uitverkiezing niet afhankelijk is van jouw geloof, maar dat de uitverkiezing jouw geloof in gang zet en bekrachtigt!

7. De vrucht van Gods uitverkiezing wordt zichtbaar op de Dag dat Christus terugkomt
We lezen in vers 39 en 40 dat Jezus spreekt over “de laatste dag”, de Dag dat Hij zal terugkomen:

“En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag. En dit is de wil van Hem Die Mij gezonden heeft, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.”

Het eeuwige leven dat Jezus schenkt is in beginsel geestelijk, maar hier zien we dat het uiteindelijk betrekking zal hebben op alle aspecten van ons leven: geestelijk, psychisch en lichamelijk. Doden zullen opstaan. Lichamen zullen tot leven komen.
Wanneer dat gebeurt, zal de wereld getuige zijn van de oogst van Gods verkiezende liefde. Dan zal duidelijk worden wie voor de grondlegging van de wereld al erfdeel van de Vader in Christus was. Jezus geeft in deze verzen ook een middel waarmee wij kunnen weten of iemand potentieel bij de uitverkorenen hoort: het geloof in Hem.
Laten we van de onvoorwaardelijke uitverkiezingsleer geen monsterlijke gedachte maken. Kieper het niet overboord, gooi het niet weg. De garanties die God hierin heeft gelegd zij zo ontzettend kostbaar, dat het tot troost en bemoediging van de Kerk van Christus mag zijn. Laat niemand het wagen te twijfelen over de vraag of hij of zij wel tot Christus mag gaan, omdat er geen zekerheid over de uitverkiezing is. Jezus zegt hier: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Hij is duidelijk over de aanbieding van verlossing. Twijfel niet over uitverkiezing, maar kom allereerst tot Hem – pas daarna zal je de troost van Gods onvoorwaardelijke uitverkiezing kunnen begrijpen.

Blogarchief