SalvationInGod

Posts tonen met het label eeuwig leven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label eeuwig leven. Alle posts tonen

zondag 8 juli 2018

Hedendaagse gnostiek?

De boodschap van 1 Johannes

Een oproep aan dispensationalisten

Theologische opvattingen worden deels gekleurd door onze ervaringen. De opvatting op zichzelf wordt niet geboren door ervaring, maar de manier waarop wij ermee omgaan wel. Theologische opvattingen moeten altijd worden gevormd op grond van de Bijbel. De manier waarop iemand met deze opvattingen omgaat, laat echter iets van zijn eigen context zien. Waarom spreekt iemand bijvoorbeeld vaak over één onderwerp? Of waarom spreekt iemand vaak op één manier over een onderwerp? Wat zit hierachter? Waarom doet iemand dat? Wil diegene hiermee iets propageren of is hij juist bezig met ageren? Wil iemand voortdurend iets goeds en moois laten zien? Of wil iemand steeds het gevaar en de slechtheid van iets bewijzen?

Een persoonlijk verhaal
In mijn eigen leven is dit niet anders. Toen ik een jaar of zestien, zeventien was, las ik de Bergrede in de toen net uitgegeven Nieuwe Bijbelvertaling. Toen ik de woorden van Christus in Mattheüs 7:21-23 las, schrok ik:

“Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen Mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van Mijn hemelse Vader. Op die dag zullen velen tegen mij zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, hebben wij niet in Uw Naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in Uw Naam?” En dan zal Ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!”

Jezus Christus als Heere belijden betekent volgens Hemzelf dus helemaal niets. Wat heeft dan wel betekenis? Dat wij handelen naar de wil van Zijn hemelse Vader.
Je zou kunnen zeggen dat dit tekstgedeelte het zaadje is geweest dat God op dat moment – op die jeugdige leeftijd – heeft gezaaid en dat de vrucht ervan tot op de dag van vandaag zichtbaar is. Dit hele thema heeft mij nooit losgelaten. Sterker nog, uitgerekend een theologische discussie met bovenstaande tekst als sleutelgedeelte, heeft uiteindelijk meegewerkt aan mijn verlossing.
Ik weet wat het is om als antinomiaan te zondigen. Een antinomiaan is iemand die stelt dat gehoorzaamheid aan Gods geboden totaal niet noodzakelijk is, omdat Christus perfect geleefd heeft, onze zonden op zich genomen heeft en wij delen in Zijn volmaakte gerechtigheid. Gehoorzaamheid is niet belangrijk.
Ik wil niet weten wat er zou zijn gebeurd als deze tekst mij nooit had opgeschrikt. Ik denk dat ik wel weet wat er gebeurd zou zijn, maar erg prettige gedachten zijn dat niet.
Juist in de periode dat ik totaal weg dreigde te zakken in het moeras van de zonde – en met totaal bedoel ik dat de verharding van mijn hart zich gevoelsmatig in een vergevorderd stadium bevond – heeft de discussie met betrekking tot “lordship salvation” een belangrijke rol gespeeld. Voor mijn gevoel was God mij meer en meer aan het loslaten. Ik had al weinig tot geen kracht om op een boezemzonde te overwinnen, en ik kreeg het idee dat zelfs de vonkjes van bewaring verdwenen waren. Het gevecht was te groot, de kracht van de zonde te groot en daarmee werd het verlangen om ermee te breken steeds minder.

Hoe de “lordship salvation” controverse bijdroeg aan mijn verlossing
Eén ding ben ik echter nooit – ook toen niet – kwijtgeraakt vanuit Christus’ waarschuwing in Mattheüs 7:21: Hem belijden doe je nooit vanuit een pragmatisch standpunt. Het heeft helemaal geen nut om Hem even snel “Heere” te noemen, omdat je daarmee en plek in de hemel veiligstelt. Dat werkt toch niet. Het gaat er niet om wat je zegt, maar om wat je doet. Wat mij altijd is bijgebleven, is dit: óf je gaat voor “the real deal”, óf je doet het niet. Maar er is geen middenweg. Je kunt niet blijven bakkeleien en blijven modderen in de zonde, terwijl je op hetzelfde moment vrolijk belijdt Jezus als persoonlijke Verlosser en Heere te kennen.
Een groot deel van wat ik zeg of schrijf, ik dan ook sterk gekleurd vanuit deze achtergrond. Mijn indruk is dat ik verreweg het meeste heb geschreven, gesproken of nagedacht over het verlossende geloof in Jezus Christus – al puzzelend en worstelend met argumenten en Bijbelteksten. De “lordship salvation” controverse is er namelijk eentje die om de zoveel tijd in de kerkgeschiedenis opduikt en waarbij ook felle woorden worden gebruikt – juist omdat het om de kern van het Evangelie gaat.
Juist door mijn verleden weet ik hoe gevaarlijk het kan zijn om als een antinomiaan door het leven te gaan. Daarbij wil ik altijd weer de aandacht vestigen op Gods eer en de pastorale gevolgen. Ik denk dat het terecht is om te stellen dat juist degenen die de realiteit van alledag kennen, het beste mee kunnen praten over de theorie – en dus ook over de theologie. De praktijk van alledag leert ons eenzijdige denken af. Begrijp mij niet verkeerd: ik stel niet dat iemand goede theologie leert door levenservaringen te analyseren. Ik bedoel te zeggen dat levenservaringen kunnen bijdragen aan de juiste accenten en het realistischer interpreteren van de Bijbel.

Gevaarlijke eenzijdigheid
Nu wil ik iets doen, wat mogelijk voor opschudding zorgt. Maar ik kan eigenlijk niet anders dan een noodklok luiden. Er moet een pijnlijke vraag worden gesteld: Zien wij vandaag de dag zekere elementen van de gnostiek terug in het dispensationalisme? Loopt de Bedelingenleer als theologie het gevaar eenzijdig te worden in de benadering van verlossing? En als iemand vraagt: “Waarom haal je nou wéér die Bedelingenleer erbij?” dan is mijn antwoord: geen enkele theologische school is zó fel in zijn kritiek op “lordship salvation” dan het dispensationalisme. Dit is in mijn ogen veelzeggend.
We hebben de vorige keer gezien dat de apostel Johannes de praktijk van het geloofsleven en de houding van de gelovige ten aanzien van de zonde belangrijke kenmerken van het eeuwige leven noemt. Zeggen dat God licht is, betekent nog niet dat je ook werkelijk in het licht wandelt. Zeggen dat je geen zonde hebt, wil nog niet zeggen dat je ook echt geen zonde hebt gedaan.
In de gnostiek meende men dat dit los van elkaar kan bestaan. Men maakte een radicaal onderscheid tussen het fysieke en geestelijk leven. Hoe je leefde maakt eigenlijk niet uit, zolang je maar geestelijk verheven en verborgen kennis hebt die leidt tot verlossing. Het belang van het ene overschaduwde de realiteit van het andere. De zogenaamde werkelijkheid van het ene legde de realiteit van het andere als het ware het zwijgen op. We hebben de vorige keer gezien hoe Johannes hiermee omgaat.
Is het niet zo dat wij vandaag de dag worden geconfronteerd met een nieuwe vorm van gnostiek, waarbij de realiteit van het ene een grote schaduw legt over de werkelijkheid van het andere? Ik heb een zestal voorbeelden waarbij ik deze vraag wil stellen.

1. Er wordt één kant van Christus benoemd
In de Bedelingenleer wordt Christus veelal voorgesteld als Verlosser. Sommige dispensationalisten beweren zelfs dat het noemen van Christus als Heere tijdens evangelisatiediensten vermeden dient te worden, omdat dit voor ongelovigen onaantrekkelijk is. Welk belang wordt hiermee gediend? Wordt Christus hier in theologische zin niet in twee stukken verdeeld?

2. Er wordt één kant van de rechtvaardiging benoemd
Als gevolg van het feit dat Christus enkel als Verlosser wordt voorgesteld, wordt zichtbaar dat ook de verlossing door deze lens wordt verklaard. Dispensationalisten verdedigen – terecht! – de leer van de rechtvaardiging door het geloof in Christus alleen. Het credo “Niet uit werken, enkel uit genade!” wordt serieus genomen.
Wat echter opvalt, is dat men veelal de rechtvaardiging van de voorkant beschrijft en niet van de achterkant. Wat ik hiermee bedoel, is dat de rechtvaardiging aan de voorkant betekent dat wij door het geloof in Jezus Christus alleen, en alleen omwille van Zijn verzoenend lijden en sterven aan het kruis bij God kunnen worden aangenomen als rechtvaardigen. Geen enkel menselijk werk komt hier aan te pas.
De achterkant van de rechtvaardiging laat echter goede werken zien. We zijn niet gered of gerechtvaardigd door goede werken, maar wel voor goede werken. Men blijft echter voortdurend hameren op de voorkant van rechtvaardiging en sommigen beweren zelfs dat goede werken op geen enkele manier kan worden beschouwd als vrucht van de rechtvaardiging. Is dit niet de meest directe weg naar het antinomianisme? Wordt het leven van een christen hier niet geheel vrijblijvend voorgesteld, alsof God niet tot Zijn doel kan komen in en met de levens van Zijn kinderen?

3. Er wordt één kant van de zonde benoemd
Als gevolg van deze ogenschijnlijke vrijblijvendheid wordt de behandeling van de zonde ook anders. Er wordt veelal op gewezen dat de zonden vergeven zijn. Er is echter weinig aandacht voor het feit dat de macht van de zonde gebroken is. Vergeving van zonden is in de kern waar het om draait. Veelal wordt verkondigd dat Christus de Verlosser is die redt van de hel, terwijl we in Mattheüs 1:21 lezen:

“Ze zal een Zoon baren. Geef Hem de naam Jezus, want Hij zal Zijn volk bevrijden van hun zonden.”
(Nieuwe Bijbelvertaling, cursivering door mij)

Vergeving is het speerpunt van de verlossing. Wil je verlost worden, dan moet je vergeven worden. Bevrijd worden van de zonde zelf hoeft echter niet. Wordt hiermee niet het grotere probleem van de zonde genegeerd, namelijk dat het een sterke macht is die gebroken moet worden? Wordt de zonde niet teveel als administratieve schuld gezien, die weg is dankzij het kruis van Christus op Golgotha?

4. Er wordt één kant van Gods genade benoemd
Door vergeving en bevrijding van zonden van elkaar los te koppelen, ontstaat er een eenzijdig beeld van Gods genade: genade vergeeft, maar hoeft niet noodzakelijkerwijs te bevrijden van zonde. Als dit waar is, dan heeft Paulus beslist te hoog ingezet toen hij schreef:

“Weet u niet dat wie onrecht doet geen deel zal hebben aan het koninkrijk van God? Vergis u niet. Ontuchtplegers noch afgodendienaars, overspeligen, schandknapen noch knapenschenders, dieven noch geldwolven, dronkaards, lasteraars noch uitbuiters zullen deel hebben aan het koninkrijk van God. Sommigen van u zijn dat ooit geweest, maar u bent gereinigd, u bent geheiligd, u bent rechtvaardig verklaard in de Naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God.”
(1 Korinthe 6:9-11, Nieuwe Bijbelvertaling)

Paulus is hier heel duidelijk: wat sommigen ooit waren, zijn zij niet meer! Hij noemt reiniging, heiliging en rechtvaardiging hier in één zin, in één adem.
Toch beweren sommigen dat Gods genade enkel het wegnemen van de zondeschuld is. Opnieuw dringt zich hier de onvermijdelijke vraag op: Is dit niet de meest directe weg naar het antinomiaanse levenspad? Wordt de zonde hier niet vrij spel gegeven?

5. Er wordt één kant van geloofszekerheid benoemd
Het is onvermijdelijk dat de visie of opvatting van het ene onderwerp gevolgen heeft voor het verstaan van het andere onderwerp. Komen we bij het onderwerp geloofszekerheid, dan zien we hetzelfde gebeuren. Alleen de vergeving van zonden garandeert mij van eeuwig leven en verlossing. Ik ben voor eeuwig gered, omdat God belooft dat Hij mijn zonde in Christus verzoend – en dus vergeven – heeft. Er is volgens een bepaalde groep dispensationalisten geen andere grond voor geloofszekerheid. Alleen zeggen (denk even terug aan Mattheüs 7:21) dat Christus jouw persoonlijke Verlosser is, geeft de garantie dat je naar de hemel gaat.
De vorige keer hebben we gezien dat de apostel Johannes zo niet denkt. Johannes denkt niet alleen in geestelijke waarheid, maar ook in praktische waarheid. Hij vraagt zich af of hij de beloften van God vervuld ziet worden in het leven van Zijn kinderen. Bepaalde voorgangers stellen echter dat het voldoende is “te zeggen dat je in Jezus gelooft” – immers, wie gelooft heeft eeuwig leven. De vraag is hier: Worden de beloften van God met betrekking tot de verlossing niet té geestelijk gemaakt en de verbinding met het leven van alledag niet opgeheven? Is dit niet opnieuw een gemakkelijke deur naar het antinomianisme?

6. Er wordt één kant van het eeuwige leven benoemd
De verzekering dat iemand behouden is kleurt ook de voorstelling van het eeuwige leven. Dat lijkt in beginsel een vreemde gedachte, maar de gevolgen worden duidelijk als we de geloofszekerheid betrekken op het eeuwige leven. Stel dat ik alleen vergeving van zonden ontvang, zonder dat de macht van de zonde in mijn leven wordt gebroken. Wat zegt dit over het eeuwige leven? Zegt het niet dat de zonde ook kan heersen in iemand die Gods Heilige Geest ontvangen heeft en in zich heeft wonen? Nog directer gesteld: zegt het niet dat de zonde over de kracht van de Heilige Geest heerst? Dat iemand – hoewel de Heilige Geest ontvangen te hebben – in dit leven nooit toekomt aan heiligmaking en de gelijkvormigheid aan het Beeld van Christus?
Zegt dit niet dat het eeuwige leven vooral het wegdoen van de schuld is, zonder het beeld van een persoon te veranderen? De vraag is: Wordt hier niet vooral de duur van het eeuwige leven (eeuwig) uitgespeeld tegen de kwaliteit ervan (gelijkvormigheid aan Christus)? Wordt de plaats van het eeuwige leven (de hemel, waar vrede, rust en gezondheid is) niet uitgespeeld tegen het doel ervan (met Christus zijn en Hem weerspiegelen)?

Word wakker! – en schud de eenzijdigheid van je af
Mijn oproep wordt vooraf gegaan door twee vragen: ten eerste wil ik de vraag stellen of je de “antinomiaan” in jezelf herkent. Als je de bovengenoemde zes punten hebt gelezen, kom je dan tot de ontdekking dat dit (al dan niet in zijn geheel) jouw persoonlijke overtuigingen zijn? Herken jij je in sommige punten?
Het tweede dat ik je wil voorleggen is dit: ben je het ermee eens dat de bovengenoemde zes punten ongeoorloofde onderscheidingen weergeven? Deze onderscheidingen sturen sterk één kant op, namelijk de kant van gemakkelijke vergeving, gemakkelijke verlossing. Het is de kant waarvan Jezus Christus Zelf heeft gezegd dat je die juist niet op moet gaan. Want niet iedereen die van Hem zegt dat Hij de Heere en Verlosser is, zal Gods Koninkrijk binnengaan, maar alleen degenen die deze belijdenis waarmaken in hun leven – door de kracht van de Heilige Geest.

Mijn oproep en gebed is dat mensen mogen breken met deze valse onderscheidingen. Dat er afscheid wordt genomen van theologische eenzijdigheden. Wellicht zijn er mensen, die denken: “Je hebt een karikatuur geschetst, zo erg als dat jij het schrijft, is het in werkelijkheid niet.” Als jij zo iemand bent, dan wil ik je vragen om deze video in zijn geheel te bekijken. En ik geef graag toe dat er binnen het dispensationalisme verschillend over deze dingen wordt gedacht. Maar zolang er stemmen zijn, die dit geluid laten horen, moeten we erkennen dát ze bestaan en moeten we de beestjes bij hun naam (blijven) noemen. Het enige dat ik kan zeggen, is dit:

Ga voor het echte leven, niet voor het gemakkelijke.
Ga voor “the real deal”, niet voor een masker.
Het grote wonder van verlossing is niet alleen dat God de zonde kan en wil vergeven, maar dat Hij geestelijk harde en versteende harten kan doen smelten door de kracht van Zijn genade.

Dat Hij dit in jouw leven mag doen.

zondag 24 juni 2018

“Wij weten dat…” (1)

De boodschap van 1 Johannes

De apostel Johannes was een zeer bevoorrecht mens. Dit voorrecht beschrijft hij in de inleiding van zijn eerste brief. Er is een generatie mensen geweest, die zich in een uitzonderlijk bevoorrechte positie bevonden. Het zijn mensen die getuige zijn geweest van het publieke optreden van Jezus Christus. Tot nu toe is dat slechts één generatie gegeven. Spoedig zal echter de Dag aanbreken, waarop iedereen Hem zal zien. Wij allen zullen getuigen zijn van Zijn rechtvaardige herstelwerk aan deze schepping. Er zal voor eeuwig schoon schip worden gemaakt.
Voordat dit moment zou komen, moest er in Gods verlossingsplan eerst wat anders gebeuren. Wat dit is, hebben we al gelezen in Maleachi: God zou Zelf komen om Zijn volk te zuiveren en vernieuwen. God zou Zelf in het vlees komen, Hij zou Mens worden. En deze Mens kennen wij als de Heere Jezus. En van Deze Heere Jezus getuigt Johannes in de introductie van zijn eerste brief. In zijn algemeenheid kunnen we stellen dat Johannes in vers 1-4 twee zaken beschrijft: hij maakt duidelijk dat hij verkondigt, en hij laat weten wat en Wie hij verkondigt.

1. Christus is God (vers 1a)
Als eerste zien we dat Johannes zijn brief op een haast mysterieuze manier begint. Het lijkt wel alsof hij de proloog van zijn Evangeliebeschrijving opnieuw op papier zet:

“Wat er was vanaf het begin…”

Het begin betekent in dit geval: nog voordat er ook maar iets gemaakt is. Het enige dat er was vóórdat de schepping gemaakt werd, is God. En hoezeer dit niet te bevatten is voor ons menselijke verstand, God bestaat uit Drie Personen: Vader, Zoon en Heilige Geest. En samen zijn Zij één. Zij zijn er altijd al geweest. Hier doelt Johannes op wanneer hij zegt dat wat er was er al was vanaf het begin. Er is nooit een moment geweest dat God de Vader er niet was. Er is nooit een moment geweest dat Christus er niet was. Er is nooit een moment geweest dat de Heilige Geest er niet was. Over deze God – en specifieker – over deze Jezus heeft Johannes het.

2. Christus is Mens geworden (vers 1b)
Hij vervolgt zijn beschrijving van Christus door te schrijven vanuit de ontmoeting die hijzelf met de Heere heeft gehad:

“…wat wij gehoord hebben, wat wij hebben gezien met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben…”

Johannes benoemt vier elementen van zijn ontmoeting met Christus: hij heeft Hem gehoord (Christus sprak), gezien (Christus leefde), aanschouwd (Christus leefde voor) en getast (Christus had een lichaam). Vooral het laatste element is van belang wanneer we ons realiseren dat Johannes schrijft aan mensen die mogelijk in aanraking zijn gekomen met de gnostieke dwaalleer. Volgens deze leer is het lichaam maar een onding, iets dat in de weg zit, iets dat slecht is. De geest, dat wat erin zit, daar gaat het om! Maar door te schrijven over het Mens-zijn van Christus, haalt Johannes het lichaam uit dit schaamtegebied. Als God Zelf immers als Mens naar deze wereld is gekomen en als Hij Zelf een lichaam heeft, dan kán het niet slecht zijn.
Het maakt ook direct duidelijk hoe ontzettend dichtbij God gekomen is. God de Zoon is onder ons gekomen. Hij is écht een Mens.
Wij zien het als geheel logisch en normaal dat mensen als Johannes kunnen zeggen dat zij God de Zoon hebben gezien, maar zo normaal is dat helemaal niet. Mozes vroeg God om Zijn heerlijkheid te tonen. En God verhoorde tot op zekere hoogte zijn gebed, maar de volle heerlijkheid van God kon hij niet zien. God moest Mozes als het ware beschermen tegen die volle heerlijkheid, omdat niemand het zien van deze verschijning kan overleven (zie Exodus 33:20). Dus het feit dat Johannes hier voor ons idee “zomaar” even schrijft dat hij God de Zoon heeft gezien, is méér dan alleen maar een pseudo-journalistieke daad. Het is niet alleen feitelijke kennisoverdracht, maar het de beschrijving van een uniek moment in de wereldgeschiedenis. Johannes heeft God kunnen zien, zónder te sterven. In zijn Johannes 14:9b lezen we dat Christus zegt:

“Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien…”

Met andere woorden: wie God de Vader wil zien, moet naar God de Zoon kijken.

3. Christus is het Woord des Levens (vers 1c-2a)
Christus is Mens, en Christus is God. Dat maakt Hem zo uniek. Niemand is als Hij. Johannes kan van Hem schrijven dat Hij een lichaam had, en tegelijkertijd kan hij schrijven dat Hij de Maker is van alle mensen, met hun lichamen:

“…van het Woord des levens – want het leven is geopenbaard…”

Je zou kunnen zeggen dat Johannes in zowel zijn Evangelie als in zijn brieven schrijft vanuit het God-zijn van Christus. Alsof je met de ogen van de Vader kijkt naar het aardse leven van de Zoon. Wanneer je Johannes ziet schrijven over Christus, begint hij bij het “begin” – nog vóór de schepping. Vandaaruit laat hij zien dat Christus alles gemaakt heeft door Zijn Woord. Christus spreekt, en het is er. Hij gebiedt, en het staat er. En Hij is gekomen als Mens.
Maar hoe moeten we dit zien? Als het gaat over navolging, moeten we Christus dan volgen in Zijn goddelijke eigenschappen? Dit is een belangrijke vraag, omdat sommige mensen op dit punt uit de bocht vliegen: “Christus kon een storm stillen, dan kan ik dat ook.” Of: “Christus kon doden weer tot leven wekken, dan kan ik dat ook.”
Het van cruciaal belang ons te realiseren dat wanneer Christus Zelf zegt dat wie Hem heeft gezien, de Vader heeft gezien, dit allereerst betrekking heeft op de volmaakte karaktereigenschappen van God Zelf. We zijn niet geroepen Christus na te volgen in het doen van werken die alleen Hij in Zijn goddelijkheid kan doen. Helaas zie je dat het accent in veelal hyper-charismatische kringen juist hierop wordt gelegd. Dit is een grote en grove misvatting. Mensen die uitsluitend bezig zijn met wonderen en tekenen en die zeggen dat de Kerk “dit is kwijtgeraakt” en dat zij “degenen zijn die door God zijn geroepen om dit in de Kerk te herstellen” hebben dringend eerlijke zelfreflectie nodig. Pakken zij niet op uiterst selectieve wijze juist die eigenschappen van Christus die alleen Hij kan doen omdat Hij God is? Anders gezegd: proberen zij ons hiermee niet op te zadelen met beloften en opdrachten die door geen normaal mens tot stand te brengen is? Christus is God, wij zijn mensen. Dit verschil – hoewel God de Zoon als Mens is verschenen – blijft bestaan, ook in de eeuwigheid. God is in Christus ontzettend dichtbij gekomen, maar het verschil kan niet worden opgeheven. Wij zullen moeten leren dat we Christus uitsluitend kunnen en dienen na te volgen op de gebieden waarvan de Bijbel zegt dat wij dit verplicht zijn. En in de kern zijn we geroepen om Christus na te volgen op het morele vlak.
Toen God de Tien Geboden aan Mozes gaf, kon het volk Israël als het ware op stenen tafelen het karakter van God aflezen. In Jezus Christus zien we niet alleen dit karakter, maar zien we ook hoe dit karakter vorm krijgt in de praktijk, door de Wet te gehoorzamen en vervullen. In Jezus Christus krijgt God een gezicht.

4. Christus is het Eeuwige Leven (vers 2b)
De conclusie dat God in Christus een gezicht krijgt, wordt door het bredere Bijbelse getuigenis ondersteund. Een mens kan God niet kennen buiten Jezus Christus om. Daarom kan Johannes zijn beschrijving van Christus vervolgen met de volgende woorden:

“…het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien, en wij verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard…”

We hebben gezien dat Johannes in het zeventiende hoofdstuk van zijn Evangelie de volgende woorden van Christus heeft opgeschreven:

“En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.”
(Johannes 17:3)

Beweert iemand wél God te kennen zonder de Heere Jezus te erkennen als Zijn Zoon, Middelaar, Verlosser en Heere, dan is er sprake van afgoderij. Iemand heeft een beeld van God in gedachten dat niet overeenkomt met de werkelijkheid.
Opnieuw zien we hier het – als ik het zo mag noemen – tweedimensionale karakter van Christus. Aan de ene kant is Hij Degene Die het leven schenkt, maar aan de andere kant is Hij het Leven Zelf. Hij Die het Zelf is, geeft het leven.
Staan wij er wel eens bij stil dat Jezus Christus ten diepste Zelf het Eeuwige Leven is? Heel vaak hebben christenen het idee dat Christus het eeuwige leven schenkt, maar beseffen ze eigenlijk niet – of oppervlakkig – dat Hij het Leven Zelf is. Dus wanneer wij elkaar vragen of wij eeuwig leven hebben, vragen we Bijbels gezien of wij Jezus Christus Zelf hebben.
Het beeld dat een doorsnee christen van eeuwig leven heeft, komt waarschijnlijk neer op de vergeving van zonden en de verzoening met God door Christus, zodat mensen voor eeuwig kunnen leven en gered kunnen worden. In deze omschrijving fungeert Christus als een Middel om het eeuwige leven te schenken. Maar dit beeld is Bijbels gezien incompleet. Niet alleen is Christus het Middel tot eeuwig leven, Hij is het Doel van ons eeuwige leven. Nogmaals: Hij die het Leven is, is Degene Die het leven schenkt. Hij geeft Zichzelf.

Christenen, kijk verder!
Het besef dat God in Christus Zichzelf aan ons geeft, is van groot belang – zeker in onze tijd. Wij hebben een mensgerichte neiging, die, welke boodschap we ook horen, ervoor zorgt dat wij altijd weer het middelpunt zijn.
In Evangelische gemeenten is het een gewoonte om mensen, die voor het eerst deel willen nemen aan het Heilig Avondmaal, de volgende vraag te stellen: “Graag horen we van u een kort getuigenis. Wie is Jezus voor u?”
Wat je dan meestal krijgt, is een reeks van korte, Bijbels correcte antwoorden:

“Jezus is mijn persoonlijke Verlosser.”
“Hij is mijn Redder.”
“Hij is mijn Heiland en Heer.”
“Hij is Degene Die voor mij gestorven is.”

Deze antwoorden zijn Bijbels gezien juist. En toch mag ik hopen dat christenen en leiders binnen de lokale gemeente verder kijken dan hun theologische neus lang is en dan de oren kunnen opvangen. Begrijp mij niet verkeerd, het is goed om een getuigenis te vragen van mensen. Heel goed zelfs! Laten we elkaar vooral bevragen op het getuigenis van God in Christus! Maar áls we dit doen, moeten we niet vergeten de volgende vraag te stellen: Hoe krijgt Gods getuigenis in Christus gestalte in jouw leven? Het is niet alleen de bedoeling dat we juist spreken over Christus, maar dat ons doen en laten naar Hem toe juist is. En niet alleen naar Hem toe, maar ook vanuit Hem. Want Hij is immers het Leven Zelf! Laten we er als christenen scherp op letten dat we Christus als Middel én Doel van Gods verlossingsplan blijven zien. Alleen op die manier kunnen we op het punt komen, waar ook Paulus uitkwam en kon belijden: “Het leven is voor mij Christus en het sterven is voor mij winst” (Filippenzen 1:21).
Durven wij elkaar nog scherp te bevragen? Is Christus ons leven? Is Hij alles voor ons? Of is Hij maar een deel van ons leven en is Hij slechts nuttig in de mate waarvan wij denken dat Hij nuttig is?

5. Christus brengt gemeenschap (vers 3b)
Als wij Christus ontvangen – versimpeld gesteld: als wij tot geloof komen in Christus – op onze eigen voorwaarden, slaan we de plank mis. Op korte termijn heeft het misschien wel positieve effecten, maar op de lange termijn kun je hierdoor in pastoraal opzicht aardig van slag raken. Als ik Christus ontvang op grond van mijn eigen voorwaarden, dan moet Hij steeds Zijn best blijven doen om alsmaar te blijven voldoen aan mijn eisen en verwachtingen. En als de Bijbel één ding duidelijk maakt, dan is het dit: Dat gaat Jezus dus niet doen. Sommige mensen zeggen: “Ik ben teleurgesteld in God” of “Ik ben teleurgesteld in Jezus” en keren Hem vervolgens de rug toe. Deze mensen zijn niet oprecht teleurgesteld in God of Christus, maar in hun wensen en verwachtingen. Het vervelende is alleen dat ze het zelf niet doorhebben. God heeft ons nooit beloofd dat we een plezierig, gelukkig of gezond leven zouden hebben. Hij belooft ons in het Evangelie dat we Christus en in Christus Zijn gunst zullen hebben. En dat is echt van een heel andere orde! Johannes schrijft in vers 3b:

“…en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.”

Waar is het God ten diepste om te doen? Dat wij gemeenschap hebben met Hem en met Zijn Zoon. In ziekte en gezondheid. In psychisch welbevinden en in een depressie. Op momenten dat Hij ons overlaadt met zegeningen en in tijden dat Hij ons zegeningen onthoudt. Het kenmerk van een echte gelovige is niet dat alles in het leven goed gaat, maar of iemand in alle omstandigheden gemeenschap met God heeft. Deze gemeenschap is Christus komen brengen door Zijn verlossingswerk te volbrengen. Als wij er niet naar verlangen met Christus Zelf te leven, maar enkel uit zijn op Zijn zegeningen, zetten we veel te laag in. En met een te lage inzet heeft nog nooit iemand de overwinning binnengehaald.

6. Christus wordt verkondigd (vers 2b, 3a, 4)
We hebben gezien dat Johannes vele kenmerken van Christus heeft benoemd in de eerste drie verzen. En hier dwars doorheen zien we dat hij bewust getuigt:

“…en wij getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard – wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt …En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap volkomen wordt.”

Johannes is een getuigende apostel. En zijn getuigenis heeft een doel. Hij benoemt zelfs meerdere doelen:

A. Hij schrijft aan gelovigen, zodat ook zij gemeenschap met hen hebben (Johannes schrijft over “ons” – meervoud)
B. Hij schrijft aan gelovigen zodat hun blijdschap volkomen wordt

Met andere woorden: Johannes wil bijdragen aan de vreugdevolle gemeenschap die gelovigen mogen ervaren met God in Christus en met elkaar. Hier is het hem ten diepste om te doen.

Wat is jouw roeping?
Deze conclusie vanuit vers 4 heeft grote implicaties. Iedere christen is groepen om in vreugde te leven met God en Zijn Zoon én met medegelovigen. Je zou kunnen zeggen dat dit de diepste roeping van de christen en christelijke gemeenschap is. Vreugdevol leven met God is onze hoogste roeping, en vol van waardigheid!
Vreugdevol wil hier niet zeggen dat je altijd lacht. Vreugdevol wil niet zeggen dat jij je altijd gelukkig voelt. Vreugdevol wil zeggen dat je ten diepste gelukkig bent met God Zelf en God alleen. En wanneer je deze vreugde bezit, kun je die gaan uitdelen aan medegelovigen. Opdat ook hun blijdschap volkomen zal zijn. Dit is de hoogste roeping van de Kerk en tegelijkertijd de grootste uitdaging in onze tijd. Durven wij – kunnen wij – met God Zelf en met God alleen tevreden en gelukkig te zijn? Niet dat het ons moet drijven tot egoïsme en zelfgerichtheid. Maar wel met het doel om Gods getuigenis in Christus te bewaren. En om er anderen mee te versterken. Dit is Johannes’ doel met het schrijven van zijn eerste brief. Nu we dit weten, kunnen we de rest van zijn brief in de juiste context plaatsen. Alles wat hij in zijn brief schrijft, moet bijdragen aan de vreugdevolle gemeenschap met God, Christus en medegelovigen.

zaterdag 12 mei 2018

Jezus Christus, het eeuwige leven

Afgelopen donderdag had ik, in het kader van Hemelvaartsdag, het voorrecht om te mogen spreken over Johannes 17:20-26. Ik heb toen gezegd dat Jezus Christus het eeuwige leven is. Maar hoe kan ik dit zo stellig beweren? De Heere Jezus is gekomen om ons het eeuwige leven te geven, maar waar staat dat Hijzelf dit leven is?

Waar theologische overtuigingen geboren worden
Om te beginnen was het voor mijzelf ook een totaal verrassende ontdekking en heb ik eerder nooit zo over Christus gesproken of geschreven. Dit vind ik meest fascinerende en heerlijke van exegese doen: de Bijbeltekst induiken, kleuren, pijltjes en lijntjes trekken, net zolang tot je de tekst zelf haast niet meer kunt lezen en uiteindelijk de verbanden leggen.
Momenteel ben ik bezig (als vervolg op Johannes 17) met de eerste brief van de apostel Johannes. Bij het maken van een exegese ben ik altijd op zoek naar gemene delers (welk onderwerp, woord, of welke persoon komt bij herhaling voor in dit gedeelte?). Aan de hand van de gemene deler(s) kun je een groter gedeelte structureren. Het begin van 1 Johannes vertoont veel overeenkomsten met de proloog van het Evangelie volgens Johannes:

“Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens – want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard – wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij, opdat uw blijdschap volkomen wordt.”
(1 Johannes 1:1-4)

Eén van de moeilijkste – zo niet, één van de meest onmogelijke – dingen is om een tekstgedeelte te lezen en alleen maar gedachten te ontwikkelen die uit dat gedeelte zelf voortkomen. Iedereen heeft zijn vooronderstellingen, maar die moeten zoveel mogelijk worden getoetst – en worden gecorrigeerd – door de tekst. En áls dit lukt, krijg je op verrassende en onverwachte momenten de meest fascinerende en indrukwekkende conclusies. Zo kwam ik ook tot de ontdekking dat Jezus Christus Zelf het eeuwige leven is.

Johannes verwijst in de eerste vier verzen van zijn brief – geteld in de English Standard Version – maar liefst twaalf keer naar “dat wat er was vanaf het begin.” Hij lijkt hier als het ware opnieuw te beginnen met de proloog van zijn Evangelie. Maar juist omdat hij twaalf keer naar hetzelfde verwijst, is de gemene deler van deze verzen snel gevonden: “dat wat er was vanaf het begin.” Vervolgens zien we dat hij dit aan het einde van vers 1 het “Woord des levens” noemt. In vers 2 noemt hij dit “het leven” en het “eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard.” De vraag is nu: wat was bij de Vader en wat is nu aan ons geopenbaard? Het antwoord maakt dat we niet vragen wat er bij de Vader was en wat nu aan ons geopenbaard is, maar wie. De cryptische omschrijving van Johannes krijgt een gezicht in Jezus Christus. Hij staat in dit gedeelte centraal. En deze ontdekking zet vervolgens een denkproces in gang, waarbij de volgende feiten op een rij kunnen worden gezet:

• Christus is God (vers 1a)
• Christus is Mens geworden (vers 1b)
• Christus is het Woord des levens (vers 1c-2a)
• Christus wordt verkondigd (vers 2b)
• Christus is het eeuwige leven (vers 2c)
• Christus wordt verkondigd (vers 3a)
• Christus brengt gemeenschap (vers 3b)

In vers 4 zien we uiteindelijk de intentie achter Johannes’ schrijven, namelijk “dat de blijdschap van de lezers volkomen wordt.”

Blijdschap in het zien van Christus
Exegese levert nieuwe, frisse vreugde en blijdschap op. Allereerst is het fascinerend te ervaren dat Gods Geest werkzaam is in dit proces. Maar het meest geweldige is dat Diezelfde Geest méér van Christus laat zien. En het hoeft niet te verbazen wat er, kijkend naar de opsomming hierboven, voor mij direct uit het oog springt. Punt 5, Christus is het eeuwige leven.
Dit alles is leuk en mooi, maar wat zegt dit? Als je hier verder over na gaat denken, zegt het verbluffend veel meer dan je vermoedt. En van de meest verbluffende conclusies is deze: als Jezus Christus het eeuwige leven is, dan mag je daar een is-gelijk-teken plaatsen. Jezus Christus = eeuwig leven. Blijf je lezen in de geschriften van Johannes, dan kom je tot verbazingwekkend nieuwe inzichten. De grootste is wat mij betreft de volgende. Lees Johannes 3:16 eens, dat bekende vers:

“Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”

Als Jezus Christus inderdaad het eeuwige leven is, kijk dan eens wat er gebeurt wanneer je Zijn Naam invult op de plaats waar nu “eeuwig leven” staat:

“Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar Jezus Christus heeft.”

Conclusie: God heeft Christus aan de wereld geven, zodat iedereen die in Hem gelooft, Christus zal hebben. Echt waar? Is dit het Evangelie? Is Christus zowel het Middel als het Doel? Het antwoord is: ja. Het eeuwige leven is Jezus Christus; het is het kennen van Degene Die door God de Vader aan de wereld is gegeven om het verlossingswerk te volbrengen.

Dezelfde vraag, andere woorden
Als de Bijbel ons eenmaal overtuigt van dit inzicht, dan kunnen we ook dezelfde vragen op een andere manier stellen. We kunnen de vraag of iemand eeuwig leven heeft anders gaan stellen. “Eeuwig leven” klinkt nog best abstract. Maar als je aan iemand vraagt: “Heb jij Jezus Christus?” spreekt het direct meer tot de verbeelding en hebben mensen veel sneller in de gaten in welke hoek zij het antwoord moeten zoeken.
Maar de gevolgen van een dergelijke ontdekking gaan nóg verder. In pastoraal opzicht kan het ook een geweldige bevrijding zijn te weten dat Jezus Christus het eeuwige leven is. Als Christus het Leven is, heb ik – voor zover ik met God wil leven – niets anders nodig. De kwaliteit van het leven is niet altijd hetzelfde, soms moeten we veel zegeningen inleveren waaraan we zó gehecht zijn (of waren). En om op die momenten werkelijk te weten en ervaren dat niet al die zegeningen (hoe goed ze ook kunnen zijn) het leven vormen, maar Jezus Christus Zelf – dat is misschien nog wel de grootste sleutel en het beste geheim om te volharden in het geloof, juist ook op die momenten dat de grond onder je voeten lijkt weg te vallen. Het komt aan op betekenissen en definities. Als jij het “leven” definieert met woorden als “gezondheid”, “geluk”, “genieten”, “hard werken” of “eer verkrijgen”, dan hoeft niemand lang na te denken over wat er met je gebeurt als één van deze zaken wegvalt. Maar als je het “leven” definieert met twee woorden, die samen één Naam vormen, komen al die zaken in een heel ander perspectief te staan. Want iemand die het eeuwige leven heeft, kan met recht zeggen: “Ik heb Jezus Christus.”

Blogarchief