SalvationInGod

Posts tonen met het label bloed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bloed. Alle posts tonen

zondag 4 juni 2023

Het kruiswerk van Christus (3) Offer

De rijkdom van de Bijbelse verlossingsleer

De vorige keer hebben we gezien dat de gehoorzaamheid van de Heere Jezus gedurende Zijn hele leven en bediening van essentieel belang is voor de verlossing van degenen die Hij redt. Zijn gehoorzaamheid is van cruciaal belang voor het offer dat Christus bracht aan het kruis op Golgotha. Het is daarom niet verwonderlijk dat Robert Reymond, in zijn behandeling van het karakter van Christus
 kruiswerk en na stilgestaan te hebben bij de gehoorzaamheid van Christus, ingaat op het offer van Christus.

Wat Christus
 offer veronderstelt
Bij elk aspect dat Reymond behandelt met betrekking tot het kruiswerk van Christus, noemt hij ook de reden die eraan ten grondslag ligt. Met andere woorden: ieder aspect kent een bepaalde vooronderstelling. Er is een noodzaak waardoor dat aspect een indringende en onmisbare betekenis heeft. Wanneer we spreken over het kruiswerk van Christus als offer, raakt dit direct aan menselijke zonde en schuld. In het hele Nieuwe Testament wordt het kruiswerk van Christus omschreven als offer. Daarbij zijn er Bijbelteksten die Christus als Hogepriester beschrijven, Die Zichzelf heeft geofferd aan God en als het 
Lam van God (zie Johannes 1:29, 36). De termen Hogepriester”, “Lam van God” en “Offer hebben allemaal een direct verband met het offer.

De betekenis van Christus
 offer
Wanneer Reymond de betekenis van Christus
’ sterven als offer beschrijft, merkt hij als eerste op dat dit begrip bekend klinkt voor evangelicale oren (mensen met zowel een Reformatorische als evangelische achtergrond, die de orthodoxe leer van de Bijbel aanvaarden en belijden). Juist daarin schuilt het gevaar dat wij het belang van dit offer niet meer goed in beeld hebben. Daarom noemt hij vier belangrijke kenmerken van het offer, zoals we dit kennen vanuit het offersysteem in het Oude Testament. Dit offersysteem vormt immers de achtergrond van Christus’ kruiswerk als offer.
Als eerste veronderstelt het offer de zondeloze volmaaktheid van de Heere Jezus. Ieder offer dat aan God gebracht werd, diende onberispelijk te zijn. Dit betekent dat het in geen enkel opzicht een gebrek mocht hebben. Het moest perfect zijn. Smetteloos. Zuiver. Dit punt benadrukt eens temeer hoe essentieel het is dat de Heere Jezus gedurende Zijn aardse leven en bediening nooit heeft gezondigd en dat Hij in alles de wil van Zijn Vader heeft gehoorzaamd.
Ten tweede veronderstelt het offer dat de zonde van de zondaar op Christus zijn gelegd en Hem zijn toegerekend zoals dit in de Levitische wetgeving is te lezen (zie hiervoor bijvoorbeeld Leviticus 16:21-22).
Als derde leidt het feit dat de zonde van de zondaar op Christus is gelegd tot het innemen van de plaats van de zondaar door Christus. Als Lam van God is Hij Degene op Wie de zonde van de zondaar wordt gelegd. De zonde van de zondaar worden Christus toegerekend.
Ten vierde is er de noodzaak van het wegnemen of uitwissen van de zonde van de zondaar. De Hebreeënschrijver zegt dat 
“zonder bloedvergieten geen vergeving plaatsvindt” (Hebreeën 9:22).
De aspecten 
– deze vier theologische principes  zo stelt Reymond, rechtvaardigen de conclusie dat het sterven van Christus in juridische zin de zonden van al degenen voor wie Hij stierf heeft weggedaan.

De liberale afwijzing van de Bijbelse betekenis van het offer
Reymond besluit de bespreking van het offer met een belangrijke opmerking. In liberale, vrijzinnige kerken wordt de betekenis van Christus
 sterven als offer – zoals hierboven is beschreven – bestreden vanuit de gedachte dat de gehele Bijbel zich zou verzetten tegen ieder menselijk offer. Reymond stelt, ondersteund met een citaat van Geerhardus Vos, dat de Bijbelgetrouwe christen zich goed moet realiseren dat het offersysteem van het Oude Testament waarde en betekenis heeft, juist omdat het vooruit wijst naar het offer dat een Mens zou brengen – de volmaakte, zondeloze Jezus Christus. Reymond voegt eraan toe dat, als de priestercultus met bijbehorende offers een weerspiegeling is van het cultische denken in het toenmalige Midden-Oosten (ongeveer 2000 jaar vóór Christus), Mozes een van de meest barbaarse mensen is geweest die ooit heeft geleefd. Hij heeft als middelaar immers deze Levitische wetgeving aan het volk bekendgemaakt. God verzet Zich in principe niet tegen álle menselijke offers. Paulus schrijft in Romeinen 8:32 dat “Hij [God] zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft.” God verzet Zich in principe niet tegen ieder menselijk offer, maar wel tegen een zondig menselijk offer, omdat een dergelijk offer voor Hem niet kan bestaan en geen stand kan houden. En hier komt de unieke schittering van het Evangelie naar voren: geen enkel mens is in staat om met zijn of haar leven het offer te brengen dat verzoening kan brengen met God. Geen enkel mens in staat een offer te brengen dat de zonde van zondaren kan wegnemen. Er is één uitzondering: de Mens Jezus Christus. Juist omdat Hij volmaakt is, zonder zonde, heeft Hij een onberispelijk offer kunnen brengen. Smetteloos. Zuiver. Zijn offer houdt stand voor God; het is helemaal goed. Perfect. Volmaakt.

De perfectie van Christus en de zonde van alle mensen
Wanneer we nadenken over het kruiswerk van de Heere Jezus als offer, komen twee werelden bij elkaar: Zijn perfectie, Zijn volmaaktheid en onze zonde. Onze schuld. De vooronderstelling die Reymond voor de noodzaak van het offer formuleert, namelijk menselijke zonde en schuld, is volkomen terecht en raakt de kern van het Bijbelse offer 
– en uiteindelijk het ultieme offer dat Christus heeft gebracht. Als wij lezen over het offer dat Hij aan het kruis heeft gebracht, zien we allereerst ons grootste probleem: onze zonde. Het is hierbij van belang dat we niet in algemene termen blijven spreken. Christus heeft Zijn offer gebracht omdat jij en ik – ik maak het nu bewust persoonlijk  gezondigd hebben en schuldig staan tegenover God. Als wij dit niet zien en erkennen als de noodzaak voor het offer van Christus, zal Zijn kruiswerk weinig tot geen betekenis voor ons hebben. Maar als wij erbij worden bepaald dat wij allemaal – niemand uitgezonderd – schuldig staan tegenover God vanwege onze zonde, gaan we de heerlijkheid zien van de vier genoemde aspecten van Christus’ offer: Christus heeft, als volmaakte, zondeloze Zoon van God, de plaats van zondaren ingenomen; de zonde van de zondaar zijn op Hem gelegd en door Zijn bloed heeft Hij de zonde van de zondaar weggedaan. Voor wie zijn zonde ziet, zijn schuld erkent en beseft dat hij of zij niet in staat is om zelf een perfect offer voor God te brengen, is dit het beste nieuws in de wereld: Jezus Christus heeft in mijn plaats het perfecte, volmaakte offer gebracht met Zijn bloed. Mijn zonden zijn weggedaan!

vrijdag 30 augustus 2019

Geloof werkt! – de invloed van een theologisch systeem

Een onderdompeling in The Gospel According to Jesus

De laatste keer dat ik schreef over John MacArthurs boek The Gospel According to Jesus, eindigde ik met de noodzaak van evangelische genade in de verkondiging van Gods Woord. In hoofdstuk 2 gaat MacArthur in op een ernstige misvatting van het begrip “genade” in evangelische kringen. Dit hoofdstuk is van groot belang, omdat MacArthur twee belangrijke zaken aanstipt: het theologische concept van het hedendaagse genadebegrip en de historische achtergrond hiervan.

“Bekeringsritualisme” als evangelisch taboe
MacArthur begint dit hoofdstuk met de pijnlijke constatering dat iedereen die belijdt een christen te zijn, al heel snel als zodanig binnen de kerk wordt geaccepteerd en behandeld – zonder te onderzoeken of in het leven van zo iemand de vrucht van gerechtigheid zichtbaar is.
Volgens de Amerikaanse voorganger leren hedendaagse christenen te geloven dat zij hun redding nooit in twijfel hoeven te trekken, omdat zij ooit een gebed hebben uitgesproken, of omdat ze tijdens een evangelisatiebijeenkomst naar voren zijn gekomen, of vanwege een andere ervaring.
Hiermee is de evangelische beweging in dezelfde val getrapt als de Rooms-Katholieke kerk: men houdt zich vast aan zekere rituelen. De hedendaagse, belijdende kerk wordt geplaagd door “bekeringsritualisme” – mensen vertrouwen op het eenmalige ritueel dat het moment van de bekering zou markeren. Mensen leren dat ze de oprechtheid van het geloof nooit mogen bevragen, omdat ze toen een gebed hebben uitgesproken, of omdat zij toen naar voren zijn gekomen tijdens een samenkomst.
Daar waar de reformatoren fel van leer trokken tegen de Roomse rituelen, hebben de hedendaagse evangelicalen andere rituelen omarmd als afweermechanisme tegen “aanvallen op geloofszekerheid.”

Hoe “de geestelijke mens” de vleselijke mens is gaan gedogen
Hoe heeft het zover kunnen komen? MacArthur gaat uitvoerig in op de historische achtergrond van deze theologische verschuiving.
Hij neemt de lezer mee naar het jaar 1918 – zeventig jaar vóór het verschijnen van The Gospel According to Jesus. In dit jaar verscheen het werk He That Is Spiritual van Lewis Sperry Chafer. Hoewel de titel het niet doet vermoeden, verdedigt de schrijver de stelling dat de “vleselijke mens” in 1 Korinthe 2:15-3:3 eveneens een christen is, maar dat zijn structurele levenswandel overeenkomt met die van een ongelovige. Met andere woorden: een vleselijke christen is een christen, maar hij leeft als iemand die niet gered is.
Het is niet moeilijk te raden wat een dergelijke opvatting in de praktijk uitricht. Want als er – nota bene met een perikoop uit de Bijbel in de hand – onderbouwd kan worden dat zelfs christenen kunnen leven als mensen die niet gered zijn, waarom zou je dan de realiteit van iemands geloof in twijfel trekken? Waarom zou jij je zorgen maken over de echtheid van jouw geloof als je hebt gehoord dat je ook een “vleselijke christen” kan zijn? Deze opvatting wekt de suggestie dat er twee groepen christenen zijn: normale, of ondermaatse christenen, en superchristenen (de geestelijke, volwassen christenen). Het doet denken aan de theologie van Keswick, of de theologie van de “second blessing.”
Voor de meeste theologen, zo benadrukt MacArthur een aantal keer, was Chafers’ theologische opvatting een vreemd concept. Toch heeft zijn werk veel invloed gehad op de manier waarop het Evangelie heden ten dage wordt verkondigd.

Dispensationeel onderscheiden
Het blijft echter niet bij een verkeerde interpretatie van 1 Korinthe 2:15-3:3. MacArthur noemt nog een aantal theologische opvattingen die hebben bijgedragen aan een verkeerde visie op verlossing.
Al deze opvattingen zijn verankerd in de Bedelingenleer. Door dit te benoemen, valt MacArthur openlijk de theologische school aan waartoe hijzelf in beginsel behoort. Hij beschouwt zichzelf als een “traditional premillennial dispensationalist.” Zijn boek is daarom vooral binnen de kringen van deze theologische stroming omstreden en fel bestreden.
De Bedelingenleer kenmerkt zich sterk door het accent op verschillende “bedelingen” of “tijdvakken” of “perioden”. Zo leefde de Heere Jezus Zelf onder de “bedeling van de Wet”, maar luidde door Zijn dood, opstanding, hemelvaart en het uitstorten van de Heilige Geest de “bedeling van de genade” in.
Lewis Sperry Chafer beschouwde deze tijdperioden als exclusief. Dit betekent dat er in de bedeling van de Wet geen genade aanwezig was, en omgekeerd – dat de bedeling van de genade geen wet kent. Hij zag Wet en genade als strikt gescheiden van elkaar. Degenen die ná Chafer zijn gekomen, hebben deze denklijn theologisch doorgetrokken. Eén van de zure vruchten die dit heeft opgeleverd, is dat men zwart op wit begon te stellen dat de Bergrede niet voor de Kerk kan zijn, omdat deze rede van Jezus één en al Wet zou bevatten. Op deze manier wordt het onderwijs van Christus uitgespeeld tegen dat van de apostel Paulus – in het voordeel van laatstgenoemde.
De strikte scheiding tussen Wet en genade wordt door bepaalde dispensationalisten gebruikt als filter om het onderwijs van Christus te verklaren; men past het toe op een andere tijd dan de huidige.
De scheiding tussen Wet en genade is niet het enige onderscheid dat dispensationalisten maken. Zo zien ze een verschil tussen Jezus als Redder en Jezus als Heere. Wie Christus ontvangt als Redder, wordt behouden, ook al weigert diegene zich te onderwerpen aan Christus als Heere.
Een ander onderscheid is dat tussen verlossing en discipelschap. Christus’ geboden in de Evangeliën hebben geen betrekking op ongelovigen, maar alleen op volgelingen van Hem.

Hermeneutiek
Ik kan niet anders dan MacArthur complimenteren voor wijze waarop hij de historische achtergrond heeft beschreven: duidelijk en relatief beknopt. Zoals al eerder gezegd, is dit een belangrijk hoofdstuk in het boek.
Het laat zien dat we niet alleen ons exegetische huiswerk op orde moeten hebben, maar dat we ook kennis moeten hebben van de ontwikkelingen in de kerkgeschiedenis. Opnieuw zien we hier hoe belangrijk het is om Bijbelse kennis te hebben over Gods genade. In de lijn van dispensationalisten als Lewis Sperry Chafer wordt genade zeer eenzijdig en beperkt verstaan. De manier waarop Chafer en andere dispensationele theologen genade verstaan, kan het best worden omschreven als vrijspraak voor schuldige zondaren. Deze eenzijdige blik op Gods genade heeft vergaande consequenties. En MacArthur heeft absoluut een punt als hij de alarmbel luidt wanneer hij deze consequenties noemt.
Ik heb mij in het verleden uitgesproken en verzet tegen de visie op Gods genade en verlossing zoals deze in de Bedelingenleer vertolkt worden. En ik zal hier niets van terugnemen.
Oppervlakkig gezien lijkt de Bedelingenleer een probleem te hebben met de visie op verlossing en Gods genade, maar wie doordringt in het theologische systeem, zal ontdekken dat het probleem dieper ligt. De Bedelingenleer heeft een hermeneutisch probleem. Dit betekent dat de manier waarop de Bijbel in zijn geheel wordt gelezen en verstaan, fundamentele gebreken kent.
Eén fundamenteel gebrek is dat men de Bijbel leest in zogenaamde “tijdvakken” of “bedelingen”. Dit heeft grote gevolgen. Het betekent dat een Bijbelgedeelte over het leven van Mozes minder zeggenschap zou hebben dan een gedeelte uit de Nieuw Testamentische brieven. “We kunnen er natuurlijk wel van leren,” zeggen dispensationalisten dan, “maar het is niet gericht aan de Gemeente van Jezus Christus.” Om het anders te zeggen: de Bijbel is een boek dat is gericht aan ons, maar niet alles wat erin staat is voor ons. Dit heeft te maken met een ander hermeneutisch probleem binnen de Bedelingenleer: men kent hoofdzakelijk drie groepen geadresseerden in de Bijbel. Dit zijn Israël, de Gemeente en de wereld (of: de heidenen). Dit onderscheid maken dispensationalisten op grond van 1 Korinthe 10:32. Het is echter nogal wat om op grond van dit vers een hele hermeneutiek te bouwen!
Het is onverantwoord om te stellen dat bepaalde Bijbelgedeelten voor vandaag wel gelden, maar andere teksten niet. De hele Bijbel heeft vandaag de dag zeggingskracht. En hoewel we er rekening mee moeten houden dat bepaalde gebeurtenissen niet herhaald worden en uniek zijn, moeten we in elk gedeelte de onveranderlijke principes van Gods Woord ontdekken en onderzoeken hoe Gods verlossingswerk in Jezus in deze geschiedenissen zichtbaar wordt.

De genade van het Evangelie kan niet worden verdeeld
Lewis Sperry Chafer wilde Gods “pure genade” – dat betekent onvervalst of ongemengd – niet verwarren met enige inspanning van de mens. Dit is enerzijds te prijzen, omdat het verlossingswerk in een mensenleven Gods werk is. Dat is ook het slotakkoord van MacArthur in hoofdstuk 2.
Anderzijds moet in gedachten worden gehouden dat Gods genade niet enkel gaat over het vrijspreken van schuldige zondaren. En volgens MacArthur ligt de onjuiste visie op Gods genade ten grondslag aan het lordship-debat. Hierin heeft hij mijns inziens volkomen gelijk.
De cruciale vraag in het lordship-debat is of Gods genade meer doet dan de schuldige zondaar vrijspreken. En het Bijbelse antwoord is helder: ja. Gods genade spreekt niet alleen vrij van zonde, maar maakt ook vrij van zonde. En dit is de reden waarom wordt gesproken over “lordship salvation” – Lordship in dit verband wil communiceren dat een gelovige in Christus zich onderwerpt aan Zijn heerschappij, om te worden vrijgemaakt van de zonde. Niets meer en niets minder. En het is waar: als jouw begrip van genade niet verder reikt dan het vrijspreken van een schuldige zondaar, dan zal MacArthurs pleidooi op zijn minst provocerend en op zijn ergst als grove dwaling worden ontvangen.
Er komt echter wel een vraag naar boven wanneer we MacArthurs argumentatie doornemen. Want hij verwijt de traditionele dispensationalisten – en mijns inziens dus terecht – dat zij Christus en Paulus tegen elkaar uitspelen. Maar zien we dit in MacArthurs boek ook niet gebeuren? Daar waar de tegenstanders van “lordship salvation” grotendeels leunen op het onderwijs van Paulus, zit MacArthurs betoog aan de andere kant van het spectrum. Hij richt zich in zijn boek primair op de bediening van de Heere Jezus. Heeft hij, in zijn ijver critici te laten zien dat de Bijbel een bredere visie op genade en verlossing biedt, te veel accent gelegd op het onderwijs van Christus en is hij daardoor niet zelf ook eenzijdig te werk gegaan?
Net zoals de Heere Jezus Zelf niet opgedeeld kan worden (Hij is niet een stukje Profeet, een stukje Priester, een stukje Koning – Hij is volmaakt één in Zijn ambten), kan ook Gods genade niet worden verdeeld. MacArthur heeft er volkomen gelijk in als hij stelt dat er geen stukje vergevende genade is, zonder ook het stukje heiligende genade en het stukje bewarende genade te ontvangen. Wie christen wordt, ontvangt al deze genade! Daarom vind ik het jammer dat MacArthur in het begin van het boek niet ingaat op het fundamentele aspect van het Evangelie: dat verloren zondaren vergeving aangeboden wordt op grond van het volmaakt heilige offer dat Jezus Christus heeft gebracht, door te sterven aan het kruis en op te staan uit de dood. In dit opzicht vind ik MacArthurs insteek in het begin te eenzijdig. En bovendien werkt het iets in de hand wat we in de Kerk niet moeten willen: krampachtige pogingen tot heiligmaking.

Ik heb de boodschap van het kruis nodig – iedere dag!
Ik schrijf dit niet, omdat ik iets te zeuren wil hebben, of omdat ik zo nodig kritisch moet zijn; ik schrijf dit uit ervaring. Probeer maar eens een dag of een week of een maand of een heel jaar te leven met de intentie God te gehoorzamen door het geloof in Christus, zonder iedere dag te beginnen bij het kruis, het open graf en de troon van Gods genade, waar de hemelse Advocaat jouw belangen behartigt. Het gaat je niet lukken. Je word er wanhopig van. Je probeert heilig te worden zonder het krachtige bloed van Jezus Christus. Wie geheiligd wil worden buiten de reinigende kracht van Christus’ bloed om, verliest geestelijke kracht. Zo iemand wordt ziek. Probeer geen belofte te ontvangen, of gebod te gehoorzamen, zonder te pleiten op het bloed van Jezus.
Waarom schrijf ik dit? Vanwege meerdere redenen:

1. Als heiliging structureel wordt losgemaakt van het bloed van Christus, worden we verwaand, denkend dat we God gehoorzaam kunnen zijn zonder de kracht die Hij ons verleent
2. Als heiliging structureel wordt losgemaakt van het bloed van Christus, worden we wanhopig, denkend aan ons eigen falen, terwijl we het verlossingswerk van God in Jezus vergeten
3. Als heiliging structureel wordt losgemaakt van het bloed van Christus, verliezen we Gods vergevende genade uit het oog – de vergevende genade die het fundament van onze verlossing is én de vergevende genade die we iedere dag nodig hebben vanwege nieuwe zonden
4. Als heiliging structureel wordt losgemaakt van het bloed van Christus, worden we “christenautonomen” – mensen die denken dat, nadat God Zijn deel in de Heere Jezus heeft gedaan, wij nu onze verantwoordelijkheid moeten nemen

Wil ik hiermee MacArthurs pleidooi ontkrachten? Nee.
Wat ik hiermee wél wil laten zien, is dat we heel goed op de hoogte moeten zijn van de context waarin voorgangers, auteurs en theologen hun visies uitdragen. MacArthurs aversie tegen de positie dat Gods genade enkel en alleen vergevend van aard zou zijn is begrijpelijk, al moet ook gezegd worden dat hij de heiligende kracht van Gods genade benadrukt en weinig verbinding legt met de vergevende genade. Dat kan bij anderen weer vragen oproepen. En die vragen zijn ook gekomen.
In het voorwoord op de tweede druk van The Gospel According to Jesus schrijft MacArthur dat hij twee nieuwe hoofdstukken heeft toegevoegd, over de rechtvaardiging door het geloof én over het verlossingswerk van Christus aan het kruis.
Het bewijst mijns inziens dat MacArthur bij de eerste uitgave van zijn boek te eenzijdig is geweest. Hij verdient echter lof voor de manier waarop hij reageert op critici; niet iedereen is bereid zijn werk op deze manier te herzien. Het geeft aan dat hij corrigeerbaar is én – verreweg het belangrijkste – dat hij het volbrachte verlossingswerk van Zijn Heere wil eren. Minder dan dit is een betrouwbare, christelijke voorganger onwaardig.

Blogarchief