SalvationInGod

zondag 16 juni 2019

Jezus Christus, onze Hogepriester – verschenen, verzekerd en verbroken

Woordverkondiging Hebreeën 9:11-14 op 16 juni 2019 in Werkendam

Inleiding en context: Goedemiddag, broeders en zusters. Het is een vreugde en groot voorrecht opnieuw in jullie midden te zijn en om het Woord met jullie te delen.
Vanmiddag hoop ik te spreken over Hebreeën 9:11-14. In dit gedeelte staat het Hogepriesterlijk ambt van onze Heere Jezus centraal.
Voordat ik hiermee begin, wil ik eerst ingaan op de context van de brief. Een korte situatieschets maakt dat we de brief beter kunnen lezen en begrijpen. Daarom zal ik nu ingaan op de vraag van de datering, afzender, geadresseerden en thematiek.

Afzender: Wie de schrijver aan de Hebreeën is geweest, kunnen wij niet met zekerheid vaststellen. Origenes heeft hierover gezegd: “Wie de brief aan de Hebreeën geschreven heeft, God alleen weet het.” De brief vermeldt – in tegenstelling tot alle andere brieven van het Nieuwe Testament – géén afzender. Toch moet de schrijver bekend zijn geweest bij de geadresseerden, gezien het persoonlijke slot in 13:18-24.
Er zijn mensen die geloven dat de apostel Paulus deze brief heeft geschreven. De redenen die zij aanvoeren, zijn de volgende:
1. In Egypte en Noord-Afrika is het altijd de heersende gedachte geweest dat Paulus deze brief heeft geschreven. Het is daar nooit een punt van discussie geweest; dit in tegenstelling tot Italië en met name Rome.
2. Eusebius vertelt dat Clemens van Alexandrië heeft verklaard dat Paulus de brief in het Hebreeuws heeft geschreven, en dat de apostel Lucas deze vervolgens nauwkeurig in het Grieks heeft vertaald. Paulus heeft zijn naam echter bewust niet in de brief vermeld, uit eerbied voor Zijn Heere, Die hij beschouwde als de échte Apostel van de Hebreeën. Ook meende hij dat hij, door zijn naam niet in de brief te vermelden, de vooroordelen of vooringenomenheid van Joodse mensen in de kiem kon smoren. Hij wist dat dergelijke reacties zouden komen op het moment dat ze wisten dat hij de auteur van de brief was.
3. Eusebius plaatste deze brief binnen de groep van brieven die door Paulus zijn geschreven. De brieven van Paulus zijn in de Bijbel niet gerangschikt op grond van chronologie, maar op grond van lengte. Hebreeën staat in sommige manuscripten van het Nieuwe Testament tussen Paulus’ brief aan de Romeinen en zijn eerste brief aan de Korintiërs; in andere manuscripten vinden we de brief tussen Galaten en Efeze. In de meerderheid van oude, Griekse manuscripten staat de brief aan de Hebreeën na 2 Tessalonicenzen. Dit overzicht laat iets gemeenschappelijks zien: ze suggereren dat de apostel Paulus Hebreeën heeft geschreven.
4. Dan zijn er nog de zogenaamde “interne aanwijzingen.” Zo lezen we in de brief zelf dat de auteur oproept voor hem te bidden, en dit is iets wat we ook in de brieven van Paulus tegenkomen. Verder heeft de auteur het over “onze broeder Timotheüs” (in 13:23). Er zijn ook zekere taalkundige overeenkomsten met brieven van Paulus en net als in de brieven van Paulus lezen we in de brief aan de Hebreeën dat de Persoon en het werk van de Heere Jezus Christus centraal staan.

Persoonlijk betwijfel ik of dit afdoende argumenten zijn om het auteurschap van Paulus met betrekking tot de brief aan de Hebreeën te verdedigen. Argumenten die ingaan op mogelijke motieven zijn sowieso onbruikbaar, omdat je daar geen bevestigend, noch ontkennend antwoord op kunt krijgen. De schrijver is immers niet meer onder ons en we zullen daarom moeten blijven gissen naar het antwoord op de vraag waarom hij zijn eigen naam niet vermeld heeft. Daarnaast kun je met de interne argumenten ook alle kanten op. “Hebreeën is ook sterk gericht op de Persoon en het werk van de Heere Jezus” lijkt misschien een sterke redenering, totdat je de vraag gaat stellen: “Welk boek in het Nieuwe Testament is dat niet?!” Met andere woorden, laten we vasthouden aan het meest veilige antwoord op de vraag wie de brief aan de Hebreeën geschreven heeft: “Wij weten het niet.”
Geadresseerden: Het woord “Hebreeën” geeft al aan dat we hier moeten denken aan een groep mensen die op de één of andere manier is verbonden met de Joodse traditie. Er wordt wel gesuggereerd dat de eerste ontvangers van de Hebreeënbrief Joden-christenen waren – Joden bekeerd tot Christus – en dat zij dreigden terug te gaan naar de Joodse godsdienst. Vanuit de brief is deze theorie niet te bevestigen of ontkennen. We lezen niet dat de schrijver de geadresseerden op zo’n manier aanspreekt, dat we daaruit kunnen afleiden dat het tot Christus bekeerde Joden zijn. De inhoud van de brief, en dan met name de argumentatie die de schrijver hanteert, doet echter sterk vermoeden dat de ontvangers van de brief meer dan gemiddeld bekend waren met het Oude Testament.
Datering: De brief aan de Hebreeën is in de eerste eeuw na Christus geschreven (dus vóór het jaar 100) en waarschijnlijk dateert de brief zelfs van vóór het jaar 70 na Christus. Helemaal bevestigen kunnen we dit uiteraard niet, maar er zijn argumenten die de brief zelf aanreikt die hierop wijzen. Het belangrijkste argument is dat de auteur van de brief de verhevenheid van Christus – méér, beter, groter – verdedigt ten opzichte van Oud Testamentische profeten en de Oud Testamentische offerdienst. Met name het feit dat hij uitvoerig stilstaat bij Christus’ verhevenheid boven de Oud Testamentische offerdienst is van belang, want als de brief later dan het jaar 70 na Christus is geschreven, waarom zou je dan zo uitvoerig ingaan op de offerdienst, als deze door de verwoesting van de tempel noodgedwongen is gestopt?
Hebreeën is een uitzonderlijk boek in het Nieuwe Testament. Zoals gezegd vinden we er geen vermelding van de auteur, en het boek begint ook niet met een kenmerkende groet. De slotverzen van het boek geven echter een indicatie dat het schrijven toch wel min of meer bedoeld is als een brief. Sommigen menen dat het boek een preek is. Er is wel wat voor die opvatting te zeggen. We zien in ieder geval een prachtige afwisseling van diepgaand, Bijbels-theologisch onderwijs enerzijds en toepassingen anderzijds.
Thema: Het schitterende aan de Hebreeënbrief is dat de verhevenheid en heerlijkheid van Christus uitvoerig uit de doeken wordt gedaan. De schrijver laat op tal van zaken, die vooral vanuit het oogpunt van het Oude Testament essentieel zijn, zien dat Christus de Verhevene is. Hij is de Superieure. Hij is de Ongeëvenaarde.
Hoe prachtig iets ook is, de schoonheid van Christus is indrukwekkender.
Hoe betrouwbaar en wijs de profeten uit het Oude Testament ook mogen zijn, niets kan op tegen Christus’ volmaakte wijsheid en gehoorzaamheid.
Hoe dienend de engelen ook zijn, de Zelfverkozen vernedering van Christus is het meest krachtige dienstwerk dat de wereld ooit heeft gekend.
Hoe genadig het priesterschap onder het Oude Verbond ook was, de genade van Christus als eeuwige Hogepriester overstijgt dit alles. In dit opzicht zou je de Hebreeën een “weegschaalbrief” kunnen noemen. De schrijver weegt veel elementen en vergelijkt deze vervolgens met de Persoon en het werk van de Heere Jezus Christus.
Toepassing: Als we de brief aan de Hebreeën zo beschouwen, kunnen we niet om de vraag heen of wij in ons leven ook wegen. Weegt u de dingen? Legt u Jezus Christus in de weegschaal van uw leven? Vergelijkt u deze dingen met Jezus Christus?
En als u zou vragen: “Is dat nodig dan? Ik geloof toch in de Heere Jezus? Ik moet toch slechts in Hem geloven? Dat is toch genoeg?” dan antwoord ik: “Christus in de weegschaal van uw leven leggen is zeker nodig!” De brief aan de Hebreeën laat zien dat het onvermijdelijk is om te wegen. Er zijn krachten, gewichten in uw leven werkzaam – gewichten in u en gewichten buiten u. De vraag is welk gewicht in uw leven doorslaat. Wat weegt het zwaarst?
De schrijver van Hebreeën wil zijn lezers op het hart drukken dat in het leven van de gelovigen het gewicht van de Persoon en het werk van Christus helemaal mag doorslaan, zodat de kracht ervan zichtbaar wordt door het geloof. Sterker nog, het gewicht van Christus moet dermate doorslaan, dat de andere gewichten hun kracht verliezen en als het ware stuk vallen.
Dat het de schrijver menens is, kunnen we opmaken uit gedeelten als Hebreeën 5:11-6:12 en 10:19-31. Wat we in die twee gedeelten lezen, is dat de geadresseerden opgeroepen worden niet te verslappen in het geloof. Want structurele, voortdurende verslapping leidt tot geloofsafval en dat leidt tot het oordeel. De poorten van Gods Koninkrijk blijven gesloten voor mensen die niet ijverig – door de kracht van de Heilige Geest – de verslapping in het geloof tegengaan en uiteindelijk hun christelijke belijdenis opgeven. Dit zijn ernstige woorden, maar bedenk bij ernstige woorden altijd twee dingen:
a) God zegt het in Zijn Woord
b) God gebruikt ernstige woorden om u op de weg van het eeuwige leven te houden
Als u of jij het gevoel hebt dat jij in jouw leven de waarde van Christus’ Persoon en werk moet wegen, laat God dan verheerlijkt worden!
Toepassing: We zijn relationele mensen. Omdat wij hier vanmiddag bij elkaar zijn, is er op enige manier sprake van interactie, relatie. En voor elke relatie die zich in het leven van een belijdend christen afspeelt, moet gelden dat de waarde van Christus’ Persoon en werk zichtbaar moet zijn.
Ik kan dit niet genoeg benadrukken, broeders en zusters. We belijden als christenen dat we gericht willen zijn op de Heere Jezus, maar ondertussen zien we ook om ons heen – en misschien ook wel in ons eigen leven – dat er dingen fout gaan, dat er zaken niet goed zitten. Misschien zijn we wel afgedwaald van de Heere Jezus. Misschien hebben we het weer nodig om Zijn heerlijkheid weer op zo’n manier te zien, dat ons hart erdoor gegrepen wordt.
Het is duidelijk dat dit – de heerlijkheid en verhevenheid van Christus schilderen met woorden – de motivatie van de Hebreeënschrijver is. En ik wil hem deze middag hierin volgen.

We gaan lezen. We lezen deze middag Hebreeën 9:1-14 met elkaar. Zoals gezegd, hoop ik te spreken over vers 11-14, maar als we lezen vanaf het begin van hoofdstuk 9, dan zien we al goed hoe de schrijver aan het “wegen” is:

“Nu had ook het eerste verbond verordeningen voor de eredienst en het aardse heiligdom.
Er was immers een tabernakel ingericht en in het eerste gedeelte daarvan was de kandelaar en de tafel met de toonbroden. Dat werd het heilige genoemd. Maar achter het tweede voorhangsel was het gedeelte van de tabernakel dat het heilige der heiligen werd genoemd, met een gouden wierookvat en de ark van het verbond, die geheel met goud overtrokken was. In deze ark lagen de gouden kruik met het manna en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de stenen tafelen van het verbond. En boven op deze ark waren de cherubs van Gods heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden. Over deze dingen zullen wij nu niet stuk voor stuk spreken. Dit alles was dus zo ingericht. In het eerste deel van de tabernakel gingen de priesters voortdurend binnen om de diensten te volbrengen. In het tweede deel echter ging alleen de hogepriester eenmaal per jaar binnen, niet zonder bloed, dat hij voor zichzelf offerde en voor de afdwalingen van het volk. Daarmee maakte de Heilige Geest dit duidelijk dat de weg naar het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog in gebruik was. Deze was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd. In overeenstemming daarmee werden er gaven en slachtoffers geofferd die niet in staat waren om hem die de dienst verrichtte, wat zijn geweten betreft tot volmaaktheid te brengen. Het betrof hier alleen voedsel en dranken en verscheidene wassingen, vleselijke verordeningen, die opgelegd waren tot op de tijd van de betere orde.
Maar toen is Christus verschenen, de Hogepriester van de toekomstige heilsgoederen. Hij is door de meerdere en meer volmaakte tabernakel gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is. Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht. Want als het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen heiligt tot reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!”

Ik wil vanmiddag kijken naar een drietal aspecten die de schrijver van de Heere Jezus noemt:

1. Christus – onze verschenen Hogepriester in de hemel (vers 11)
2. Christus – onze Verzekering voor eeuwige verlossing (vers 12)
3. Christus – ons verbroken Slachtoffer (vers 13-14)

1. Christus – onze verschenen Hogepriester in de hemel (vers 11)
Vers 11 begint met een belangrijk woord: “Maar…” Het woordje maar wijst op een tegenstelling. De schrijver heeft nu het ene beschreven en gaat er iets anders tegenover stellen. Het is goed om helder te hebben wat hij in vers 1-10 heeft beschreven. Daarom som ik beknopt wat zaken op:
- Het eerste verbond had inzettingen, richtlijnen om God te aanbidden, evenals een aardse plek van heiligheid, te weten de tabernakel. U moet weten dat het voor mensen in de eerste eeuw ondenkbaar zou zijn dat er ook maar iets van onreinheid of iets van een smet in de hemel zou zijn. De hemel is de plaats waar God woont en de aardse tabernakel is hier een afbeelding van. In Joodse bronnen komen we deze parallel van de hemelse en aardse tabernakel tegen (vers 1)
- Deze tabernakel bestond uit twee delen; het Heilige en het Heilige der heiligen. In het Heilige der heiligen bevond zich de ark van het verbond, met daarbij de staf van Aäron en de stenen tafelen met de geboden (vers 2-5)
- In het Heilige gingen alleen priesters binnen; daar verrichten zij de rituele handelingen waartoe zij geroepen waren (vers 6)
- Iemand anders ging het Heilige der heiligen binnen, namelijk de Hogepriester. Dit gebeurde eenmaal per jaar – op Grote Verzoendag. De Hogepriester ging het Heilige der heiligen nooit binnen zonder bloed. Dit bloed was het offer voor zowel hemzelf als voor de zonden van het volk (vers 7)
- Vervolgens legt de schrijver uit dat de aanwezigheid van de aardse tabernakel een profetische boodschap is, namelijk dat de weg naar het hemelse heiligdom nog niet geopend kon zijn. Dit verduidelijkt hij door te stellen dat alles wat in die tijd werd geofferd het geweten van degene die aanbidt niet tot volmaakte zuiverheid kon brengen (NBV). Dit betekent dat er geen definitieve, blijvende verlossing of verzoening tot stand gebracht was (vers 8-10)

Toepassing: Voor ik verder ga, wil ik u vragen even in gedachten stil te staan bij dat moment, dat de Hogepriester het Heilige der heiligen binnengaat. Dat moment, dat maar éénmaal per jaar plaatsvindt. Stelt u zich eens voor dat u deel uitmaakte van dat volk. U moest wachten tot de Hogepriester alles had uitgevoerd zoals dat in het verbond was opgetekend en door God was bevolen.
Kunt u zich instellen, dat mensen de adem hebben ingehouden en hebben gedacht: “Gaat het hem lukken? Zal de Hogepriester een offer brengen voor onze zonden waar God tevreden mee is?” Geloof mij, dat was een gedetailleerd en secuur werkje. Als de Hogepriester iets vergat, of hij deed iets niet volgens de inzettingen, dan was het einde verhaal.
Als u denkt aan de verzoening met God, welke gedachten komen er dan bij u naar boven? Haalt u dan de schouders op? Zegt u dan: “Dit is voor ons bekend, dit kennen we”? Vind u het verspilling van uw tijd om hier alwéér over te moeten horen? Beseft u het gewicht van het Bijbelse leerstuk over de verzoening? Staat u stil bij de heiligheid van de verzoening? Bent u geraakt door het feit dat verzoening geen kwestie is van “Oh, dat doen we wel even…” maar dat het hier gaat om een volledige vervulling van inzettingen en rituelen die door God Zijn bepaald? We zijn als christenen zo snel geneigd Bijbelse waarheden voor lief te nemen. Na verloop van tijd zijn we er zo aan gewend, dat het niet meer bijzonder is. Ik denk dat dit ook voor de Bijbelse verzoeningsleer geldt. We zijn er zó aan gewend geraakt. Maar als we Hebreeën 9:1-10 lezen, dan moeten we ons realiseren: “Dit is niet normaal. Dit is heilig uitzonderlijk.” We mogen dit nooit vergeten, gemeente – nooit!
Nog uitzonderlijker wordt het, wanneer de schrijver zijn betoog vervolgt in vers 11:

“Maar toen is Christus verschenen, de Hogepriester van de toekomstige heilsgoederen. Hij is door de meerdere en meer volmaakte tabernakel gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is.”

“Maar toen is Christus verschenen.” Gemeente, er is niet zomaar Iemand verschenen; Christus is verschenen! Dit is Iemand Die niet met menselijke maatstaven te meten is. Hij is God en Mens tegelijk. En Hij is verschenen, om de schaduw van de Oud Testamentische offerdienst te vervullen door Zichzelf te offeren, met Zijn eigen bloed.
Hij is onze Hogepriester. Hij is de Hogepriester van de “toekomstige heilsgoederen.” Dit betekent dat Christus als Hogepriester door Zijn verzoeningswerk Zijn volk zegent met alle zegeningen die in de verlossing opgesloten liggen. Sommige vertalingen geven dit vers zo weer, dat deze heilsgoederen ons al ten deel zijn gevallen, in andere vertalingen zie je dat het in de toekomstige tijd staat weergegeven. Dit zou betekenen dat het nog moet komen. Hier wil ik twee dingen over zeggen:
A. Om te beginnen zou je deze woorden kunnen lezen vanuit de toenmalige, Joodse achtergrond. De gelovige Joden waren immers in afwachting van de Messias. In één van de gevonden Dode Zee-rollen – de zogenaamde Oorlogsrol – wordt zelfs gesteld dat er geen definitieve verlossing zal zijn voordat de laatste strijd gestreden is. Maar nu wordt het Hogepriesterlijk verzoeningswerk van Jezus Christus hier als het ware tussen geplaatst, waardoor de verlossing door Christus als het ware doorbreekt. Dus in die zin kunnen we verlossing omschrijven als tegenwoordige tijd. Want, zoals onze tekst vanmiddag ook zegt: “Christus is verschenen.”
B. Tegelijkertijd weten we dat we nog niet ten volle delen in de zegeningen en vruchten van de verlossing en verzoening. We leven nog in een gevallen wereld, een gebroken schepping. Mensen zondigen. Mensen sterven. Mensen worden ziek. “De schepping,” zegt Paulus in Romeinen 8:19, “verwacht met reikhalzend verlangen het openbaar worden van de kinderen van God.” Als dát moment aangebroken is, zullen we alle aspecten van de verlossing volledig ervaren. Naar dat moment mogen wij uitzien!
Toepassing: Dit betekent wel, dat we in de tussentijd ontzettend voorzichtig en met onderscheidingsvermogen om moeten gaan met de gebrokenheid van anderen. Niets is zo verwoestend binnen het pastoraat als de opvatting dat met de verschijning van Christus “alle heilsgoederen tot ons zijn gekomen” en dat deze nu ook “ten volle ervaren kunnen worden.”

2. Christus – onze Verzekering voor eeuwige verlossing (vers 12)
We hebben gezien dat Christus is verschenen als Hogepriester van deze toekomstige heilsgoederen. In vers 12 lezen we vervolgens hoe Christus deze verzoening en verlossing heeft verworven:

“Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed voor eens en altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht.”

In vers 13-14 gaat de schrijver uitvoeriger in op het offer dat Christus heeft gebracht, dus daar zal ik bij punt 3 meer over zeggen. Ik wil bij dit tweede punt de aandacht vestigen op twee zaken:

A. De frequentie van Christus’ verzoeningswerk
We lezen dat Christus “voor eens en altijd” door Zijn bloed is binnengegaan in het heiligdom. In vers 7 lazen we dat de Hogepriester eenmaal per jaar het Heilige der heiligen binnenging. Van Christus lezen we dat Hij dit eenmaal heeft gedaan: “Voor eens en altijd.” Christus hoeft niet ieder jaar Zijn verzoeningswerk te herhalen. Hij is eenmaal het heiligdom binnengegaan. Eenmaal heeft Hij Zijn bloed vergoten tot een losprijs voor velen. Eenmaal heeft Hij Gods toorn over de zonde van Gods volk gedragen. Eenmaal. Niet jaarlijks – nee, eenmaal. Eenmaal was genoeg voor God. Eenmaal is Christus verschenen om door Zijn bloed verzoening te brengen. De waarde van één Christus weegt onmetelijk zwaarder dan alle zogenaamde “goede werken” van alle zondaren bij elkaar.
Toepassing: De vraag die de tekst aan ons stelt, is deze: Is dit ook genoeg voor u? Is het voor u óók genoeg dat Christus eenmaal verschenen is om u te verzoenen met God? Of wilt u dat Hij nog een keer komt, om – net als de Hogepriesters onder het Oude Verbond – Zijn verlossingswerk opnieuw te volbrengen?
Broeders en zusters, kortweg komt geloof hierop neer: tevreden zijn met datgene waarmee God tevreden is. Christus is eenmaal verschenen en dat was voor God genoeg. God is tevreden met het werk van Zijn Zoon. Ben jij dat ook? Of heb jij zo jouw bedenkingen? Durf jij je vertrouwen niet te stellen op het verzoeningswerk dat Christus heeft volbracht? Of vind je dat je zelf ook moet bijdragen aan het verzoeningswerk? Als dit zo is, dan roep ik je nu op de bezwaren neer te leggen; Christus is voor eens en voor altijd verschenen om verzoening te brengen en God ziet het aan met volmaakte tevredenheid. Vandaag klinkt de oproep: Deel in Gods volmaakte tevredenheid over het verzoeningswerk dat Jezus Christus tot stand gebracht heeft!
B. De eeuwigdurende geldigheid van Christus’ verzoeningswerk
Als tweede lezen we dat Christus door het binnengaan met Zijn eigen bloed een “eeuwigdurende verlossing” heeft teweeggebracht. Dit betekent dat wat Christus tweeduizend jaar geleden heeft gedaan, een eeuwigdurende kracht en geldigheid heeft! De verlossing is op één beslissend moment in de wereldgeschiedenis tot stand gebracht en wij zullen er tot in eeuwigheid diep van doordrongen zijn dat onze verlossing nooit realiteit had kunnen worden als Christus niet met Zijn bloed in het heiligdom zou zijn binnengegaan.
Toepassing: Dit zijn bemoedigende, troostvolle en waarschuwende woorden tegelijk. Het leert ons om op Jezus te blijven zien als Degene Die onze verlossing tot stand gebracht heeft. Het is een geweldige troost dat wat Hij tweeduizend jaar geleden heeft gedaan, vandaag niets aan kracht verloren heeft – en dat het tot in eeuwigheid geen enkele kracht zal verliezen. Als u ooit in uw leven de kracht van Christus’ verlossingswerk hebt ervaren, dan is het een geweldige bemoediging te weten dat u de kracht van dit verlossingswerk ook vandaag zult ervaren – en alle verdere dagen die God u geeft. De zekerheid van uw verlossing ligt niet in u. Niet in uw geloof, niet in uw inspanningen, niet in uw goede voornemens, niet in uw ijver, niet in uw wilskracht – nee, de zekerheid van uw verlossing ligt in Christus.
Tegelijkertijd moeten we ook denken aan de keerzijde van dit vers, namelijk dat er geen enkele verlossing mogelijk is buiten Jezus Christus om. De Bijbel leert geen inclusieve verlossing. De boodschap van Gods verlossingswerk in Christus is exclusief. Wie voorbijgaat aan de Hogepriester Die niet alleen het heiligdom is binnengegaan, maar ook nog eens met Zijn eigen bloed dat heiligdom is binnengegaan, zal nooit de verlossende kracht van deze Hogepriester in zijn of haar leven ervaren. Zo iemand zal niet worden gered. En dan komt de levensbelangrijke vraag weer naar boven, waar ik eerder op heb gewezen: Welk gewicht heeft Christus in uw leven? Is er nog kracht van Zijn verlossingswerk in uw leven zichtbaar? Getuigt uw leven ervan dat u door het bloed van Christus bent verzoend met God? Weegt de Persoon en het werk van de Zoon van God dermate zwaar, dat het alle andere gewichtjes in uw leven breekt?

3. Christus – ons verbroken Slachtoffer (vers 13-14)
Want laten we tot slot gaan kijken naar Christus Die ons verbroken Slachtoffer is. We lezen hierover in vers 13-14:

“Want als het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen heiligt tot reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!”

We hebben net, bij vers 11, al gezien dat de Hebreeënschrijver stelt dat de Oud Testamentische offerdienst onvolmaakt was. Deze offers konden het geweten niet reinigen. Hier lezen we dat het bloed van Christus dit wél doet. Waarom? Let eens op de volgende kenmerken die hij hier beschrijft:

“…Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft…”

Dit is een haast mysterieuze zin. Het meeste begrijpen wij. Dat Christus Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, weten we en kunnen we begrijpen. Maar wat bedoelt de schrijver hier met “door de eeuwige Geest”? Het is duidelijk dat hij hiermee de Heilige Geest bedoelt, maar wat is dan de rol van Gods Heilige Geest in het offer dat God de Zoon heeft gebracht?
Ik heb gekeken naar de manier waarop de auteur in zijn brief over de Heilige Geest schrijft. Ik noem kort een viertal observaties:
a. In 2:4 wordt vermeld dat God heeft getuigd door middel van wonderen en gaven van de Heilige Geest
b. In 3:7, 9:8 en 10:15 wordt de Heilige Geest beschreven als Verklaarder of Getuige van het Oude Testament, meestal met de woorden: “De Heilige Geest zegt…” of “De Heilige Geest maakt duidelijk dat...” of “De Heilige Geest getuigt…”
c. In 6:4 wordt gezegd dat mensen hebben geproefd van de gave van de Heilige Geest, echter zonder gered te zijn! Dit is een vers uit de twee bekende waarschuwingsgedeelten.
d. In 10:29 wordt gesproken over het gevaar van het smaden van de Heilige Geest. Het is opvallend dat de Heilige Geest in beide bekende waarschuwingsteksten expliciet wordt genoemd.

Hoe kunnen we met deze vier observaties dat mysterieuze gedeelte van vers 14 uitleggen? Persoonlijk denk ik dat in context van de Hebreeënbrief twee elementen belangrijk zijn, en dat deze twee elementen in het offer van Christus prachtig samenkomen.
a. Als eerste is daar het element van de Oud Testamentische offerdienst én de Oud Testamentische belofte van de Messias Die komen zou. Dat Christus Zichzelf heeft geofferd “door de eeuwige Geest” kun je in dit verband betrekken op het vervullen van Oud Testamentische profetieën en het vervullen van de Oud Testamentische offerdienst. De Heere Jezus heeft, onder leiding en door de kracht van de Heilige Geest, dit alles vervuld.
b. Ten tweede is daar het aspect van het “eerbiedigen” van Gods Geest. Christus heeft de Geest niet tegengestaan. Hij heeft de Geest niet gesmaad. Hij heeft Zich niet verzet tegen de leiding en werking van Zijn Geest toen Hij als Mens naar deze wereld kwam. In tegendeel, juist door “de eeuwige Geest” heeft Hij Zichzelf als smetteloos offer gegeven.

Ik weet dat vers 14 lastig te verklaren is en ik weet ook dat er verschillende uitleggingen over zijn, maar gezien de wijze waarop de auteur schrijft over de Heilige Geest, denk ik dat ik wel met een bepaalde zekerheid kan stellen dat we de twee genoemde elementen in ieder geval kunnen en mogen verbinden aan het offer dat Christus bracht.
Hier komen bij de belangrijke waarheid – die waarheid die we niet over het hoofd mogen zien: Het was noodzakelijk dat er iemand verzoening zou brengen, die zelf een Mens is, maar die ook voor de volle honderd procent gehoorzaam is aan God. Wij kunnen dat niet. Niemand van ons, al zouden we het willen, al zouden we er cursussen en trainingen voor willen volgen – niemand kan dit! Daarom is Christus verschenen, omdat Hij onder leiding en door de kracht van de Heilige Geest eeuwige verlossing tot stand kon brengen.
En kijk dan eens naar het doel van Christus’ offer, aan het einde van vers 14:

“…hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!”

Waarom gaf Christus Zichzelf? Wat lezen we? Er staat dat het bloed van Christus ons geweten reinigt van dode werken om de levende God te dienen.
Toepassing: Broeders en zusters, als u werkelijk de waarde van Christus’ offer hebt gezien en ziet, dan is uw spontane reactie – de spontane reactie die Gods Geest in u legt – dat u zo’n Verlosser wil dienen. Als u werkelijk de waarde van Christus’ offer ziet, zult u nooit zeggen: “Ik wil de zonde dienen, want Christus heeft ervoor betaald.” Nee, u wordt als het ware één gemaakt met Christus in het daadwerkelijk dienen van God. Een levende God wordt niet gediend met dode werken. Een levende God bouwt Zijn Kerk met levende stenen (1 Petrus 2:5).
Lees nog eens goed wat er staat in vers 14. Er staat dat Christus Zichzelf smetteloos heeft geofferd aan God. Christus heeft met Zijn offer God gediend. Wij, die in Christus geloven en in dat geloof leven, dienen God. Met andere woorden: Door God te dienen met het smetteloze offer van Zijn bloed, maakt Christus ons tot dienaren van God.
Toepassing: Ik hoop en bid van harte, dat dit het verlangen van uw en jouw leven is. En net als de Hebreeënschrijver verzoek ik u en jou met klem: Blijf bij Christus. Weeg Hem, en ontdek dat al het andere vér achterblijft bij de waarde die Hij bezit. Laat Zijn gewicht uw leven bepalen. Loop niet weg bij de Hogepriester Die met Zijn bloed de hemelse tabernakel is binnengegaan en daar als Verzekering van eeuwige verlossing is gezeten aan de rechterhand van Zijn Vader.
Voor zowel de moedeloze, afgedwaalde persoon en de vurige, toegewijde christen geldt dit: “Er is één God. Er is ook één Middelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus” (1 Timotheüs 2:5). Bouw elkaar dan zó op, dat uw hart in het zicht van Christus’ offer gaat branden en dienstbaar gemaakt wordt voor Hem Die verschenen, onze Verzekering op verlossing en het verbroken Slachtoffer is.

Amen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Reageren? Plaats hier uw vraag en/of opmerking.

Blogarchief